Bij het 60-jarig jubileum van het Grand Théâtre in 1912 blikte het tijdschrift De Kunst uitgebreid terug op de gloriejaren van ‘De Firma van Lier’: “Men kan zeggen dat in de familie Van Lier nagenoeg het gehele Nederlandse toneel vertegenwoordigd is geweest. Al wat in binnen- en buitenland groot was, heeft onder hun directie in het Grand Théâtre gespeeld, en al wat naam in de Nederlandse toneelwereld had en nog heeft, heeft zijn debuut in het Grand Théâtre gemaakt.” Op datzelfde moment stond de firma op het punt ten onder te gaan.

Lengte

De stichter van het Grand Théâtre, Abraham Israël van Lier, geboren in Amsterdam op 2 november 1813, was zijn loopbaan begonnen als klarinettist en dansleraar. Inmiddels opgeleid tot lithograaf, speelde hij ook kleine rollen (onder meer in de Stadsschouwburg), waarbij hij de actrice Helena (Leentje) de Jong (1823-1882) ontmoette. Zijn leven nam een nieuwe wending: hij trouwde in augustus 1845 met haar én hij besloot dat in het theater zijn toekomst lag. Samen traden ze in dienst bij de Salon des Variétés van Pierre Boas en Nathan Judels, Amstelstraat 5-7.

In januari 1852 nam Abraham met winkelier en makelaar Jan Andreas Schoeman de Hoogduitschen Schouwburg (Amstelstraat 21) voor f 40.000 gulden over van houtkoper Louis Splitgerber, tevens directeur van de Rhijnspoorweg Maatschappij en consul van Rusland. Abraham stopte met acteren, Leentje bleef ‘eerste actrice’ bij de Salon des Variétés. Van Lier en Schoeman doopten de schouwburg om tot Grand Théâtre des Variétés, vanaf 1861 kortweg Grand Théâtre geheten. Schoenman was toen al vijf jaar geen vennoot meer.

‘Van Lier’ werd een begrip in de Amsterdamse theaterwereld. Abraham en Leentje kregen drie zoons, Isouard (1846-1913), Lion (1851-1930) en Joseph, ook wel Jacques genoemd, (1854-1923), en een dochter, Fanny (1850-1919). Alle vier waren ze actief in de theaterwereld: Fanny als actrice, de drie broers als danser, acteur, schrijver en uiteindelijk ook exploitanten. Allemaal vielen ze op vanwege hun geringe lengte. Joseph werd ‘Kleine Jopie’ genoemd, met 1.46 was hij de kleinste van het stel, Lion – ‘Lionnetje’ – met 1.54 meter niet veel groter. Isouard mat 1.58 en was de grootste. Het gezin woonde op de Botermarkt (nu het Rembrandtplein), om de hoek van de theaters in de Amstelstraat.

Zomers

Het Grand Théâtre was van meet af aan een goed lopend bedrijf. Van Lier had er “een kunsttempel” van gemaakt, schreef De Kunstlater. “Van tijd tot tijd traden er de grootste buitenlandsche tooneelkunstenaars op: Ristori, Possart, Mitterwürzer, Sarah Bernhardt, Coquelin, Barnays en vele anderen.” In de grote kamer waren de wanden “behangen met portretten van beroemde buitenlandsche acteurs en actrices, opgedragen aan de Van Liers en dragende de illustere handteekeningen”.

Zomers was de schouwburg gesloten. Van Lier gaf dan voorstellingen in een houten theatertje bij de Mennonietensloot, in een grote tuin omringd door veranda’s. Toen dat in 1875 moest wijken voor het Rijksmuseum, begon Van Lier met zijn oude partner Andreas Schoeman een nieuw houten zomertheater in de Plantage Franschelaan (de huidge Henri Polaklaan), ook nu met biertuin en café. Al snel besloot hij tot de bouw in steen van de Plantage Schouwburg. Op donderdag 8 mei 1879 meldde het Algemeen Handelsblad dat er “met buitengewonen ijver gearbeid” werd: er waren 300 palen geheid in veertien dagen en 300.000 stenen. “De vlag waait reeds van de kap en Zaterdag kan met het binnenwerk worden begonnen.”

Drie weken later al was op 29 mei de feestelijke opening, met het stuk De Zwerver. Maria Kleine-Gartman – destijds Amsterdams beroemdste actrice – speelde een van de hoofdrollen. De pers was zeer te spreken over de akoestiek van de grote zaal, die plaats bood aan maar liefst 1000 toeschouwers. Ook de “waarlijk niet alledaagsche mildheid” van Van Lier om alle genodigden bij de opening een gratis buffet aan te bieden, beviel de verslaggever. “Tot driemaal toe werd er ijs en andere ververschingen gepresenteerd en eau de cologne had men à discrétion uit eene fontein.” Helemaal klaar was het theater bij de opening overigens nog niet: Van Lier drong er nog bij de gemeente op aan om het riool aan te sluiten en een straatlantaarn te plaatsen op de hoek van de Franschelaan en de Parklaan.

Sarah Bernhardt

Het toppunt van de roem was zonder twijfel het engagement van de Franse actrice Sarah Bernhardt. Zij speelde op 25 maart 1880 in het Grand Théâtre. Impresario Joseph Schürmann had haar in Parijs een vorstelijk aanbod gedaan; tot dan toe had de actrice – de grootste van haar tijd – nog nooit buiten de Franse hoofdstad gespeeld. Toen ze per trein arriveerde op het Centraal Station zag het er volgens de kranten zwart van de mensen: “Er heerschte aan het station eene buitengewone levendigheid, maar nog meer daarbuiten, waar de politie handen vol werks had, om voor de rijtuigen vrij baan te houden.” Op het perron speelde een orkestje volksliederen, waarna een open koets met vier paarden haar naar het Doelenhotel reed. De drukte was zo groot, dat de paarden er met moeite doorheen kwamen. “Bij haar komst in het hotel werd zij alweder met de Marseillaise begroet.”

De publiciteit van haar voorstelling in het Grand Théâtre werd geholpen door het gerucht dat Bernhardt een verre nicht was van de Van Liers. Haar grootvader Moritz Bernardt (een handelaar in brillen die door Europa trok en als “reizend oogheelkundige” staaroperaties op de kermis verrichtte) verbleef tussen 1820 en 1838 in Amsterdam, waar hij in 1829 trouwde met de 20-jarige Sara Abraham Kinsbergen. Het geval wil dat overgrootmoeder Roosje van Abraham van Lier familie was van Sara Kinsbergen. Voor de pr kwam dat natuurlijk mooi uit.

Schrander

Opa Moritz was een louche type, verdacht van zakkenrollerij en diefstal, ook van fameuze juwelenroof uit het Koninklijk Paleis in Brussel, maar werd nooit veroordeeld. Hij had een dochter uit een eerder huwelijk, Judith-Julie Bernardt, geboren in Amsterdam, die prostituée werd in Parijs en daar in 1844 beviel van een dochter, Henriette-Rosine, artiestennaam: Sarah. De vader bleef onbekend.

De komst van Sarah Bernhardt naar Amsterdam gaf een enorme artistieke impuls aan Amsterdam. Talloze actrices en ook Abraham van Lier zelf werden door haar geïnspireerd. Hij liet zijn Hollandsch Tooneelgezelschap in de jaren tachtig behalve melodrama’s en komedies ook steeds vaker kwaliteitsstukken spelen. De actrice Theo Mann-Bouwmeester (toen nog: Theodora Frenkel) tekende om die reden bij zijn gezelschap: “Ook was de oude heer Van Lier een zeer schrander en verstandig directeur, die begreep welken weg ik uit wilde. Hij legde de hand op de mooiste moderne Fransche stukken uit dien tijd. Er woei een frissche wind in die jaren, want het oude had zoo goed als afgedaan, met uitzondering van de klassieken natuurlijk.”

Abraham van Lier overleed in januari 1887. Zijn drie zoons zetten de firma voort. Het 40-jarig bestaan in 1892 werd feestelijk gevierd, maar toen ging het al niet meer zo goed met het bedrijf. Op 7 mei 1895 werd de Plantage Schouwburg op een executieveiling voor f 45.000,- verkocht, nog geen derde van wat Van Lier ooit voor de grond en de bouw betaalde. Op de plek van de tuin en het café kwam in 1900 het gebouw van de Diamantwerkersbond. De zoons richtten zich daarna vooral op de exploitatie van het Grand Théâtre in de Amstelstraat.

Teleurstelling

De zaken liepen verder achteruit. De concurrentie met de bioscoop deed zich voelen. In 1911 waren er financiële strubbelingen tussen de gebroeders Van Lier en een zekere Rudolf August Louis Lehmann over het beheer en het bestuur van de Maatschappij tot Exploitatie van het Grand Théâtre. Formeel huurden zij het theater van de Maatschappij, waarvan Lehmann de enige aandeelhouder was. Hij verkocht zijn aandelen aan bioscoopexploitant Albert Mullens, die van het theater een filmzaal wilde maken. De gebroeders Van Lier kregen eervol ontslag als directeuren van de Maatschappij. Ze gingen ervan uit dat de al vastgelegde optredens gewoon door zouden gaan, maar zo liep het niet: volgens was Lehmann er geen huurovereenkomst.

Op 1 september 1911 stond Kom j’ook op de Bruiloft van Mietje? op het programma om het nieuwe theaterseizoen te openen. Maar de voorstelling door het ensemble van Lion Solser en Piet Hesse viel uit. Een dag eerder had Mullens de sleutels van het theater opgeëist en verscheen hij om half zeven met een deurwaarder en een ploegje werklieden. Hij liet de deuren “doorboren en doorkettingen” en vroeg alle aanwezigen het gebouw te verlaten. De acteurs en de broers Van Lier gaven geen gehoor, omdat ze niet wisten of ze wel konden terugkeren. De verwarring was groot. Voor de deur van het theater ontstond een oploop. “Eigenlijk had het veel van een revue, de geschiedenis met de theaterdirecties, pseudo of echt, de deurwaarders, heus echt en de acteurs helaas echt”, schreef het Algemeen Handelsblad. Echt was ook de ontgoocheling van de terneergeslagen gebroeders Van Lier. “Wat er eigenlijk gebeurd was, nu heel duidelijk was ’t niet. De heer Leon van Lier gaf door de teleurstelling overstelpt een moeilijk te volgen relaas.”

Jubileum

Een kort geding volgde. De broers Van Lier bleken “niet altijd gouden vruchten (te) hebben geoogst als directeuren van het Grand Théâtre” en Lehmann had zich vanaf 1906 door allerlei “exploiten en bedreigingen” meester gemaakt van alle aandelen. In ruil voor financiële steun mocht hij in het theater de baas spelen. Er kwam een schikking: de broers van Lier mochten het gebouw blijven gebruiken tot de rechter uitspraak deed.

Een week later liet Mullens kort voor de voorstelling Die Moderne Eva beslag leggen op de kas. De Van Liers mochten het zomerseizoen toch afmaken én doorgaan met de voorbereidingen van hun jubileumfeest in 1912. Het was een dubbel jubileum: ze vierden hun 25-jarig directeurschap van het Grand Théâtre en het 60-jarig jubileum van de Firma van Lier. Het werd een luisterrijke viering, maar bij de betrokkenen heerste terecht duidelijk een gevoel van onzekerheid over de toekomst. In januari 1913 kwam er een eind aan Van Lier in het Grand Théâtre. Mullens stelde een nieuwe directeur aan, toneelschrijver Herman Heijermans, en exploiteerde het theater in de Amstelstraat nog tot in de jaren dertig als bioscoop en revue-theater. In 1946 werd het wegens bouwvalligheid afgebroken.

KADER

Na de ondergang

Hoe verging het de Van Liers na de ondergang van ‘hun’ Grand Théâtre in 1913? Isouard overleed nog hetzelfde jaar op 14 november. Er werd gezegd dat de catastrofe hem de nekslag had gegeven en dat hij gestorven was van verdriet. Lion verwerkte het verlies beter: hij ging in de politiek als lijsttrekker van de Kiesvereniging Aller Belang bij de Tweede Kamerverkiezingen in 1922 en vijf jaar later was hij kandidaat voor de Neutrale Partij bij de gemeenteraadsverkiezingen in 1927. Na zijn overlijden schreef weekbladjournalist Nathan Wolf: “Slechts Lion, optimist die hij was, [...] heeft zijn leven tot bijna zijn tachtigste jaar in blijmoedigheid geleefd. Hij had zich verzoend met het noodlot en bracht in latere jaren vaak een deel van den avond in het Grand Théâtre door, het andere deel vertoefde hij afwisselend in ‘Flora’ en in ‘het Paleis’, nadat hij zijn katten had verzorgd in het toneelpakhuis, waar het archief en het oude familiebezit der Van Liers, met al wat aan hun geschiedenis en die van het Grand Théâtre verbonden is, bewaard wordt.”

De jongste broer, Joseph van Lier, was regisseur bij de Haarlemse Filmfabriek Hollandia en speelde ook komische rollen in enkele films. Zijn zoon Albert hield de naam Van Lier nog lang hoog als zanger en pianist in het cabaret van Jean-Louis Pisuisse, die hem samenbracht met Herman Tholen onder de naam The Juveniles. Met een repertoire van opgewekte, pretentieloze liedjes raakten ze in het interbellum bekend als het duo Tholen en Van Lier. Ze stonden maandenlang in Tuschinski, maakten lange tournees in het buitenland en Nederlands-Indië, speelden in de eerste Nederlandse speelfilms en brachten in 1933 een eigen revue, Tijd is geld. Albert werd in 1941 opgepakt wegens hulp aan Joden en zat een jaar gevangen. Na de oorlog keerde het duo niet meer terug. De laatste van de Firma van Lier overleed in 1989 op 91-jarige leeftijd.

FRITS SLICHT

LIEDJES VAN HET DUO THOLEN EN VAN LIER ZIJN TE BELUISTEREN OP YOU TUBE.

Dit artikel komt uit het Septembernummer 2019 .

Beeld header: Publieke verkoop van de theaterinventaris op 27 maart 1940. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Beeld: Grand Théâtre, 1891. Aquarel door J.M.A. Rieke. Collectie Theater Encyclopedie.