“Vandaag is Moortje, mijn laatste melkkoe op Zomerlust, voor het laatst gemolken. Ze staat nu droog en wordt vetgemest. Sinds 1862 zijn er door onze familie koeien gehouden en gemolken op Zomerlust en door de stadsuitbreiding loopt het nu zo,” schreef Jan P. Rijnierse (1885-1954) op 15 april 1954 in zijn dagboek. Aan de Sloterweg, bij het huidige Christoffel Plantijnpad, staat nog steeds het restant van zijn boerderij, die werd gebouwd in 1894 ter vervanging van een oude ‘plaisirplaats’. Een schuur en de grote walnotenboom voor op het erf konden blijven staan.

Rijnierse was als jongste van zes kinderen op het oude Zomerlust geboren. De Slotenaar hield van het landschap om hem heen: “Vanmorgen baltsvlucht gezien van drie bontepieten [scholeksters]. Hedenmiddag ook de tureluur gehoord,” schreef hij op 25 maart 1949 in zijn dagboek en op 29 januari 1950: “Een echte schaatszondag. Prachtig helder stil zonnig weer. Veel schaatsenrijders. Over de Slotervaart trekken velen van Amsterdam naar Sloten. Mooi ijs.”

Rijnierse wist veel van het gebied, van zijn geschiedenis, zijn landschap, zijn waterhuishouding. Hij las erover, sprak erover met oudere bewoners en ging zo nodig zelf op onderzoek. Op 14 oktober 1949 roeide hij vanuit Sloten via de Kerksloot en de Haaksloot naar de plek midden in het weiland, waar volgens zijn berekening het Oud Kerkhof had gelegen, de eerste vestiging van Sloten, en stuitte daar daadwerkelijk op scherven. “Volgens mijn meting en de gevonden voorwerpen staat het voor mij vast dat hier het Oud Kerkhof is geweest.” Zijn bevindingen zijn later door de stadsarcheologen bevestigd: Jan Rijnierse had het Oud Kerkhof gevonden.

Ook bestuurlijk zette hij zich in voor het gebied. Zo was hij wethouder in de gemeente Sloten N.H. (net als zijn vader voor hem), poldermeester van de Sloterpolder, hoofdingeland voor het Hoogheemraadschap Rijnland en bestuurder van de Boerenleenbank Sloten. Dus toen de stad zijn lange armen naar het buitengebied uitstrekte, stond hij (aanvankelijk) zijn mannetje.

En dat Amsterdam naar het westen zou uitbreiden stond al geruime tijd vast. In 1921 annexeerde Amsterdam de gemeente Sloten en omliggende plattelandsgemeenten, waardoor haar grondgebied vijf keer zo groot werd. Hoe die nieuwe stedelijke gebieden eruit moesten gaan zien, werd duidelijk met de aanvaarding van het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) in 1935. De meeste nieuwe woonwijken zouden volgens dit plan van Cornelis van Eesteren in het nog landelijke West moeten komen. Van de voormalige gemeente Sloten ging het dan om het gebied ten westen van de Kostverlorenvaart tot aan de Ringvaart. De hier nog grotendeels intact gebleven middeleeuwse infrastructuur met de oude drassige veenpolders en wegen moest voor de uitvoering van het plan bijna in zijn geheel op de schop. De Osdorper- en Sloterweg zouden deels blijven bestaan, maar de Uitweg en Groeneweg moesten verdwijnen. De Sloterdijkermeerpolder werd weer uitgegraven tot Sloterplas als winplaats voor ophogingszand. Maar eerst werden, nog in de jaren dertig, de Ringspoorbaan aangelegd en het oostelijk deel van Bos en Lommer. Vanwege de crisis en de oorlog werden de werkzaamheden opgeschort, maar ook los daarvan duurde het nog even voordat met de bouw kon worden begonnen: onder meer door toedoen van Jan Rijnierse en enkele andere boeren moesten er nog wel wat wijzigingen in het AUP worden aangebracht. Het definitieve plan is pas in 1952 in beroep goedgekeurd door de Kroon.

“In het belang der volkshuisvesting”

De geplande nieuwbouw bleef voorlopig uit dankzij de bezetting, en juist in die periode bezochten de Amsterdammers de boeren, omdat er in de stad nauwelijks nog voedsel te krijgen was: naarmate de situatie in de stad verslechterde, trokken meer mensen naar het platteland op zoek naar melk, brood of misschien een stukje vlees. Jan Rijnierse maakte zich grote zorgen: “De vraag naar melk is zeer groot, de meteropnemer van G.E.W. kwam de meter opnemen en smeekte om melk,” schrijft hij op 14 december 1944 in zijn dagboek. “Ook kwam vandaag een lid van de bloedtransfusiedienst om melk. Beiden hebben een liter melk bij mij kunnen kopen, hoewel ik feitelijk geen melk kan missen daar er slechts 22 koeien op stal staan, waarvan vier droog staan, zodat er achttien melkend zijn die slechts honderd liter per dag geven. En de gehele dag door vraagt men om melk te koop of om te ruilen voor diverse artikelen.” En een maand later: “De stroom van mensen die om melk, eten en boterhammen komen vragen houdt nog steeds aan en wordt nog groter. Men vraagt nu om honderd gram melk per dag. Ook iemand met een doktersverklaring dat de patiënt beslist volle melk moet gebruiken daar het leven er vanaf hangt. Heeft melk gehad.”

Boeren konden niet onbeperkt melk verkopen. Zij waren verplicht een bepaald quantum te leveren aan de fabrieken en werden hierop gecontroleerd door de Crisis Controle Dienst (CCD). Die wist precies hoeveel koeien een boer had en hoeveel melk die leverden. Jan Rijnierse: “Waar de mensen in de grote stad nu van leven moeten, terwijl ze reeds uitgehongerd zijn, is zeer gering en betekent volslagen hongersnood. Amsterdam is thans een doodse stad (…) de bevolking trekt langs de wegen alle kanten de stad uit. Als er niet spoedig verbetering in de toestand komt, dan wordt Amsterdam een dode stad.” (26 januari 1945)

Tot zijn opluchting worden op 2 mei 1945 de eerste voedselpakketten gedropt. “Verschillende eskaders schoten eerst een paar lichtkogels. Daarna lieten ze de pakketten door de luiken rollen. Ze kwamen in de Ringvaart, in de Nieuwe Meer, op het land van de Riekerpolder en van de Sloterpolder terecht. Als de pakketten in de sloot vielen, spatte het water hoog op. Om ongeveer 10 uur kwam een hele stoet met 25 sleeperwagens met een of twee paarden bespannen van Amsterdam den Haagweg op naar Schiphol, alle voorzien van een witte vlag, om de pakketten te gaan opladen. Vanaf 9 uur tot half 12 heeft het schouwspel geduurd. Het was unique.En op 5 mei: “Om 8 uur heb ik de vlag met oranjewimpel uitgehangen.”

Maar de bevrijding betekende voor Jan Rijnierse ook dat de plannen die het einde konden inluiden voor zijn bedrijf weer uit de kast gehaald werden. Er heerste grote woningnood in de stad, het AUP lag klaar en de gemeente had land beschikbaar. In de crisistijd hadden veel boeren hun grond verkocht om hun hoofd boven water te kunnen houden. Amsterdam had die bedrijven zo verpacht dat zij er op praktisch elk gewenst tijdstip over kon beschikken. Er moest echter nog veel meer land bijkomen. De Woningwet die in 1901 was aangenomen, bood de stad de mogelijkheid om gronden die niet in der minne konden worden verkregen “in het belang der volkshuisvesting” te onteigenen. Dat gebeurde. En vele boeren, die in de laatste oorlogsjaren nog een beetje soelaas hadden kunnen bieden aan de stedelingen, hadden nu het nakijken. Ze voelden zich door de Amsterdammers in de steek gelaten.

Op 1 december 1951 sloeg Joris in ’t Veld, minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting, de eerste paal voor tienduizend woningen in Nieuw-West. Een klein jaar later, op 7 oktober 1952, werd Tuinstad Slotermeer feestelijk geopend door koningin Juliana.

Er komt niemand op voor de tuinders en veehouders

Jan Rijnierse vond dat er wel erg eenzijdig begrip gevraagd werd van de kant van hen die weg moesten. Hij schreef in zijn dagboek best te begrijpen dat “wij boeren plaats moeten maken voor de grote stad”. “Maar,”vond hij, “BenW blazen zo hoog van de toren, dat ze bij de aanleg van het Nieuwe West aan alles gedacht hebben: goede woningen, huizen voor ouden van dagen, ruime scholen, mooie parken, sportvelden enzovoorts. Alleen één ding vergeten ze erbij te vertellen: de eigenaren en huurders, die jagen ze van hun erf, die moeten zichzelf maar zien te redden. Nee, voordat ze met die uitbreiding waren begonnen, hadden ze eerst ons moeten helpen, die hun levenswerk in de steek moesten laten.”

Naar zijn mening werd het recht van de enkeling vertrapt. En hij liet dat weten aan wie maar wilde luisteren. Aan de redactie van ‘Amsterdam, die grote stad’, een rubriek in De Tijd, schreef hij: “De gemeenteraad telt 45 leden, allen stedelingen. De oppervlakte platteland van de gemeente bedraagt 4½ of 5½ keer die van de stad. En van het platteland is niemand raadslid. Er komt dus niemand op voor de belangen van hen die buiten de stad wonen. En hebt u er wel enig idee van hoeveel honderden hectares van veehouders al onder het zand liggen? En hoeveel boerderijen en huizen reeds gesloopt zijn? In de jaren 1940-’45 waren die boeren wel van nut. Men kon er nog wel eens een fles melk kopen. Evenals de tuinders. Daar ging men met de tas wat groente halen. Thans doet men het beste daar maar niet aan te denken en tuinders en veehouders hun bestaan te ontnemen.” En hij besluit met de vraag wanneer de pers het opneemt voor hen die uit een agrarisch bedrijf naar een bovenhuis gedirigeerd worden op hun eigen kosten.

“Hoe hard dit ook moge klinken,” antwoordt de redactie op 13 januari 1953 koel, “de huisvesting van Amsterdam vertegenwoordigt een kwestie, die in de tegenwoordige bezetting van de te bebouwen grond geen obstakel mag vinden.” Rijnierse heeft de brief niet beantwoord, hoewel hij dat gezien zijn woedende aantekeningen op de achterkant van het papier nog wel overwogen heeft. Het eveneens aangeschreven Algemeen Handelsblad toont in juli van hetzelfde jaar meer begrip: “De stad beschikt over een enorm apparaat, technisch, juridisch. Daartegenover staat de boer of tuinder als eenling. (…) Hij daar aan de rand van Amsterdam is ook in figuurlijke zin ver van het gemeentelijk bestuursapparaat. Het is een vreemde ontoegankelijke grootheid. Wie is het raadslid? Met wie kan hij praten? De kleine groep agrariërs heeft geen enkele vertegenwoordiging in de gemeenteraad om haar belangen toe te lichten. (…) De prijs die de gemeente in eerste instantie biedt is aan de lage kant. Als goed koopman begint de gemeente met laag te bieden. Er worden zelfs prijzen betaald die lager zijn dan de boer of tuinder er voor de oorlog zelf voor heeft betaald.”

De zandzuigers en bouwvakkers naderen

De ontwikkelingen zijn echter niet tegen te houden. “De cuttermachine van Bos en Kalis heeft zich op drie plaatsen dwars door de Uitweg gegraven, naar de Haarlemmerweg, en heeft in de Sloterpolder diverse kanalen van 40 tot 50 meter breedte gegraven tot op de klei. De zogenaamde cunetten worden gevuld met zand en vormen zo de bodem voor de voornaamste straten in het plan Slotermeer, de verlenging van de Bosch en Lommerweg en de Jan van Galenstraat.” (20 mei 1949)

Als de werkzaamheden in de jaren daarna gestaag vorderen, ziet Rijnierse de bouwvakkers en wegwerkers steeds dichter zijn eigen boerderij naderen: “Achter het huis het land ingelopen om naar de opspuitwerken te gaan zien. De groene zandzuiger Amsterdam ligt achter het land van Teun Verbeek de laatste strook land langs de berm van de Sloterdijkermeer weg te spuiten op het lange smalle eilandje dat geprojecteerd is op de plaats waar de boerderij of buitenplaats geweest is van Ellard Ditlaar, in vroeger eeuwen dijkgraaf van de Sloterdijkermeer. De gele zuiger, Slotermeer, ligt thans achter het land van J. van Hulsen. Op het spuitterrein achter op het land van de boeren van de Sloterweg en ten zuiden van de Sloterdijkermeer, welk terrein dit voorjaar geëgaliseerd is, staat thans een slecht gewas, mosterd of koolzaad. Een dragline vult kipkarren achter bij J. van Hulsen en maakt een sloot van circa 10 meter onder aan het spuitterrein. De wagentjes worden door kleine locomotiefjes weggebracht in de richting van de zuiveringsinrichting, dus in oostelijke richting.” (10 juni 1952)

In zijn dagboeken beschrijft Jan Rijnierse de plannen en de consequenties voor de bestaande bebouwing. Hij legt de boerderijen en andere te verdwijnen gebouwen vast voor het nageslacht en noteert wanneer ze worden afgebroken. Hij voelt zich machteloos. Hij ergert zich. En hij voelt mee met de gedupeerden. Op 22 juli 1954 overlijdt hij, 69 jaar oud. Zijn wereld is ten einde. Zijn laatste dagboekaantekening van 4 juni 1954 gaat over de vruchteloze pogingen van een deurwaarder om een weigerachtige familie uit huis te zetten. Tot Rijnierses plezier.

Van Jan Rijnierses geliefde Zomerlust is tot op de huidige dag een deel blijven staan, maar rond het oude voorhuis staat een nieuwbouwcomplex. En de oude walnotenboom is omgehakt.

M. van der Veldt is auteur van Ruim Zicht. Boerderijen onder het zand van Amsterdam Nieuw-West. Het boek is uitgegeven door Stichting Uitgeverij Noord-Holland(ISBN 9071123650).

Beeld: Boer en boerin met hooiwagen, Jacob Olie, september 1896. Collectie Stadsarchief