Drie Javaanse mannen poseren op de Handelkade in Amsterdam. Op de achtergrond zien we nog enkele Javaanse mensen lopen, onder wie een vrouw met hoofddoek. Allemaal hebben ze blote voeten. Op de achtergrond het stoomschip Madura van de Stoomvaart Maatschappij Nederland (SMN). Achter ze staan wat Amsterdamse havenarbeiders, een enkeling met een schop in de hand. Op de tweede foto, waarschijnlijk op dezelfde dag genomen, zien we een grote groep Javanen van de zijkant, ze poseren voor een loods van de SMN.

Twee piepkleine foto’s in het Stadsarchief Amsterdam vertellen het verhaal van duizenden Javaanse contractarbeiders die tussen 1890 en 1914 naar Suriname reisden – via Amsterdam. Javanen en andere Indonesiërs waren natuurlijk geen grote bijzonderheid in Amsterdam. Al vanaf de 17de eeuw kwamen zij als bedienden en zeelieden in de stad. Ook de Maatschappij Nederland had heel wat Indonesisch personeel op de lijndienst naar Amsterdam.

Maar grote groepen als op deze foto’s zijn er in Amsterdam eigenlijk alleen tussen 1890 en 1914 geweest. In deze periode werden namelijk duizenden mensen uit het toenmalige Nederlands-Indië via Amsterdam naar Suriname vervoerd om daar op de plantages te gaan werken, vooral die van de Nederlandse Handel-Maatschappij. Die koloniale bank kocht na de afschaffing van de slavernij een groot aantal plantages, de bekendste daarvan was Mariënburg. Hier werden contractarbeiders uit India en Indonesië te werk gesteld.

Twee etappes

Na de afschaffing van de slavernij moesten de voormalige tot slaafgemaakten voor een bescheiden dagloon nog tien jaar doorwerken op de plantages waar zij eerder in slavernij hadden gewerkt. Pas in 1873 werden ze dus pas echt vrij. De meesten van hen wilden toen niet langer op de plantages blijven. Voor nieuwe arbeidskrachten werd naar Azië gekeken. De eerste Chinese contractarbeiders kwamen al in de jaren 1850 aan in Suriname. Zij werkten zij aan zij met mensen in slavernij.

Op 5 juni 1873, drie weken voor het definitieve einde van het ‘staatstoezicht’, arriveerde de Lalla Rookh in Suriname, het eerste schip met contractarbeiders uit India. Het schip was met 410 Hindostaanse contractarbeiders – mannen, vrouwen en kinderen – uit Calcutta vertrokken. Elf overleefden de reis niet en een twaalfde persoon overleed kort na aankomst. De overige 398 mensen werden direct over een aantal plantages verdeeld.

Tot 1916 zouden er meer dan 34.000 ‘Brits-Indiërs’ naar Suriname verkassen. Vanaf 1890 werden er ook mensen in Nederland-Indië geronseld. De Javanen werden ingehuurd door tussenpersonen, die 25 gulden per contractant kregen. Er zijn vele verhalen van misleiding en zelfs tovenarij bij het ronselen in Azië. Vaak hadden de contractarbeiders geen idee waar ze precies terecht zouden komen.

De Hindostaanse contractarbeiders werden met Britse schepen om de Kaap heen naar het Caribisch gebied vervoerd. De Engelsen brachten ze niet alleen naar Suriname, maar ook naar Trinidad, Guyana en andere Engelse plantagekolonies. Omdat er geen rechtstreekse verbinding bestond tussen Indonesië en Suriname besloot de Nederlandse Handel-Maatschappij de Indonesische contractanten in twee etappes over te brengen, eerst met de lijndienst van de Stoomvaart Maatschappij Nederland van Batavia naar Amsterdam en vervolgens met de West-Indische Maildienst naar Suriname. Deze contractarbeiders zagen dus eerst Amsterdam, voordat zij op de plantage te werk gesteld werden.

Koek en aardbeien

Hoewel er van de gewone lijndiensten gebruik werd gemaakt, betekende dat niet dat ze met de Europese reizigers aan tafel zaten. Er werden aan boord van het schip speciale ruimtes ingericht voor de Javanen, er reisde een kok mee die zorgde voor Javaans eten, en een tolk voor de contacten met de bemanning. De omstandigheden waren aanvankelijk niet al te best. Een Surinaamse krant meldde in 1900 dat van de meer dan 100 contracten die onlangs op het schip Oranje-Nassau waren aangekomen, ongeveer 40 procent direct in het ziekenhuis moest worden opgenomen. In 1890, de eerste lichting, waren er ook al eens 6 mensen direct naar aankomst afgevoerd naar het Buitengasthuis in Amsterdam, waar ze 44 dagen werden verpleegd voordat ze door konden reizen.

In de praktijk duurde het verblijf in Amsterdam meestal niet lang, hooguit enkele weken. De migranten werden ondergebracht in de loods van de Maatschappij Nederland die ook op de foto is te zien. Dit in 1883 opgeleverde gebouw had tijdens de Koloniale Wereldtentoonstelling ook al eens dienst gedaan als verblijf voor de 38 Javanen die een half jaar lang op de Wereldtentoonstelling in een nagemaakte kampong werkten, net als de groep Surinamers, die in de Rotonde te zien was. Op de zolder van de loods waren twee ruimtes ingericht, een voor de mannen en een voor de vrouwen, en er waren twee badkamers, eveneens naar sekse gescheiden.

Een journalist merkte op dat zij thuis gewend waren met zonsopgang op te staan ‘en zoo gevalt het in deze dagen, dat de gansche kolonie reeds des morgens om 4 uur, gewassen en gekleed in de weer is.’ Het lijkt erop dat de meeste Javanen de Handelskade nauwelijks verlaten hebben, wel wisten de Amsterdamse straatventers ze al snel te vinden ‘vooral koek, aardbeien en kersen zijn bijzonder in trek.’

'Echte Javanen’

Toen er in 1904 wel een groepje door de Kalverstraat wandelde werd dit als een ‘ongewoon schouwspel’ omschreven door Het Nieuws van de Dag: ‘Dit waren geen geschoeide, in uniform gestoken Javaantjes van de “De Nederland”, die men als vereuropeeschte dandies ziet flaneeren, maar echte Javanen, in hun kleurige klederdracht, barrevoets en met een hoofddoek op. Omringd door veel nieuwsgierigen, trokken ze vroolijk lachend en pratend over het Damrak, en de Prins Hendrikkade over de Oosterdokssluis naar de Handelskade. In het midden stapte deftig, zijn waardigheid bewust, een mandoer (opzichter), in het zwart gekleed, met een witten helmhoed op, maar toch ook met bloote voeten.’

Sommige Amsterdammers maakten zich wel zorgen over die blote voeten in de kou, al was het dan meestal in de zomermaanden. 14 juni 1901 stuurde een trouwe lezeres van Het Nieuws van de Dag een brief naar de krant waarin ze schreef: ‘Zaterdag J.l. was ik aan de Handelskade bij het vertrek van de Suez-boot. Mijn oog werd getroffen door een groep Javanen (mannen, vrouwen en kinderen), die van Java als landverhuizers naar Suriname zouden gezonden worden. Zouden deze menschen gedurende hun verblijf in ons vaak kille klimaat (zij stonden daar huiverend en bibberend in den wind) niet wat beter gekleed kunnen worden? In het belang van ons land zou dit zeker zijn en niet minder getuigen van menschelijk gevoel.’

Het zou goed kunnen dat dit om dezelfde groep gaat als op de twee fotootjes. Het schip Madura legde op 4 juni 1901 aan in Amsterdam.

Steekpartij

Een jaar eerder, op 4 juli 1900, vond er een bloedig incident plaats. Een van de contractanten begon in een vlaag van verstandverbijstering in de loods om zich heen te steken met ‘een soort kris’. Twee mannen werden in het gebouw gestoken, daarna rende de man naar buiten waar hij nog drie anderen verwondde en in het water sprong. Hij zou niet meer levend boven water komen. De vijf gewonden werden opgenomen in het burgerziekenhuis, schreef de krant. Het was een uitzondering.

Na het begin van de Eerste Wereldoorlog staakte de landverhuizing van Indonesië naar Suriname via Amsterdam. In 1916 besloot men mede gezien de oorlogsomstandigheden in Europa dat het handiger was om rechtstreeks vanuit Indonesië naar Suriname te varen. In januari 1917 arriveerde het eerste rechtstreekse schip, de SS Rotti met 565 contractanten. Het aanvoeren van nieuwe emigranten uit Java ging door tot 1939.

In de tentoonstelling Famiri Familie. Surinaams-Amsterdamse verhalen vanaf 1611 zijn enkele verhalen van Javaanse contractarbeiders opgenomen. Van 29 juni 2023 t/m januari 2024 te zien in het Stadsarchief Amsterdam.

Header: Javaanse contractarbeiders op de Handelkader, op de achtergrond de Madura. Stadsarchief Amsterdam