De geschiedenis van de familie Commelin beslaat de periode 1578 tot 1917, bijna 340 jaar dus. De Amsterdamse tak vindt haar oorsprong in de Zuidelijke Nederlanden bij Martin Commelin. Deze Martin komt in het Vlaamse Douai ter wereld aan het begin van de zestiende eeuw, het tijdperk waarin de denkbeelden van Luther en Calvijn het katholieke geloof op zijn grondvesten doen schudden. Letterlijk en figuurlijk omarmt de familie in 1560 het calvinisme, wanneer kleindochter Antoinette (na de dood van haar eerste man Jean de Saint André) hertrouwt met Antoine Calvin, de broer van grondlegger Jean Calvin alias Johannes Calvijn.

Die keuze moeten we niet te licht opvatten. Want al acht jaar later wordt Antoinette's broer Jean Commelin samen met zijn schoonzoon Jude Bonnenuict in Brussel ter dood gebracht door de Bloedraad van de hertog van Alva - de rechtbank die oordeelde over 'afvalligen' in de opstandige Nederlanden. Anderhalve eeuw later vertelt Jeans achterkleinzoon Caspar Commelin in zijn Beschrijvinge van Amsterdam de precieze toedracht. Jean wierf fondsen voor de stichting van de "nieuwe Kerk" en liet zijn dochter dopen "op de nieuwe maniere". Het "oude Catholijke Geloove" verwerpend, had hij "de Party van de nieuwe Religie" omhelsd.

Briljant boekverkoper

In Genève, broedplaats van het calvinisme, raken de Commelins verder gelieerd aan de familie Calvijn. Een in 1549 in Douai geboren neef van Antoinette en geloofsheld Jean, Hieronymus Commelin, belandt in de boekhandelsfirma van Pierre de St. André, zoon van Antoinette Commelin en stiefzoon van Antoine Calvin. Hij ontpopt zich tot een briljant boekverkoper, onder wiens inspirerende leiding het bedrijf eerst in Genève en later in Heidelberg tot grote bloei komt. De uitgaven van de Heidelbergse Officina Commeliniana worden alom geroemd van- wege hun hoge kwaliteit. Tot op de dag van vandaag verwonderen boekwetenschappers zich over de enorme ijver die Hieronymus Commelin aan de dag legde om weldoeners en geleerden te enthousiasmeren voor zijn ondernemersactiviteiten.

Tussen 1582 en 1597 brengt Hieronymus een aantal Griekse en Latijnse folianten uit en diverse geschriften over nieuwe ontdekkingen van de westerse wetenschap. Niet zelden treedt hij hierbij zelf op als bewerker of redacteur. Waarschijnlijk heeft hij ook enkele boeken van Calvijn uitgegeven, gezien de familierelatie van zijn compagnon. Hieronymus maakt regelmatig gebruik van de diensten van zijn neefje Jan (zoon van de door de Bloedraad omgebrachte Jean), die vanuit Brussel in 1578 in Amsterdam neerstrijkt - het begin van de Amsterdamse tak. Al een jaar later duikt Hieronymus zelf ook op in Amsterdam en na hem een heleboel familieleden. Hij trouwt er met een kleindochter van wijlen zijn neef Jean, Esther Bonnenuict, dochter van Jeans medeslachtoffer Jude Bonnenuict.

Na Hieronymus' dood in 1597 ontfermt Jan zich samen met de familie Bonnenuict over het Heidelbergse boekhandelsimperium. Jan is naast boekverkoper en tussenpersoon voor de Heidelbergse familiefirma ook graanhandelaar. Hij is het die de weg vrijmaakt voor de toegang van de familie Commelin tot de Amsterdamse high society. In 1594 is hij regent van het Sint Pietersgasthuis en in 1608 betaalmeester der soldaten. Jan en zijn vrouw Trijn Valckenier krijgen negen kinderen. Drie zoons, Abraham, Isaac en Jacob, draaien aanvankelijk als boekverkopers mee in het familiebedrijf, maar kiezen alle drie uiteindelijk voor een andere carrière.

Abraham schopt het tot kapitein bij de burgerwacht, maar raakt in 1652 verzeild in een rel op de Dam waarbij doden vallen. Ofschoon zijn schuld niet vaststaat, wordt Abraham toch veroordeeld. Hij wacht zijn vonnis niet af en slaat op de vlucht. Ook dit relaas heeft een plek gekregen in Beschrijvinge van Amsterdam uit 1726. De rellen op de Dam en de rol van de aanwezige kapitein worden door neef Caspar uitvoerig beschreven, maar de naam Commelin heeft hij maar even weggelaten.

Titelpagina van de 'Beschrijvinghe van Amsterdam', door Caspar Commelin. Stadsarchief Amsterdam

Broer Jacob wijdt zich gedurende zijn leven aan de geschiedschrijving van zijn familie, niet om het uit te geven, maar om de geschiedenis voor het nageslacht te bewaren. Pas als de laatste Amsterdamse Commelin in 1917 is overleden, komt dit werk in handen van vreemden. Zo weet de Universiteit van Amsterdam op een veiling een exemplaar op de kop te tikken.

Slordig bewerker

De derde zoon Isaac werkt in eerste instantie als boekverkoper in het inmiddels in Leiden gevestigde familiebedrijf, maar in 1641 verhuist hij met zijn gezin naar de Geldersekade in Amsterdam. Vanaf dat moment houdt hij zich voornamelijk bezig met de geschiedschrijving. Zo brengt hij enkele scheepsjournaals uit over Indië en diverse biografieën over de Oranjes. Maar vooral buigt hij over de historie van Amsterdam - Isaac Commelin is een der eerste geschiedschrijvers van de stad. Hij interesseert zich met name voor de herkomst van de gebouwen in de binnenstad. Hij haalt zijn kennis uit de archieven van de sociale instellingen hij als bestuurder verbonden is, zoals het Nieuwezijds-Huiszittenhuis en het Sint Pietersgasthuis. Het levert een bonte verzameling informatie op, die als Beschrijvinge der stad Amsterdam in 1665 door Tobias van Domselaer wordt uitgegeven. Het boek geldt al snel als hét standaardwerk over de geschiedenis van Amsterdam.

Isaacs zoon Caspar geboren in 1635, is net als zijn vader een verwoed geschiedschrijver. Hij is met name bekend als eindredacteur en uitgever van de tweede editie van Beschrijvinge. Zelf heeft hij de herziene druk nooit in handen gehouden: hij stierf vlak voor het boek van de persen rolde, in 1694. Daarna kwam Beschrijvinge nog één keer uit in 1726. De kwaliteit van het standaardwerk werd een eeuw later openlijk door stadsgeschiedschrijver Jan Wagenaar in twijfel getrokken. Volgens Wagenaar had Caspar zich er wel heel makkelijk van afgemaakt. Tegen de tijd dat Caspar aan de slag ging met de bewerking van het boek, had hij toegang tot veel meer stadsarchieven dan zijn vader. Daar had hij volgens Wagenaar best wat meer gebruik van mogen maken. Ook noemt Wagenaar hem een slordig bewerker. Zo wordt in de eerste druk van 1665 melding gemaakt van het nieuwe, nog niet afgebouwde stadhuis de Dam. In de herdruk is deze paragraaf ongewijzigd, terwijl het stadhuis dan al tientallen jaren voltooid is!

Gravue "Hortus Medicus" uit Beschryvinge van Amsterdam, desselfs eerste oorspronk uyt den huyse der heeren van Aemstel en Aemstellant, 1693

Zullen vader Isaac en zoon Caspar als geschiedschrijvers al aanzien hebben genoten, het is Caspars broer Johannes Commelin (Jan) die definitief doordringt tot de upper class van Amsterdam. Begonnen als drogist, weet hij een indrukwekkend aantal nevenfuncties in de wacht te slepen. Als regent van het Spin- en Werkhuis staat hij afgebeeld op een regentenstuk van de schilder Karel Dujardin, dat zich in het Rijksmuseum bevindt. In 1670 wordt Commelin aangesteld als luitenant der burgerij. Hij doet enkele vergeefse pogingen schepen te worden, maar stadhouder Willem III kiest hem tijdens de buitengewone vergadering van de regering op 10 september 1672 wel tot raadslid van de vroedschap van Amsterdam. Deze eerbiedwaardige functie zou Jan twintig jaar lang vervullen.

Interieur van het Spinhuis op de Oudezijds Achter- burgwal. In dit tuchthuis moesten prostituees en dievegges werken aan hun heropvoeding door ijverig te spinnen en naaien. Tekening van Jan Roman jr., 1741. GEMEENTEARCHIEF

Maar de naam van deze Commelinnazaat zal altijd verbonden blijven met de Hortus Botanicus. Als drogist had Jan altijd al veel interesse gehad in de werking van planten en kruiden. Samen met burgemeester Joan Huydecoper neemt hij in 1682 het initiatief voor de stichting van de Hortus Medicus in de Plantage. In 1690 wordt Jan officieel benoemd tot commissaris-practicus. Al snel verwerft de Hortus in binnen- en buitenland grote faam. Jan legt zich ondertussen op zijn landgoed Zuyderhout bij Haarlem toe op zijn grote passie: de kweek van citrusvruchten. Hij schrijft er enkele succesvolle boeken over, zoals Hesperide, Dat is oefening en gebruik van de limoen- en oranjebomen, gestelt van den aarde en climaat der Nederlanden. Het boek wordt meermalen herdrukt en verschijnt zelfs in een Engelse vertaling.

Dieren op sterk water

In 1687 geeft Jan de aquarellist Johan Monnickx de opdracht alle planten in de Hortus in afbeeldingen vast te leggen. Na Commelins dood vijf jaar later zetten diverse Hortus-commissarissen het werk voort, met als resultaat een reusachtige collectie van 425 aquarellen. Hoewel Jan niet universitair geschoold is, staat hij bekend om zijn uitmuntende kennis van de botanie. Als hij het werk overneemt van de overleden professor Arnold Seyen die een onafgemaakte encyclopedie van Indische gewassen nalaat, betekent dit ook zijn definitieve doorbraak in het ge- sloten wereldje van wetenschappelijke botanici. Hij heeft echter niet lang van deze status kunnen genieten, want hij overlijdt in 1692. De Commelins vertonen een opmerkelijke continuïteit in hun beroepsuitoefening. Vijf jaar na de dood van Jan ontvangt zijn neef Caspar jr (zoon van de gelijknamige geschiedschrijver) het eerste exemplaar van Horti medici Amstelodamensis rariorum plantarum historia. Het boek beschrijft de collectie inheemse planten van de Hortus. Caspar is juist aangesteld als professor in de botanie, als de hoogleraren Kiggelaar en Ruysch hem het werk willen aanbieden waarmee zijn oom Jan al een start had gemaakt. Wie is deze neef?

Moninckx Atlas:, catalogus in de vorm van een geschilderd herbarium van de planten in de Hortus Medicus van de gemeente Amsterdam. (UvA Erfgoed)

Caspar jr heeft medicijnen gestudeerd en is gepromoveerd op een onderzoek naar wormen. Hij vestigt zich als arts in Amsterdam, maar ontwikkelt zich ook als botanicus en publiceert drie vervolgdelen op Horti medici. De beroemde Linnaeus betoont zelfs zijn respect aan oom en neef Commelin door een nieuwe plantenfamilie naar hen te vernoemen: de Commelina Benghalensis. Het plantje heeft twee grote kroonbladeren en een klein onbeduidend blaadje. De kroonbladeren staan voor de grote kruidkundigen Commelin, het kleintje voor het pasgeboren zoontje van Caspar.

De verzameling van de Hortus breidt zich onder commissaris Caspar Commelin flink uit. De toevoer van zaden en planten uit de nieuwe handelsnederzettingen in Suriname, Zuid-Afrika en Indonesië zorgt voor een levendige ruilhandel tussen botanici van over de hele wereld. In 1706 benoemt het Amsterdamse gemeentebestuur Caspar tot professor in de uitheemse plantenkunde, een functie die hij tot zijn dood in 1731 bekleedt. Om in te spelen op de toenemende belangstelling voor natuurhistorie doen ook de dieren op sterk water (slangen, bijen, hagedissen) hun intrede in de Hortus. De plantencollectie weet niet alleen wetenschappers te bekoren, ook andere beroemdheden nemen graag een kijkje. Zo komt tsaar Peter de Grote een aantal malen langs. Uit aantekeningen van Maria Schaap, de echtgenote van Hortus-commissaris Bicker, blijkt dat de Russische vorst zich gedraagt "als een tuijnman zo geïnteresseerd", maar ze vindt hem ook onbehouwen: "seer slordigh, roghelt en spuwt maer op de tapijeten neer".

Op een curieuze manier heeft Caspar Commelin jr. zelfs aan de wieg gestaan van de koffieteelt in Zuid-Amerika. Een Nederlandse handelsdelegatie onder leiding van burgemeester Gerbrand Pancras, tevens commissaris van de Hortus, biedt in 1714 de Franse koning Lodewijk een koffieplant uit de Hortus aan. Het plantje gedijt en wordt verscheept naar Frans Guyana, Haïti en Guadeloupe. Het slaat goed aan in deze contreien en van daaruit wordt de koffiecultuur verder verspreid over Zuid-Amerika.

Kruidige dampen

Caspar jr. wordt de vader van een Caspar III, een gerespecteerd arts, en Johannes, notaris én toneelschrijver. De nakomelingen van Johannes worden steevast ook notaris of advocaat. Deze familielijn eindigt waardig met Hendrina Hermina Com- melin, geboren in 1843. Samen met haar man Caspar Scholten sticht zij in 1895 het Willie Commelin Scholten Laboratorium voor Pythopathology (plantenziektes). Dit doen ze ter nagedachtenis aan hun te vroeg overleden zoon Willie, een biologiestudent en verwoed botanist. Het laboratorium bestaat niet meer, maar is als stichting nog actief in het veld van plantenziektes.

Hendrina Scholten-Commelin is een sociaal voelende vrouw die zich sterk maakt voor de verheffing van vrouwen uit de lagere klassen. Zij staat aan de wieg van het vrouwenleesmuseum, de volksbadhuizen en de vereniging voor huisverzorging. Rond 1890 maakt ze plannen voor de oprichting van een school die meisjes voor hun taak in het huishouden. In bereidt op diezelfde tijd loopt ze jonkvrouwe Jeltje de Bosch Kemper tegen het lijf, beter bekend als freule Jeltje. De twee zielsverwanten slaan de handen ineen. Op 1 mei 1891 ziet de Amsterdamsche Huishoudschool het licht. Het doel van de school is niet alleen de meisjes klaarstomen voor hun rol als huisvrouw of een functie als huishoudster, maar ze ook een leraressenopleiding te bieden op het vakgebied van de huishouding.

De school aan de Prinsengracht kan al snel de toeloop niet meer aan. De echtgenoot van Hendrina maakt een groots gebaar: hij koopt een lapje grond aan het Zandpad langs het Vondelpark, precies tussen de twee woonhuizen van de dames Commelin en De Bosch Kemper in. Binnen een jaar staat de nieuwe school er, opvallend vanwege de Zwitserse chalet-stijl. De leerlingen die les krijgen op de school hebben de tijd van hun leven. De deur van freule Jeltjes huis staat altijd open voor een gesprek, en in de tuin van de familie Scholten-Commelin kunnen de leerlingen genieten van het groen.

Amsterdamse Huishoudschool, Zandpad 5. Uitgave Tob Groen & Co., Amsterdam Stadsarchief Amsterdam

Het lesprogramma is vooruitstrevend en ook de omstandigheden waarin de leerlingen worden onderwezen is vrij uniek. De leraressen wonen intern, zodat de leerlingen hun geleerde lessen meteen bij hen in de praktijk kunnen brengen. Het koken krijgt veel aandacht, want volgens de oprichtsters is goede voeding van groot belang. Het in 1910 voor het eerst uitgebrachte Kookboek van de Amsterdamse Huishoudschool zou nog decennia lang furore maken. Als freule Jeltje in 1916 overlijdt, laat ze haar huis na aan de school. Dit wordt ingericht als internaat. Een jaar later sterft ook Hendrina Commelin.

Hiermee komt een einde aan het tijdperk van Amsterdamse Commelins. In de jaren zestig valt ook het doek voor de Huishoudschool. Het gebouw blijft echter bestaan en krijgt een nieuwe bestemming als jeugdherberg. In de jaren zestig en zeventig geldt het als een ware hippie- hangout. Waar eens de keuken geurde naar schorseneren, kruidnagelen en nootmuskaat, overheersen dan andere kruidige dampen. Hendrina's verre voorvader, de Hortus-professor Caspar, zou de geur ongetwijfeld meteen herkennen als de medicinale Cannabis Sativa, maar of hij als calvinist begrip zou hebben gehad voor deze moderne uiting van de jongerencultuur valt ten zeerste te betwijfelen.

Amsterdamse Huishoudschool, Zandpad 5. Uitgave Tob Groen & Co., Amsterdam