032009_Kattenburg

Waarschijnlijk wist in de eerste helft van de 20ste eeuw niemand in Nederland zó veel van regenjassen als de Amsterdamse ondernemer Jacques Kattenburg. Betrouwbare, waterdichte regenkleding, ooit in Engeland ontwikkeld. Kattenburg had de gummiregenjas in 1909 met groot succes in Nederland geïntroduceerd. Zijn regenkledingfabriek Hollandia-Kattenburg, eerst in de Warmoesstraat, later aan de overkant van het IJ, kon nauwelijks aan de steeds groeiende vraag voldoen. In Nederland, in veel Europese landen en later over de hele wereld werden Kattenburgs ‘Big Ben’- en ‘Falcon’-regenjassen (de laatste genoemd naar de Valkenweg) een begrip.

Jacob Nathan Kattenburg, geboren in 1877, was een telg uit een joodse textielfamilie. De aartsvader van de Kattenburgs, afkomstig uit de Elzas, had zich in de 18de eeuw in de Nederlandse Republiek gevestigd. Aanvankelijk dreef de familie een kleermakerij en stoffenhandel in Haarlem. Jacques’ grootvader Levi Abraham breidde omstreeks 1850 met zijn tien zonen (‘het elftal van Kattenburg’) de handel uit naar meerdere steden. Als onderdeel van de Maatschappij Kattenburg werd een keten van kledingwinkels onder de naam Magazijn Nederland opgezet.

Behalve in Haarlem kwamen er zaken in Amsterdam, Utrecht, Den Haag, Rotterdam en zelfs Zierikzee. Behalve maatkleding leverden de Kattenburgs ook confectie uit Frankrijk en Engeland. In de loop der jaren gingen zij echter steeds meer in eigen ateliers kleding voor eigen verkoop in eigen filialen vervaardigden. Een ‘netwerk’ was daarvoor onontbeerlijk. Zo hadden zij in het Engelse Manchester een eigen inkoopkantoor onder leiding van Herman Israëls (familie van de schilders). Via hem bouwden de Kattenburgs uitstekende relaties in de Engelse textielwereld op, waardoor zij voordelig de beste stoffen en fournituren aan konden schaffen. Want hun kleding, altijd van hoge kwaliteit, moest vanwege de moordende concurrentie scherp geprijsd zijn.

Jacques’ vader Nathan L. Kattenburg (uit het ‘elftal’) had een kleermakerij op de Amsterdamse Nieuwmarkt. Toen Jacques negen jaar was, verhuisden bedrijf en gezin naar Kalverstraat 26, naast Café Suisse. Op de bovenste etage was een atelier, waar maatkleermakers en drie coupeurs werkten. Zij maakten de uniformkleding die Kattenburg leverde aan de Amsterdamse politie, de schutterij, de brandweer, de Kweekschool voor de Zeevaart en de adelborstenschool in Den Helder.

Verre van waterdicht

De jonge Jacques wilde het kleermakersvak liever vandaag dan morgen leren. Op de Agnietenschool op de Oudezijds Achterburgwal ging het hem allemaal veel te traag en zijn vader besloot hem hem naar de Mulo te sturen. Toen hij dertien jaar was geworden en in die zomer van 1890 in de joodse traditie zijn bar mitswa had gedaan, hoopte hij eindelijk van school bevrijd te zijn. Maar zijn vader had andere plannen: Jacques moest eerst nog maar de driejarige Handelsschool doen. Protesteren had geen zin, vertelt hij in een interview in 1937, en daarom bedacht hij iets anders: “In april 1890 ben ik naar een achterneef van mij gegaan die reeds de OHS in de Marnixstraat bezocht, van wien ik alle boeken heb geleend, die hij op school gebruikte en in 3 maanden tijd heb ik toen alle vakken bijgeleerd, waarin op de Mulo niet werd onderwezen.”

Hij kon meteen naar de tweede klas, zodat hij in twee jaar de Handelsschool doorliep. In zijn vrije tijd zat hij het liefst in de kleermakerij en toen hij eenmaal zijn hbs-diploma had, ging hij in 1892 in de leer bij een van de beste kleermakers van Magazijn Nederland. De bedoeling was dat hij daar drie jaar zou blijven, maar na één jaar was hij uitgeleerd. Hij stapte over naar zijn vaders atelier en ging in 1895 in de leer in Brussel. Eind 1896 vertrok hij naar Parijs, waar hij twee jaar later met zijn eigen verdiende geld zijn diplôme d’honneur voor coupeur behaalde aan de vermaarde École de Coupe L. Napolitano. Hij was toen 21 jaar oud.

De jaren daarna werkte Jacques als coupeur, bij Magazijn Nederland in Utrecht en in Den Haag, en ten slotte bij zijn oom J.L. Kattenburg op de Dam in Amsterdam. Het was deze oom die in de eerste jaren van de 20ste eeuw de aanzet gaf tot de fabricage van een nouveauté uit Engeland: de waterdichte gummiregenjas, waarvoor in West-Europa maar ook in de tropen veel belangstelling bestond.

Door perfectionering van de rubbervulcanisatie - de bewerking van ruwe rubber met zwavel waardoor een elastische kunststof ontstaat - kon men in Engeland al tegen 1900 waterdichte kleding te maken. Er kleefde echter één bezwaar aan de jassen: ze waren lomp en onflatteus. Dat bracht Kattenburg ertoe om in Engeland regenjassen te kopen, die hij vervolgens in zijn atelier in de Warmoesstraat liet vermaken. Het leek een simpele oplossing, maar de jassen bleken verre van waterdicht. De gaatjes van het stiksel lieten het water gemakkelijk door en dat kwam omdat men de kunst van het plakken (een Engels geheim!) niet beheerste.

Overkant van het IJ

In juni 1908 zond directeur J.L. Kattenburg zijn neef Jacques - intussen getrouwd en vader van een zoon - naar Manchester. Over zijn ervaringen aldaar kon Jacques later graag vertellen. In Manchester toonde men zich graag bereid hem de kunst te leren, maar het succes zou van zijn ijver afhangen. Op de vraag hoe lang hij dacht te blijven, had hij geantwoord: zes weken. Iedereen was in de lach geschoten om zijn jeugdige overmoed. Na vier weken had hij de directeur gevraagd om een lap stof, hij zou voor hem een jas snijden en maken. “Tien jaar later droeg hij de jas nog”, eindigde hij zijn verhaal dan.

Terug in Nederland richtte Jacques in januari 1909 de Handelsvereeniging Hollandia op als onderdeel van Magazijn Nederland. In de Warmoesstraat begon hij met de vervaardiging van zo’n 50 gummiregenjassen per week. Met succes. Er kwamen orders van concurrerende Nederlandse firma’s, maar ook uit Europese landen. En al snel bleek er ook vraag te zijn naar regenkleding voor dames. In 1910 startte hij met de export en een jaar later werd de firmanaam gewijzigd in Hollandia Fabrieken Kattenburg & Co., in de wandeling Hollandia-Kattenburg.

Op dat moment waren er alleen al voor de regenkleding 300 arbeiders in touw. De panden in de Warmoesstraat raakten overvol en op last van de brandweer moest er naar andere behuizing worden uitgekeken. In 1912 nam Jacques (zeer tegen de zin van de voorzichtige oudere Kattenburgs!) een optie op een terrein aan de overkant van het IJ met de verplichting daar binnen twee jaar te gaan bouwen. Met de architect Lankhout toog hij naar Engeland en Schotland, waar zij de modernste fabrieken van die tijd bezochten. In augustus 1914 zou met de bouw begonnen worden, maar de oorlog gooide roet in het eten. Pas in december 1915 werd de eerste steen gelegd. In juli 1916 kon het gebouw al in gebruik worden genomen.

Hypermoderne fabriek

Het hypermoderne complex aan de Valkenweg werd op 15 januari 1917 officieel geopend, in tegenwoordigheid van burgemeester Jan Tellegen en talrijke andere prominenten. De fabriek ruimte aan wel 1000 arbeiders en was voorzien van centrale verwarming, een telefooncentrale, liften – en de meest geavanceerde machines. Maar er was één probleem: er kon op dat moment nauwelijks regenkleding gemaakt worden. Men was afhankelijk van de import van gummidoek uit Engeland en die lag als gevolg van de oorlog praktisch stil. Daarom had Kattenburg in Doorwerth bij Arnhem de NV Vereenigde Nederlandsche Rubberfabrieken opgericht, in 1918 gevolgd door de NV Amsterdamsche Rubberfabrieken v.h. Pompe & Co. Dit alles om voor grondstoffen niet meer afhankelijk te zijn van het buitenland.

Twee jaar na opening werd het gebouw alweer flink uitgebreid. De vraag naar regenkleding in het naoorlogse Europa was zó groot, dat het aantal personeelsleden moest worden uitgebreid tot meer dan 900 man. En deze expansie zette door, zodat in 1927 in Manchester een dochteronderneming, Kattenburg Ltd., kon worden opgericht. Maar de economische crisis van 1929 raakte ook Hollandia-Kattenburg. Doordat veel landen hun invoer beperkten, werd vooral de export van het bedrijf getroffen.

Vóór 1931 bedroeg de uitvoer 65% van de productie, maar als gevolg van de crisis ging die grotendeels verloren. Kattenburg besloot zich vooral op de binnenlandse markt te richten en met uitgekiende reclamecampagnes de gunst van de Nederlandse consument te verwerven. In 1933 werden zowel de NV Hollandsche Gummifabrieken Weesp opgericht als in Tilburg de NV Regenkleedingfabriek Brabant, een fabriek die in 1937 al weer uitgebreid moest worden. Inderdaad ging het na 1936 met de onderneming langzamerhand weer bergopwaarts en wist Kattenburg een deel van het exportterrein te herwinnen.

Zeer eervol was het bezoek dat koningin Wilhelmina en haar dochter in mei 1936 aan de fabriek in Amsterdam brachten. En eenzelfde gevoel van trots maakte zich in november 1938 van Kattenburg meester, toen hij ter gelegenheid van zijn 40-jarig zakenjubileum benoemd werd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau.

Jacques Kattenburg was een bijzondere man, dat blijkt uit alle bronnen. Hij bezat een scherpe geest en was daarnaast gezegend met vele talenten. Hij schilderde, schreef gedichten en toneelstukken, fotografeerde en was een zeer verdienstelijk goochelaar. Daarnaast was hij een voortreffelijk entrepreneur die zich als primus inter pares omgaf met zijn favoriete neven. Maar al te goed was hij zich ervan bewust, dat tèveel eeuwig kibbelende familieleden (en hun vrouwen!) contraproductief werkten.

11 november 1942

Hoewel Kattenburg vrijwel niets meer aan het jodendom deed, gold zijn fabriek in Amsterdam als een ‘joods bedrijf’. Ongeveer de helft van het personeel was joods én meestal sociaaldemocratisch gezind. Ook de rest van het personeel was overwegend ‘rood’. Dat leidde in de jaren twintig tot kleine stakingen. Na de invoering van de lopende band in 1933, gevolgd door ontslagen en loonsverlaging, organiseerde de Bond in de Kleedingindustrie een grote staking, maar het resultaat was gering. Kattenburg had niettemin een heel behoorlijke verhouding met de vakbeweging.

De oorlog verliep voor Hollandia-Kattenburg uiterst dramatisch. In november 1940 traden Jacques Kattenburg en zijn mededirecteuren af om plaats te maken voor niet-joodse bestuurders. Het bedrijf werd onder een Verwalter geplaatst en kreeg orders van de Wehrmacht voor uniformen en grondzeilen. De joodse werknemers werden voorlopig vrijgesteld van deportatie en dat gold ook voor hun partners en kinderen. Tot november 1942 ging dat goed. Toen doken er geruchten op over sabotage bij Hollandia. Op 11 november verschenen er overvalwagens van de Grüne Polizei. De 367 joodse personeelsleden werden van de anderen gescheiden en naar het hoofdbureau van de Sicherheitsdienst gebracht. Twee weken later waren zij vrijwel allemaal overgebracht naar Westerbork, waarheen ook hun gezinsleden getransporteerd waren. Daarna volgde deportatie naar het oosten. Van de groep, ruim 820 personen, keerden in 1945 slechts acht meisjes naar Nederland terug.

Jacques Kattenburg overleefde met zijn vrouw de oorlog – hoe is niet duidelijk. Vermoedelijk zat hij bijna twee jaar in Westerbork, waar hij een kledingbedrijf opzette en in april 1945 bevrijd werd. Verouderd en vermoeid, maar ongebroken. Toen hij twee jaar later op zijn 70ste verjaardag de leiding overgaf aan zijn zoon Fred, was het bedrijf alweer een bloeiende onderneming. Kort daarna, in november 1947, overleed hij plotseling. Zijn naasten, maar ook al diegenen die hem kenden als ‘mijnheer Jacques’ liet hij, een man met zóveel energie, levenslust en levensvreugde, vol ongeloof achter.

Tekst: Pauline Micheels
Maart 2009