Op 14 mei 1940, vier dagen na het uitbreken van de oorlog, reed er in alle vroegte een stroom voertuigen richting IJmuiden. De radio had gemeld dat koningin en regering naar Engeland waren vertrokken en veel mensen, onder wie een groot aantal Joden uit Amsterdam, wilden alsnog proberen om uit Nederland weg te komen. In een van die auto’s bevond zich Bernard van Leer, internationaal ondernemer in stalen vaten. Hij was vergezeld van zijn vrouw en een medewerker met zijn gezin. Niets scheen hun vertrek in een klaarliggende vissersboot in de weg te staan.

Als Van Leer die dag de wijk had genomen naar Engeland, waar hij vatenfabrieken bezat, zou hem een hoop ellende bespaard zijn gebleven. Maar hij besloot uiteindelijk niet te gaan. Zijn motieven zijn altijd duister gebleven. “Ik meende op mijn post te moeten blijven,” was het weinige wat hij er later over zei. Die dag was desondanks een cruciale in zijn leven. Zoals ook die andere belangrijke datum, 14 maart 1941. Toen verkocht hij na langdurige onderhandelingen met Duitse ondernemers al zijn vatenfabrieken in bezet gebied - in Nederland, België en Frankrijk – én de Amsterdamse ijzerhandel Van der Vliet & De Jonge. Daarnaast verkocht hij aan Hoogovens zijn Walsbedrijven in Velsen. En dat alles onder de belofte van Duitse zijde dat hij naar de Verenigde Staten zou kunnen vertrekken.

Toen hij inderdaad drie maanden later via Spanje naar Amerika afreisde, was hij een geval op zich. Er zijn maar weinig Nederlandse Joodse ondernemers geweest aan wie zo’n mogelijkheid tot vertrek werd geboden. Na de oorlog werden er dan ook twijfels geuit over deze transactie en het Bijzonder Gerechtshof te Amsterdam onderwierp Van Leer in 1948 aan een justitieel onderzoek. Hij werd echter buiten vervolging gesteld.

Bernard van Leer was een kleurrijk ondernemer, veel meer dan alleen ‘een man in vaten’. Hij was, als meer grootindustriëlen, een rusteloze man die voor zaken alles opzij schoof. Een gedreven individualist, een snelle denker, ongedurig, lastig, maar voor zijn familie een pater familias. Iemand met koopmansgeest, intuïtie en een scherp commercieel inzicht. Bovendien was hij naar Nederlandse maatstaven van die tijd een opmerkelijk filantroop. Aan de andere kant: geen andere Nederlandse grootindustrieel onterfde zijn naaste familieleden (dat deed hij in Zwitserland!) en richtte tegelijkertijd een familiefonds op, opdat geen Van Leer onverzorgd zou achterblijven. Na zijn dood, besliste hij, zou zijn nalatenschap ondergebracht worden in één of meerdere stichtingen, bestemd voor charitatieve doeleinden.

Voor publiciteit en show bezat hij een groot gevoel. Hij had een collectie door hemzelf gedresseerde paarden, waarmee hij optrad in zijn privécircus. Kort na de oorlog wilde hij graag aan Sir Winston Churchill, uit dank voor wat die in de oorlog had gedaan, zijn mooiste paarden laten zien. Churchill nodigde hem uit en dat bezoek, met de paarden Salve en Troja, was zó in nevelen gehuld, dat ook in kringen van Van Leer nog lang het gerucht de ronde deed dat de foto’s van deze ontmoeting vakkundig gemonteerd waren.

Een gouden transactie

Van Leer was in 1883 geboren in Amersfoort, als vierde kind van de acht. Zijn vader, een niet erg succesvolle zakenman, ging in 1904 failliet en vestigde zich vervolgens in Zwitserland. Hij noemde zich liefst letterkundige, schreef artikelen en toneelstukken, en was een aanhanger van het utopisch socialisme en het zionisme. Bernards moeder was een vrome vrouw, die ervoor zorgde dat de kinderen een joodse opvoeding kregen en een goede opleiding. Bernard was van de vier zonen en vier dochters de minst studieuze. Zijn schoolcarrière was geen succes en op zijn veertiende ging hij werken in een schroevenfabriek.

Toen hij achttien was, vertrok hij naar Amsterdam en werd magazijn- en later winkelbediende bij ijzerhandel Kalker in de Sint Anthoniebreestraat. Later werd hij handelsreiziger voor de firma Stokvis & Zn. in Rotterdam, en in 1907 manager van een nieuwe Stokvis-vestiging in Amsterdam (dat binnen een jaar verhuisde van de Van Baerlestraat naar Singel 258). Hij wist van dit kantoor een goed lopend filiaal te maken, maar na onenigheid met zijn bazen nam hij in 1917 ontslag. Hij was onderhand een gesetteld man, getrouwd met de mooie Polly Rubens, vader van twee zoons, woonachtig in de deftige Waldeck Pyrmontlaan bij het Vondelpark en eigenaar van twee Lancia’s.

Hij was 37 jaar toen hij eind 1919 de NV Van Leer’s Vereenigde Fabrieken oprichtte. In Noord liet hij daarvoor aan de Asterweg een fabriek bouwen; de oude blikslagerij en kistenfabriek van Van Houten in Weesp waren ook in zijn bezit, maar daar startte de productie pas in 1921. Hij vervaardigde er blikken, dozen en kisten van allerlei formaat. Tussendoor ontwierp hij een sluiting voor benzineblikken, waar Shell belangstelling voor had. Financieel liep het echter allesbehalve voorspoedig en meermalen stond hij op de rand van het faillissement.

Maar het tij keerde. Eerst wist hij bij de Bataafsche Petroleum Maatschappij een grote order voor asfaltvaten te verwerven. En in 1927 sloeg hij zijn slag, toen hij met een Amerikaanse vatsluitingenfirma een licentie-overeenkomst sloot, waarbij hij de geavanceerde sluitingen buiten Amerika en Canada mocht produceren en verkopen. Het bleek een gouden transactie. Vanaf dat moment richtte hij zich op vaten en vatsluitingen, waarmee hij ook de internationale markt op ging. In West-Europa zette hij vatenfabrieken op, later ook in Indië, Afrika en het Caraïbisch gebied – waar Shell zat, was Van Leer. Met tomeloze energie en bluf verkocht hij zijn product, ondanks moordende concurrentie en een internationale economische crisis.

Een eigen circus

Midden jaren dertig was het tijd voor de vervulling van enige diepgekoesterde wensen. Als verwoed paardrijder en liefhebber van circussen begon hij paarden van zeldzame rassen te kopen en te dresseren. En in 1935 liet hij een transportabel saloncircus bouwen voor zo’n 300 bezoekers. Een circus van amateurs, waarin hij zelf ook optrad, aangevuld met enige professionals en musici. Voorstellingen waren er op het terrein van de Hollandsche Manege in de Vondelstraat, later ging hij met zijn Circus Kavaljos op reis, ook buiten Nederland. Intussen zat de zakelijke Van Leer ook niet stil: in het najaar van 1937 besloot hij in Velsen een eigen plaatwalserij te gaan bouwen, de eerste in Nederland. Toen de Walsbedrijven werden geopend, kwamen niet alleen de minister van Economische Zaken en prins Bernhard op bezoek, maar ook de hele Nederlandse industriële elite. Van Leer had zijn plek veroverd.

Twee jaar later, de Nederlandse capitulatie was net een feit, meldde de Duitse Wehrmacht zich bij hem op kantoor in Gebouw Atlanta op Stadhouderskade 6. Men had dringend vaten nodig… Van Leer leverde die, want weigeren zou dom zijn, redeneerde hij. Die vaten kregen de Duitsers toch wel en als hij nee zei was de kans groot dat ze hem eruit zouden gooien en een Verwalter zouden aanstellen.

In die eerste maanden van de oorlog begonnen de Duitse concurrenten het ‘Van Leer-complex’, dat als een vette kluif beschouwd werd, te verdelen. Arisering van het bedrijfsleven in Nederland zat er immers zeker aan te komen. Toen Van Leer daar lucht van kreeg begon hij in de zomer van 1940 zélf in het geheim gesprekken met de Duitse ijzergigant Mannesmann. Dit veroorzaakte onrust in Duitsland en in het najaar kreeg een topman uit de Duitse staalindustrie de opdracht om met Van Leer te gaan onderhandelen over de verkoop van zijn bedrijven - op basis van vrijwilligheid, maar… als Jood moest Van Leer niet denken dat hij zich in bezet gebied zou kunnen handhaven. Na maanden van onderhandelen werd er in maart 1941 een protocol getekend: Van Leer verkocht al zijn bedrijven in bezet gebied – voor de helft van de vraagprijs.

Daarna volgden er maanden van onzekerheid. De Duitse autoriteiten moesten de contracten goedkeuren voordat de uitreispapieren vrij zouden komen. Toen die goedkeuring eindelijk kwam, moest hij bijna ƒ 2 miljoen, het restant van zijn vrije vermogen, als belasting aan een Duitse stichting overdragen. Losgeld dus. Een kwart miljoen gulden van zijn privévermogen mocht hij wegschenken, waaronder anderhalve ton voor het Joods Symphonie-Orkest. De rest moest gebruikt worden voor uitkeringen aan de Joodsche Raad. 3000 dollar mocht hij meenemen en wat handbagage. Op 23 juni 1941 vertrok hij van het Centraal Station, vergezeld van veertien medereizigers en negentien paarden. Zijn bagage bestond uit het circus, twee auto’s en kisten met documenten.

De vier jaar in New York waren niet zijn gelukkigste. Hij had grote financiële problemen, waardoor een circustournee langs de Amerikaanse oostkust mislukte. Voortdurend was hij in gevecht met de Nederlandse autoriteiten in Londen die zeer argwanend stonden tegenover de wijze waarop Van Leer uit bezet gebied was weggekomen. Zodra hij dan ook kon verliet hij Amerika, en keerde in mei 1945 terug naar Europa, waar hij zich meteen stortte op het herstel van zijn onderneming, maar ook op hulp aan getroffenen in Nederland. Hoewel hij de zestig al gepasseerd was, reisde hij in die jaren van hot naar her. Altijd ten dienste van de zaak - die floreerde als nooit tevoren - en niet wars van publiciteit. Journalist G.B.J. Hiltermann omschreef het in 1950 zo: Van Leers leven werd beheerst door twee leitmotiven: de zaak (eigenlijk een groot circus) en het circus (uitgegroeid tot een zaak).

In 1947 baarde hij veel opzien met zijn ‘Flight 47’, een drie maanden durende wereldreis langs al zijn bedrijven in een tot woonhuis omgebouwd KLM-toestel. En in 1950 verbaasde hij de wereld met een Rijdende Fabriek, waarin in razend tempo vaten gemaakt werden.

Anonieme giften

Met Amsterdam had Van Leer een speciale band. Hij woonde er vele jaren en zijn onderneming was er gevestigd. Pas toen hij in de jaren vijftig een nieuw hoofdkantoor wilde laten bouwen, koos hij (bijzonder in die tijd!) voor een terrein in Amstelveen. De condities waren daar beduidend gunstiger dan in Amsterdam, waar de ambtelijke molens veel te traag maalden. Zijn band met Amsterdam kwam ook tot uiting in de vele doelen die hij financieel steunde. Joodse doelen als de Centraal Israëlitische Ziekenverpleging, maar ook de AMVJ, het Jordaan Comité, de Stichting voor Economisch Onderzoek der Universiteit van Amsterdam en Artis. Daarnaast steunde hij onder meer het Nationaal Monument op de Dam, de Stichting Hollandse Schouwburg, het Nieuwe de la Mar Theater en de nieuwe Mensa. De giften van Van Leer waren overigens altijd anoniem, zo wilde hij dat.

Na het overlijden van Van Leer op maandag 6 januari 1958 (nadat hij twee dagen eerder na een hartaanval was opgenomen) werd er een grootse uitvaartplechtigheid gehouden op Schiphol (hij werd in Jeruzalem begraven). Bij die gelegenheid verbaasde Johan Luger zich in De Telegraaf over al die Amsterdamse kooplui, industriëlen en havenbaronnen die verstek hadden laten gaan. Speelde hier wellicht een zekere naijver en enig dédain voor het maken van vaten? Amsterdam had veel aan deze man te danken, stelde Luger. Toch had deze stad hem tijdens zijn leven de gouden medaille van verdienste onthouden. Luger vroeg zich af of de stad nog ergens een blijvend aandenken zou stichten voor deze grote Amsterdammer. Tot op heden gebeurde dat niet. Misschien kan er in 2008, bij de herdenking van Van Leers vijftigste sterfdag, alsnog een beeld of plaquette komen?

Tekst: Pauline Micheels
Foto:
Juni 2007