[Toen de oorlog uitbrak woonde ik met mijn familie op Keizersgracht 100, naast de kerk.] Op 10 Mei 1940 vielen de Duitse bommen op Schiphol terwijl ik met mijn klas eindexamen deed van de 4-jarige Handels Mulo in de Jacob van Lennepstraat. Onder de arbeids-aanvangende generatie heerste grote werkeloosheid, maar het lukte mij om een baantje te krijgen als jongste bediende bij Wilmerink & Muller, een importeur van Franse wijnen en cognac. Iedere ochtend stapte ik om half 9, onder het geklingel van de Westertoren, de Keizersgracht op. Ik liep de gracht af tot de Leidsestraat en bij het Leidseplein naar kantoor. De komende twee jaar was dat mijn ochtend wandeling.

Om aan de Arbeidseinsatz te ontkomen, ben ik op 21 Mei 1943 ondergedoken in Hillegom. Ik kon daar gaan werken in de bonentuin van een bollenboer. Ik kreeg een vervalst persoonsbewijs waarop stond dat mijn beroep “zaadteler” was. Enige dagen voordat ik naar de bollestreek zou verhuizen, riep mijn vader of ik een ogenblikje voor hem had. Dit was iets nieuws voor me en heel apart. Mijn vader zei: 'Kom even mee naar de tuin want ik wil je iets laten zien.'

Dat “iets” was een prachtige donkerrode toerfiets met alles erop op en der an’. Zelfs een reparatie zakje en een pomp ontbraken niet. Ik was sprakeloos maar mijn vader sprak de woorden: “Dit apparaat is voor jou onder de volgende voorwaarden. Je gaat nooit meer in een tram, trein, bus of enig ander openbaar vervoer. Als je ergens komt waar veel veldgrijs of grün van de polizei aanwezig is, keer dan direct om en tracht niet uit te vinden waarom deze soldaten er zijn. Laat je niet verleiden met vreemden iets op poten te zetten zonder samenspraak. Geloof niet in sprookjes en vertrouw niemand zonder een bewijs. Als jij wordt gepakt door de Gestapo dan lopen wij allemaal gevaar en als wij gepakt worden verbreken we onze banden.' De prachtige kostbare fiets onderstreept de ernst van zijn woorden. Ik omarmde mijn vader en fluisterde in zijn oor alleen maar: 'Dat beloof ik.'

In Hillegom zat ik bij een lieve familie, maar tot mijn spijt moest ik al snel weer weg. Als stadsjongen was ik in die warme zomer in een korte broek aan het werk gegaan. Dat was foute boel! Een landarbeidersjongen had altijd een lange broek aan; korte broeken werden nooit gedragen. Mensen dachten dat ik dus wel uit de stad moest komen. Zo’n kleinigheid viel op en was gevaarlijk voor alle betrokkenen. Er werd gezegd dat de boer onderduikers in dienst had. Toen moest ik daar weg.

Ik ging terug naar Keizersgracht nummer 100. Inmiddels was er een jongeman bij ons ondergedoken. Hij heette Cor, en werd door de Duitsers gezocht. Ook een Joods meisje zat bij ons. We oefenden regelmatig in het zo snel mogelijk verdwijnen zonder sporen achter te laten. Gelukkig is dit maar één keer nodig geweest, en toen is het goed afgelopen. De politie klopte namelijk niet aan vanwege verdachte personen, maar om ons te waarschuwen dat er boven in het gebouw licht brandde (dat was een zwaar vergrijp). In de zenuwen had één van ons de schuilplaats in het pikkedonker niet gevonden. Bij één van de grote razzia's hadden wij ruim dertig man in de Rode Hoed. Wonder boven wonder gingen de Duitsers No 100 voorbij!

Leonard Barnhard tijdens of net na de oorlog

In de loop van het voortgaan van de oorlog werd - ondanks de bonkaarten die wij van de ondergrondse kregen (en geld) eten het grootste probleem. Gelukkig had ik mijn vrienden uit Hillegom, die een grote kist met vele soorten bonen opstuurden. Deze kist liet de vrachtwagenchauffeur die hem kwam brengen vanaf het dak van zijn cabine uit zijn handen glippen pal voor No 100. Helemaal kapot natuurlijk en de bonen rolden overal. Het Joodse meisje rende bij het gezicht van zoiets heerlijks met stoffer en blik er op af. Mijn vader kreeg ook hierdoor bijna een toeval. Tot overmaat van ramp kwam juist een in de buurt bekende NSB'er langs die mijn vader voor zwarthandelaar uitmaakte. Mijn vader ging hier gretig op in, schietgebedjes uitzendend dat er maar niet op het Joodse vrouwtje gelet zou worden. Ook dit liep gelukkig goed af.

Een aantal weken daarna kreeg mijn vader bericht dat hij op een bepaalde tijd moest zorgen dat er een aantal jute zakken met kolen klaar moesten staan die gehaald zouden worden. Met toestemming van de dominee lukte het mijn vader die op te vullen en inderdaad werden de zakken opgehaald. Een week later kreeg mijn vader bericht dat er een paar jute zakken met aardappelen, peen en uien klaar zouden liggen op het Damrak. Die moest hij wel zelf komen ophalen.

Na alle voor en tegens werd besloten dat mijn vader een handkar zou huren en ik en Cor (de jonge onderduiker) zouden die rijden. Mijn vader zou vooruit lopen en bij de minste onraad omkeren. Opa zou de deuren van de kerk openzetten. In het begin ging alles goed maar tijdens onze wandeling via allerlei steegjes dwars door de hoerenbuurt kwamen er moeilijkheden. Want twee jonge kerels die een handkar door de smalle straatjes duwden, dat was niet gewoon. En op die kar lagen jutezakken zonder dekkleed, waardoor wortels, uien en aardappels te zien waren. Er werd op ons gescholden: “zwarte handelaren!” Dat vestigde de aandacht op de handkar en de jeugdige duwers/trekkers. We begonnen steeds sneller te lopen, waardoor we nog meer opvielen, maar nog steeds was er niemand die probeerde deze mini-trein te stoppen. Eindelijk kwamen we bij de Keizersgracht en vlak om de hoek stonden de deuren van nummer 100 wijd open. Hijgend en nat van het zweet gallopeerden mijn vader, die de laatste 100 meter mee geduwd had, Cor en ikzelf, naar binnen. De deuren dreunden achter ons dicht en wij wachtten hijgend of ze open gebonsd zouden worden. Maar NIETS gebeurde!! Zo konden de kostbare gewassen uit Noord-Holland de Amsterdammers om ons heen voeden in die moeilijke tijd.

Mijn ouders bleven in het kerkje tot in 1946. Toen werd hen een sociale huurwoning aangeboden in de Rivierenbuurt, vlak bij mijn oudere broer die in de Maasstraat kwam te wonen. De onderduikers kwamen veilig de laatste jaren door. Voor velen van hen - waaronder mijzelf - was de verveling die jaren een groot probleem. Ik volgde verscheidene schriftelijke cursussen - las boeken en schreef - met potlood bij kaarslicht - een klein dagboek. Keizersgracht 100 werd niet meer als kerk gebruikt. Het werd uiteindelijk verhuurd aan o.a. de VARA en De Rode Hoed gedoopt, dat bekend werd door de programma’s van Sonja Barends.