“Hoort daar ginds van de oorlogkreten, op de grenzen wordt gemoord.”* Honderd jaar geleden gebeurde het onvoorstelbare. In de zomer van 1914 barstte vlak over de grenzen de Eerste Wereldoorlog los. Veel Amsterdammers bleven in de zwoele zomeravonden nog lang op straat en bespraken het nieuws. De angstige vraag was vooral: bleven hun gemobiliseerde stadgenoten buiten schot? Vrouwenkiesrecht en staatspensioen deden er even niet meer toe.

“Zwoel is de atmosfeer in de binnenstad, zwoel is ook de stemming der duizenden die zich in de straten bewegen. Al dieper vreet de ernst van de toestand in het bewustzijn der massa. Men denkt over niets anders, men praat van niets anders dan van het verschrikkelijke dat op handen is. Elk samengroepen van wat mensen, elk buitengewoon geluid wekt de nervositeit. Kleine lieden die ons verleden week koud lieten, doen ons nu het hart bonzen.” Het socialistische dagblad Het Volk bracht op maandag 3 augustus bewogen verslag uit over de stemming in Amsterdam tijdens het lange mobilisatieweekeinde, dat begon op vrijdag 31 juli.

Die vrijdagochtend kopte De Telegraaf nog: “Pessimisme in Berlijn. Optimisme in Parijs.” De abonnees mochten zelf een afweging maken tussen hoop en vrees. “Tegen de oorlog!”, was de opening van Het Volk. De krant riep zijn lezers op om ’s avonds voor de vrede te demonstreren op het IJsclubterrein (tegenwoordig: Museumplein). Om half vier ’s middags begonnen de klokken van kerken en openbare gebouwen overal in de stad te beieren. Dat ging een half uur door, om de aandacht te vestigen op de groene en witte biljetten die inmiddels waren aangebracht op belangrijke gebouwen, winkels en kantoren van dagbladen. Daar stroomden de nieuwsgierigen samen.

Het drukst was het op het Damrak, waar de ‘bengel’ in de toren van de Beurs van Berlage onafgebroken beierde. Op de aangeplakte biljetten werd bekend gemaakt dat alle dienstplichtigen van Landweer en Militie de komende dagen verwacht werden op de plaats die in hun militair zakboekje stond vermeld. Het betekende dat zowel de jonge dienstplichtigen van de Militie als de oudere van de Landweer moesten opkomen. Duizenden Amsterdamse mannen dienden zich klaar te maken om hun plicht als soldaat te vervullen. Vrouw, kinderen, huis en haard hadden ze maar achter te laten. De reacties op straat waren bedrukt en dat werd niet minder toen lange colonnes boerenwagens met hooi, stro en oorlogstuig in de stad verschenen. Op de bok zaten militairen.

Koortsachtige drukte

Op deze eerste dag van de algemene mobilisatie in Nederland, waren Oostenrijk en Servië sinds drie dagen met elkaar in oorlog: in de geschiedenisboeken staat 28 juli vermeld als de dag dat de Eerste Wereldoorlog begon. Omdat de twee strijdende partijen door verdragen verbonden waren met de belangrijkste landen op het Europese continent, kon uitbreiding van de strijd niet uitblijven. Het wachten was op oorlogsverklaringen van Duitsland, Rusland, Engeland en Frankrijk. Nederland was neutraal, maar of we ook buiten de strijd zouden blijven? Met de algemene mobilisatie wilde de regering in Den Haag aan alle partijen in het ontbrandende conflict duidelijk maken dat het ernst was met de neutraliteit. Grensoverschrijdingen zouden niet onbeantwoord blijven.

De anti-oorlogsbetoging van de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij op het IJsclubterrein werd die avond massaal bezocht. SDAP-leider Pieter Jelles Troelstra deed aan alle politiek verantwoordelijken een wanhopige oproep om een gewapend conflict te vermijden. Na afloop van de bijeenkomst trokken de demonstranten door de straten in twee lange optochten die op de Dam eindigden. Er hing een sombere sfeer in de stad, maar er heerste ook een koortsachtige bedrijvigheid, die nergens beter voelbaar was dan op het Centraal Station. De drukte daar was overstelpend. Amsterdammers in den vreemde keerden vanwege het verontrustende internationale nieuws zo snel mogelijk terug naar huis. Buitenlandse toeristen reisden in tegenovergestelde richting. Onder hen ook Duitse badgasten die haastig vertrokken om het vaderland te verdedigen, soms onder het gezang van patriottische liederen.

Beeld header: Gemobiliseerde soldaten voor het Paleis voor Volksvlijt.

Voedseltekort?

In de woonwijken in en om het centrum was iedereen op straat. Huisvrouwen bespraken met elkaar wat hen boven het hoofd hing. Geruchten over een dreigend tekort aan levensmiddelen en steenkolen verspreidden zich snel. Bij de winkels ontstonden lange rijen van klanten die rijst, meel, bonen, erwten en suiker probeerden te bemachtigen. Veel middenstanders verkochten niet méér dan een pond tegelijk. Niemand hield zich nog aan de officiële sluitingstijden. Al gingen sommige winkels wél dicht, omdat de voorraad volledig uitverkocht was. “In de avonduren bleef het vol in de straten”, lezen we in Het Volk. “In de Jordaan en in de grote volksdistricten was de verslagenheid groot. Wij zagen er vrouwen met betraande gezichten hangend aan de arm van haren man, die morgen zou wegtrekken.”

De meeste Amsterdammers wachtten berustend af wat komen ging, maar een enkel incident was er ook. “Op de groene en witte oproepingsplakkaten voor Landweer en Militie waren in de afgelopen nacht hier en daar grijnzende doodskoppen en anti-militaristische spreuken geplakt. Toen vanochtend op ’t Frederiksplein een voorbijganger met de stok van zijn paraplu die citaten verwijderde, ontstond er een ogenblik ‘kortsluiting”, meldde De Telegraaf de volgende dag, zaterdag 1 augustus. “’t Opdringende publiek nam een min of meer dreigende houding tegen de man aan, die zo verstandig was terstond zijn biezen te pakken. Over ’t geheel genomen is het echter, wat de stemming betreft, uiterst kalm in de stad.”

Grauwe stemming

Zaterdagochtend kwam de mobilisatie snel op gang. Het Volk: “De dag begon koel en grijs. De atmosfeer was grauw als de stemming van duizenden en duizenden. Bij honderden zag men de jongemannen in de straten zich haastend naar de stations of de gebouwen waar zij hadden op te komen. Zij hadden hun spullen opgezocht, maar alles paste niet meer zo precies. De jassen waren meest te nauw, de broeken te kort geworden. Velen waren vergezeld van vrouw en kinderen of andere huisgenoten.”

Een van de verzamelplaatsen waar de dienstplichtigen hun geweer en verdere uitrusting kregen uitgedeeld, was het Concertgebouw. De zaal waar nog maar kort geleden Mengelberg dirigeerde, was veranderd in een militaire kampement. Stoelen en rode lopers waren weggehaald, op de kale houten vloer stonden geweren in rotten opgesteld. Officieren renden druk heen en weer en schreeuwden hun orders. Dienstplichtigen wachtten zittend op het podium af, de benen bengelend over de rand. Enkele onverlaten improviseerden uit verveling een wedstrijdje ver spuwen. Buiten zag de verslaggever van Het Volk een soldaat met een wit kaartje dat aan koordje uit zijn zak hing. “Dat is m’n laatste visitekaartje”, riep hij. “Als ik kapot geschoten wordt, weten ze tenminste m’n adres!”

Soortgelijke tonelen speelden zich ook op zondag 2 augustus af in de stad. Het Volk: “De vroege zomerochtend is heerlijk. De zon schijnt, maar geeft nog geen felle warmte, de lucht is vol geuren. Vooruit! Wie denkt er aan zon en aan geuren – straks trekken onze jongemannen weg. In de buurt van het Concertgebouw, het Paleis voor Volksvlijt, de scholen en andere openbare gebouwen is het allang niet meer rustig. De landweermannen die de nacht thuis nog hebben doorgebracht komen zich aanmelden. Zij zijn meestal vergezeld van vrouw en kinderen, om toch maar zo lang mogelijk in elkaars nabijheid te blijven. Hoe meer het uur van vertrek nadert, hoe beroerder het wordt. Het is hartverscheurend te zien hoe stoere mannen bittere tranen schreien en hoe vrouwen zich telkens weer klemmen om de hals van de geliefde man.”

Soldaten in huis

Zo gauw een troep soldaten door de officieren marsvaardig werd geacht, verlieten zij de verzamelplaats te voet, tamboers en hoornblazers voorop. Sommige groepen marcheerden naar de zuidelijke en westelijke forten van de Stelling van Amsterdam. Andere werden in boten het IJ overgezet richting de noordelijke forten van de Stelling. Weer andere groepen liepen naar het Centraal Station om per trein het land in te reizen. De meeste gingen naar het zuiden, waar het veldleger in paraatheid werd gebracht om grensoverschrijding door vreemde mogendheden te voorkomen. De perrons waren propvol mannen met geweren, ransels, pannen en pakken. De officieren waren behalve aan hun drukdoenerij te herkennen aan de kleurige kragen en sabels.

Burgers werden in het station niet toegelaten en stonden en masse buiten om de militairen uit te wuiven. “Heel Amsterdam deed ons als het ware uitgeleide”, noteerde milicien Reinier Schweppes van het Zevende Regiment Infanterie later in zijn dagboek. “Het was zwart van de mensen die het Zevende Regiment een laatste vaarwel toeriepen. We begrepen toen niet dat we voorlopig niet meer in Amsterdam zouden terugkomen.” Nog voordat de eerste week van augustus verstreken was, waren ook Duitsland, Engeland, Frankrijk en Rusland bij de oorlog betrokken. Op 4 augustus werd het neutrale België onder de voet gelopen door het Duitse leger. Voor de Nederlandse gemobiliseerden was het lange wachten begonnen.

Na de mobilisatie maakten soldaten deel uit van het Amsterdamse straatbeeld. Er waren niet alleen dienstplichtigen vertrokken, er kwamen er ook van buiten naar de stad om het garnizoen te versterken. Om al deze militairen te voeden en onderdak te bieden, kregen meer dan 6000 Amsterdamse huishoudens te maken met inkwartiering. Het aantal soldaten dat de aangeschrevenen te huisvesten kregen, kon oplopen tot vier tegelijk en dat viel niet altijd in goede aarde. Welgestelde bewoners van de Heren- en Keizersgracht besteedden de slapers tegen betaling elders uit.

Weinig patriottisme

Aarzelend kwam na het weekeinde van de mobilisatie het dagelijks leven weer op gang, maar de omstandigheden waren ingrijpend veranderd. Meteen al op maandag 3 augustus vergaderde op het stadhuis de zogenoemde Kommissie voor Armenverzorging binnen de Stelling van Amsterdam over de vraag hoe steun kon worden verleend aan Amsterdammers die door de oorlogsomstandigheden in moeilijkheden zouden raken. Een arbeidersgezin beschikte meestal over weinig méér geld dan het loon van de week en zonder de gemobiliseerde kostwinner in huis was de toekomst ongewis.

Op 5 augustus meldden zich bij het bureau van de plaatselijke commandant in de Paleisstraat nog een paar honderd jongemannen voor vrijwillige dienst. Het was een van de weinige blijken van oplaaiend patriottisme zoals dat die dagen in andere Europese hoofdsteden de kop op stak. In Berlijn, Parijs en Londen gingen uitzinnige massa’s de straat op en werden soldaten op weg naar het front juichend uitgeleide gedaan. Heftig werd het nooit in Amsterdam, alleen was er een in de kiem gesmoord oploopje geweest al op de avond van 31 juli. Het Volk de volgende dag: “Nergens bemerkten wij iets van patriottische betogingen zoals zij uit buitenlandse hoofdsteden zijn gemeld.

Op het Leidseplein deed om elf uur een handvol bourgeois-jongelui een poging in die richting. Ze liepen, met een nationale vlag voorop, te zingen. Maar ze kregen geen aanhang. In de Leidsestraat werd, op verzoek der politie, de vlag van de stok gesneden en daarmee was het relletje uit. Neen, Amsterdam is waarlijk niet krijgslustig! Het bovendrijvende gevoel is er een van onbehagen, afschuw en verslagenheid!”