De geur van paardenmest 1767--1-binnen-overzicht

Met gezwinde pas loopt Reinier Vinkeles (26) 's ochtends door de Leidsestraat naar het plein dat al een eeuw de stadsrand vormt. Hij komt van huis, in de Pijlsteeg bij de Dam, waar zijn vader een winkel in rouwartikelen heeft. Liever hadden zijn ouders gezien dat hij die zaak ging voortzetten, maar zoonlief is tekenaar/graveur geworden. Op het plein ruikt het naar paardenmest. Ginds doemt Vinkeles' einddoel op: de Leidsepoort, die het plein afsluit. Op de bovenverdieping is de Stadsteekenacademie; hij is er in 1767 een van de zes directeuren.

De Leidsepoort staat er sinds 1663. Tot dan toe was het hier polderland, maar in die jaren werd de stad opnieuw stevig uitgebreid. In 1613 was bij de Brouwersgracht de aanleg van de grachtengordel begonnen. Toen die was gebouwd tot aan de Leidsegracht, vond het stadsbestuur de ruimtewinst voorlopig wel voldoende. Pas een kleine halve eeuw later volgde het deel tot aan de Amstel.

De Leidsepoort draagt die naam niet zonder reden. De poort geeft toegang tot de weg langs de Overtoomsevaart: het begin van een van beide reisroutes van Amsterdam naar Leiden, via het Haarlemmermeer. (De andere gaat langs de Haarlemmertrekvaart en de Leidsevaart.) Van halverwege de 14de eeuw tot de Alteratie in 1578, toen de protestanten de macht overnamen in Amsterdam, trokken langs de Overtoomsevaart talloze pelgrims naar de Kapel ter Heilige Stede in de Kalverstraat, waarin het Mirakel van Amsterdam zou hebben plaatsgevonden in 1345. Van een Leidseplein en Leidsestraat was nog lang geen sprake. Door de weilanden heen liep de Overtoomseweg tot aan de Heiligewegspoort, bij het latere Koningsplein.
Sinds de Alteratie komen er geen bedevaartgangers meer, maar over de Overtoomsevaart en de weg erlangs is er een druk verkeer gebleven, nu vooral van boeren die hun groenten en melk naar de grote stad komen brengen en van mensen die er werk zoeken. Diligences met deftige reizigers rijden af en aan. Er zijn ook heel wat kroegjes en herbergen, vaak van nogal bedenkelijk allooi. Die voelen zich hier prettig, want schout en schepenen zijn vooral actief bínnen de stadsmuren. Niet toevallig hield bendeleider Sjaco zich hier begin 18de eeuw in wisselende etablissementen schuil, zoals oudere Amsterdammers zich 50 jaar later nog goed herinneren.

Bolwerken

Opvallend veel katoendrukkerijen hebben bij de Overtoom een plek gevonden: die hebben veel ruimte en schoon water nodig. Deze bedrijfstak bloeide hier op na 1720 en is door internationale concurrentie nu, een halve eeuw later, al weer een beetje op z'n retour. Ook staan er bedrijven die binnen de muren te veel overlast zouden veroorzaken. Dan nóg blijft het soms linke soep. Negen jaar geleden is in augustus 1758 kruitmolen Sollenburg op de Overtoomseweg bij de Pestbrug ontploft. Drie arbeiders vonden de dood en door de luchtdruk sneuvelden veel daken en ruiten aan de Lijnbaansgracht en Prinsengracht.

De poort zelf (ontworpen door stadsbouwmeester Daniël Stalpaert) is een nogal plomp minikasteeltje, met vier vierkante hoektorens en een smal klokkentorentje er midden bovenop. Ze sluit aan op de nieuwe stadswal, waarvan de bouw in 1658 was begonnen. Achter de poort ligt over de Singelgracht een lange brug met negen stenen bogen en een ophaalbaar middengedeelte.

Op zo'n 100 meter afstand aan weerszijden wordt de poort geflankeerd door twee bolwerken. Ongeveer tegenover de Overtoomsevaart ligt het bolwerk Sloten, met daarop korenmolen De Liefde. Aan de andere kant is ter hoogte van de Leidsekruisstraat het bolwerk Schinkel, bekroond door de Roomolen, eveneens een korenmolen. Op dit bolwerk staan ook enkele huisjes en dat zullen er in de 19de eeuw nog veel meer worden; dit buurtje gaat dan (naar de pannendaken) Het Roode Dorp heten.

Leidse Bos

Militair hebben de stadswallen eind 18de eeuw weinig meer te betekenen. Meteen naast de poort is aan beide zijden de aarden wal behoorlijk afgesleten: er ligt een soort verhoogd plantsoentje. Toch is het nog wel de bedoeling dat iedereen keurig door de poort de stad in- en uitgaat, al was het maar omdat er ook accijns wordt geheven op passerende goederen. Nog altijd sluiten wachters de stadspoorten iedere avond om half tien, waarna ze sleutels naar het stadhuis brengen en in een kist opbergen. De sleutel van die kist wordt naar het huis van de oudste van de zittende burgemeesters gebracht.

Die procedure heeft ook risico's. Dat bleek tijdens een augustusnacht in 1754, toen de twee jaar jonge Fransche Schouwburg aan de Overtoomseweg vlam vatte. De gealarmeerde spuitgasten zagen vanaf het bolwerk Sloten de vlammen oplaaien, maar konden niets doen omdat de Leidsepoort potdicht bleef.
De bolwerken zijn 'uitsteeksels' van de stadswal en de Singelgracht slingert er als het ware omheen. Ingeklemd tussen twee bochten aan de overkant van die stadsgracht bij de Leidsepoort ligt een soort 'voorplein', dat al sinds vrij kort na 1660 is beplant met vele rijen bomen. Het wordt het Leidse Bos genoemd. (Door aanleg van de paardentramlijn Dam–P.C. Hoofstraat in 1881 zal het een dikke eeuw later ineenschrompelen tot een bosje.)

Wagenplein

Van het Leidseplein is alleen het deel tussen de Lijnbaansgracht (de binnengracht van de stadswal) en de ingang van de Leidsestraat bebouwd. Drieënhalve eeuw later resteert van die rond 1665 gebouwde huizen alleen het rijtje aan de noordwestkant (rechts naast de schouwburg, evenwijdig aan de Leidsegracht). Het Leidseplein is een 'wagenplein', net als het Haarlemmerplein, de Ossenmarkt (het latere Frederiksplein) en het Weesperplein, allemaal gelegen achter een stadspoort.

Grote 'postkoetsen' die de stad zijn binnengekomen, lozen hier hun passagiers en bagage (post is slechts een klein onderdeel); de paarden worden uitgespannen. De vracht gaat over op kleine karren en sleden, geschikt voor de vaak smalle straten en soms gammele bruggen. De reizigers trekken te voet of per rijtuigje de stad in. Soms drinken ze eerst nog een glas in een van de herbergen of kroegjes op en rond het plein, net als de vermoeide koetsiers. Intussen worden ook de paarden verzorgd en zo nodig gewisseld.

Niet verwonderlijk treffen we halverwege de 18de eeuw (getuige een belastingregister) enkele stalhouders en hoefsmeden, een zadelmaker en een wagenmaker aan. Naast diverse tappers, een koffiewinkel en twee kruidenierszaken. Maar een schouwburg is er nog niet te zien op het plein. De stadsschouwburg staat – sinds de 17de eeuw – nog altijd aan de Keizersgracht, bij de Runstraat.

Zwarte Klaas

Stadsteekenacademiedirecteur Reinier Vinkeles was vanaf zijn elfde jaar kind aan huis bij de schouwburg. Hij werd toen leerling van de bekende graveur Jan Punt, 30 jaar ouder dan hij, die tevens acteur was en beheerder/kastelein van de schouwburg. Later was hij zijn rechterhand. Met Vinkeles lopen we nu in 1767 over de keitjes van het plein. Hij wuift met zijn driekante steek naar een bevriende tapper, knikt vriendelijk naar passerende groentenverkoopsters en geeft een aalmoes aan bedelaar Zwarte Klaas alias Haantje Pik, die hier zijn vaste werkterrein heeft.

Dan gaat hij de Leidsepoort in. Beneden zitten de poortwachters oftewel het 'Corps de Garde' – 'Kortegaarde' in de volksmond. Vinkeles gaat de trap op naar het bovenvertrek dat sinds 1718 in gebruik is van de Stadsteekenacademie. Zo'n 50 kunstenaars kunnen hier tekenen en schilderen naar model. De directeuren regelen de modellen, geven artistieke tips, loven prijzen uit en houden af en toe voordrachten. De ruimte is helaas niet al te groot en akelig donker. Maar gelukkig heeft hij weten te regelen dat tegen het eind van dit jaar de academie mag verhuizen naar twee vertrekken in het stadhuis op de Dam. Een hele vooruitgang. Al zal hij het Leidseplein dan wel gaan missen. Hoewel? Ook als twintig jaar later de Pruisische troepen in oktober 1787 door de Leidsepoort de stad intrekken en kwartier maken op het plein?

'In fraaijer en moderner pak!' 16-1867---1-highres

Onze 17de-eeuwse dichtervorst Joost van den Vondel had in 1867 over gebrek aan aandacht niet te klagen. Twee eeuwen eerder was hij gestorven en dat werd in oktober groots herdacht. Op vrijdag de 18de trok een grootse feeststoet van praalwagens over het Leidseplein, op weg van zijn graf in de Nieuwe Kerk naar 'zijn' park, waar een bronzen evenbeeld onthuld ging worden. De schouwburg beleefde 's avonds de première van Een dichter aan de Bank van Leening, over Vondels gesappel als bediende bij de lommerd, geschreven door de 65-jarige literator Jacob van Lennep.

Vondels geest waarde nog volop rond over het plein 150 jaar geleden. Hier stond immers sinds een krappe eeuw (september 1774) de stedelijke schouwburg, waar jaarlijks in januari zijn Gysbreght van Aemstel werd opgevoerd. Op 11 mei 1772 was de schouwburg aan de Keizersgracht afgebrand (waarbij achttien mensen omkwamen) en het stadsbestuur besloot om naast de Leidsepoort een nieuw gebouw op te trekken waarin een vast gezelschap "nederduytsche toneelstukken" speelde die niet kwetsend mochten zijn.

Het werd een groot houten gebouw op een stenen fundering. Net als de afgebrande schouwburg was er een lijsttoneel, een parterre ('de bak'), meerdere rijen loges en daarboven een ondiepe galerij met banken. Nieuw waren de aparte toegangen voor de duurdere en goedkopere rangen, uitgangen aan alle zijden van het gebouw en koffiekamers. Twee vindingen op het toneel kwamen de voorstellingen ten goede. De coulissen waren schuin geplaatst om het perspectief te versterken en het 'kunst- en vliegwerk' was vernieuwd – zo kon Apollo op een wolk neerdalen tijdens de openingsvoorstelling.

Het Leidseplein bleek een perfecte locatie voor het grote gebouw, dat daarnaast ook nog eens alle ruimte bood aan de koetsen van bezoekers. Om de geluiden van de zware poortklok en het ratelende verkeer buiten te houden, bedacht stadsarchitect Jacob Eduard de Witte dubbele muren gevuld met boekweitdoppen en turf. Het wagenplein had er een cultuurfunctie bij gekregen.

De nieuwe schouwburg maakte het plein eens te meer tot een uitgaansplek. Als vanouds waren er diverse stalhouderijen en smederijen, maar nu nam het aantal etablissementen toe waar men een goed glas kon drinken. Zoals Café du Théatre naast de Leidsepoort, het eerste café met terras in Amsterdam. En aan het water van de Singelgracht verscheen in 1860 de pleziertuin Bellevue met het sociëteitsgebouw, dat zes jaar later een halfronde koepel kreeg op een aangeplempt stukje gracht.

Melodrama's

Heel erg mondain kon de sfeer nog niet genoemd worden, want economisch stond Amsterdam er niet geweldig voor. De Franse bezetting (toen vrije handel onmogelijk was) had de welvaart genekt. De huizen op de hoek van het plein en de Leidsestraat die in 1807 waren ingestort, waren tientallen jaren later nog steeds een ruïne.

De schouwburg was een aanwinst, daarover was men het in 1867 eens, maar over de kwaliteit van wat er te zien werd veel geklaagd. Dat was al zo sinds halverwege de 19de eeuw. Met weemoed blikten de theaterliefhebbers terug op de gloriejaren rond 1820, met acteurs als Andries Snoek en Johanna Ziesenis-Wattier. Volgens de deftige heren die destijds de recensies schreven, werden er nu veel te veel 'draken' opgevoerd ofwel melodrama's, waarin helden en schurken tegenover elkaar stonden. De schouwburgdirectie wees er op dat er toch óók klassieke stukken op de rol stonden, maar dat er niets anders op zat om te kunnen concurreren met de veel laagdrempeligere theatertjes in de Nes en de Amstelstraat, die steeds populairder werden.

De acteurs hadden bar weinig artistieke en maatschappelijke status. Van een enkeling weten we wat meer, zoals over de volkse acteur Klaas Vos (1820-?), woonachtig vlak naast de Stadsschouwburg op (nu) Leidseplein 20. Volgens toneelhistoricus Ben Albach had hij een "grove en zware militaire stem". Hoofdrollen speelde hij nooit, maar hij was geknipt voor komische rollen, in stukken van stadgenoot Justus van Maurik en ook van Shakespeare. Zijn huwelijksleven was turbulent, lezen we in het Algemeen Handelsblad van 9 maart 1867. De Arrondissementsrechtbank ontbond toen zijn huwelijk met Elisabeth de Bont, die met een Rotterdammer was weggelopen.
Boven allen uit stak onmiskenbaar de actrice Mietje Kleine-Gartman (1818-1885). Maar qua stand hoorde ook zij er niet bij. Toen de Deense schrijver Hans Christian Andersen haar in maart 1866 wilde bezoeken, maakte componist Johannes Verhulst (hij woonde tegenover de schouwburg) hem duidelijk "dat dat eigenlijk geen pas gaf".

Huis van Arrest en Justitie

Anders dan op het toneel wemelde het normaliter rond het Leidseplein niet echt van de helden, maar het percentage boeven in deze buurt was wél duidelijk gestegen: door de komst van het Huis van Arrest en Justitie. Om de gevangenis te bouwen had Amsterdam in 1844 het bolwerk Schinkel – even ten zuidoosten van het Leidseplein – ter beschikking gesteld van het Rijk. De Roômolen en het daarbij gelegen 'Rode Dorp' – waar zo'n 70 gezinnen onderdak vonden – werden afgebroken. Het bastion werd aangeplempt tot een cirkelvorm waarop Nederlands eerste cellulaire gevangenis verrees. Het ontwerp van de architect Isaäc Warnsinck en ingenieur Johan van Gendt sr. was gemodelleerd naar het fameuze Londense voorbeeld van de Pentonville Prison.

De gevangenis vertegenwoordigde de nieuwste opvatting op het gebied van strafrecht: voor langere tijd afsluiting van de buitenwereld was al straf genoeg. De tijd van werk- en tuchthuizen was passé. De hoofdopzet van het 'Huis van Bewaring' aan de Schans bestond uit een halfronde centrale hal waarop drie cellenvleugels met galerijen aansloten en een dienstvleugel aan de latere Weteringschanszijde, met daarvoor een poortgebouw dat deel uitmaakte van de blinde bakstenen muur die om het hele terrein liep. Begin oktober 1850 ging het complex in gebruik.

De sinds het begin van de 19de eeuw nutteloos geworden (en in onderhoud kostbare) vestingwal langs de Singelgracht werd zo stukje bij beetje herbestemd. Zo was bijvoorbeeld ter hoogte van het bolwerk Sloten, ten noordwesten van het Leidseplein, sinds 1835 de zwavelzuurfabriek van de firma Ketjen gevestigd, die nog tot 1896 in bedrijf bleef. Lange tijd was er geen sprake van een samenhangend plan of een streven naar grote allure: hier kwam een kazerne, een school of een politiepost, daar een 'gazfabriek' en elders weer een woonblok.

'Phantasie'

De 17de-eeuwse Leidsepoort werd intussen afgebroken. In een Afscheids-groet bij de sloop in 1862 spreekt de poort zelf blijmoedig over de nabije toekomst waarin zij als Leidsche Barrière (tolpoort) terugkeert: "'k Leg dus gerust mijn hoofd maar neder/ Zoo afgeleefd en oud en zwak;/ Want vroeg of laat verrijs ik weder/ In fraaijer en in moderner pak!" De barrière kwam, maar verloor al spoedig haar functie toen de stedelijke accijnzen werden afgeschaft en heeft nog een tijdje gediend als hulppost voor de politie, tot de sloop in 1881. Toch sprak de Leidsepoort profetische woorden. Terwijl het Leidseplein in goed twee eeuwen nauwelijks was veranderd, buitelden nu in nog geen dertig jaar de ontwikkelingen over elkaar heen.

1867 was ook het jaar waarin stadsingenieur Jacob van Niftrik zijn uitbreidingsplan voor de stad aan de gemeenteraad presenteerde. Groots en meeslepend waren de gedachten van de stadsingenieur, geheel in de lijn met de 19de-eeuwse mondaine stad die Amsterdam zo graag wilde worden. Over de praktische uitvoerbaarheid verschilden de meningen nogal. Ook liep niet iedereen warm voor de planmatige aanpak, de "aanleg langs de liniaal". Dodelijk waren de woorden van burgemeester Cornelis Fock: "Het is eigenlijk geen plan van B&W, maar eene phantasie van een ambtenaar." Uiteindelijk leverde de nieuwe directeur van Publieke Werken Jan Kalff – in samenwerking met Van Niftrik – in 1876 een pragmatischer ontwerp. De oude vestingstad brak definitief uit haar kluisters.

JOS SMIT IS ARCHITECTUURHISTORICUS BIJ MONUMENTEN EN ARCHEOLOGIE AMSTERDAM

Grootsteedse allures 20-1907---1-leidseplein-betere-high-res

De komst van de 'tramwaaij' kondigde een nieuwe tijd aan. Natuurlijk, het was in 1875 nog een paardenspoor. Maar binnen enkele decennia volgde de elektrificatie. In de tussentijd onderging het plein een metamorfose: het American Hotel, modehuis Hirsch, de nieuwe Stadsschouwburg, hotel-restaurant Hollandais. Er kwamen chiquere lui. Het plein kreeg praatjes.

In de zomer van 1906 regende het klaagbrieven in de Amsterdamse pers: het Leidseplein lag nu al weken open. De werkzaamheden aan het wegdek waren in mei begonnen, maar het schoot maar niet op. Al die tijd moest men bij regen door de plassen waden en bij mooi weer wolkte het stof op. Het plein zag er dus ook niet uit toen op 16 juli in de Stadsschouwburg tal van hoge gasten de galavoorstelling bijwoonden ter gelegenheid van de 300ste geboortedag van Rembrandt.

De briefschrijvers vonden dat er wel erg weinig mensen aan het werk waren, die het bovendien nogal kalm aandeden. Waarom was Publieke Werken altijd zo voortvarend in het opengooien van de straat en zo traag in het voltooien van de werkzaamheden? Het was een klacht die niet voor het eerst en niet voor het laatst te horen viel. Het zou zelfs tot oktober duren voordat het plein er weer knap bijlag.

De herinrichting van het Leidseplein was het voorlopige sluitstuk van een ongekende opwaardering van het plein in het laatste kwart van de 19de eeuw. Het was een soort 'achterafbuurt' aan de rand van de stad en gering in aanzien. Maar de snelle opkomst van een nieuwe buurt buiten de Singelgracht had daar verandering in gebracht: het eerste stuk van het Vondelpark was in 1865 opengesteld, waarna de financiering van de rest werd verkregen door kavels te verkopen voor prestigieuze woningen. Vanaf 1876 bijvoorbeeld werd er gebouwd in de P.C. Hooftstraat. In 1885 kwamen bovendien het Rijksmuseum en het Concertgebouw af.

Tramwaaij

Er ontstond kortom een 'nieuwe stad' en de belangrijkste verbinding met de 'oude stad' liep via de brug over de Singelgracht naar het Leidseplein en dan via de Leidsestraat verder de stad in. Om dat mogelijk te maken was de Leidse Barrière gesloopt en een deel van de Singelgracht versmald, zodat het plein aanzienlijk ruimer werd. Het plein kreeg zo een nieuwe functie, die tot uiting kwam in de komst van de tram. De eigenlijke geschiedenis van de tram begon hier: de aflossing van de omnibus door de 'tramway', indertijd uitgesproken als 'tramwaaij'.

In juni 1875 werd een 'paardenspoorweg' aangelegd tussen het Leidseplein en de Plantage: een regelmatige verbinding van voertuigen, getrokken door paarden, die soepel en zonder al te veel schokken over in het plaveisel gelegde rails reden. Er verscheen in het Nieuws van den Dag voor de gelegenheid zelfs een fraai tijdsgedicht: De handel eischt een snel verkeer;/ Een druk verkeer baart zegen!/ Legt Nederland dus baan bij baan/ Voor paardenspoor en stoomkoets aan,/ Zoo blink' ons allerwegen,/ Verhoogde zegen tegen. Twee jaar later lagen er twee lijnen naar de Paleisstraat en de Amstelveenseweg.

De elektrificatie van de tram – de volgende stap – begon vanaf 1900 met de lijn naar de Zoutkeetsgracht. Daarmee stak het Leidseplein de Dam naar de kroon, in ieder geval werd het plein volgens een krant "het tweede centrum van Amsterdam". De gevolgen van het nieuwe aanzien bleven niet uit. In het nieuwe stadsdeel vestigde zich "het jongere, rijke en deftige Amsterdam" en dat had een sterke invloed op de winkelstand. Kleine winkeltjes en neringen werden verdrongen door 'betere zaken', met name in de Leidsestraat, terwijl ook de Marnixstraat opbloeide. Het Leidseplein zelf gaf een spectaculaire verandering te zien.

Sarah Bernhardt

Om te beginnen kreeg de oude Stadsschouwburg – eigenlijk een houten noodgebouw –een nieuw, stenen omhulsel. Op 2 februari 1874 was de opening en kon het hooggeëerde publiek zich aan de verfraaiingen vergapen. De dames en heren genoten bijzonder van de keurige uitdossing van het personeel: "in een nette livrei gekleed, namelijk blauwe rokken en broeken met zilver uitgemonsterd en roode vesten". Afgezien van lokale talenten zou in november 1880 "de hemelsche Sarah" er optreden, de wereldberoemde Franse actrice, buitenechtelijke dochter van de Nederlandse Julie Bernhardt.

De diva kwam net iets te vroeg om gebruik te kunnen maken van de faciliteiten van een nieuw hotel dat in 1881 openging, "het Amerikaansch Hotel", bedacht en geleid door de Amerikaanse Nederlander Cornelis Steinigeweg. Het zag er indrukwekkend uit, acht meter hoger nog dan de schouwburg, met boven de ingang een grote bronzen adelaar die het wapen van de Verenigde Staten omklemde. Aan de voorgevel waren vier meer dan levensgrote beelden geplaatst van twee "Roodhuiden met hunne vrouwen". Erg chic allemaal. Een tekenende kleinigheid: onder geen beding mocht het personeel fooien accepteren. Voor het hotel-restaurant was een klein plantsoentje ingericht, waardoor het "een der liefste punten van de stad" werd, volgens het Algemeen Handelsblad. Steinigeweg was overigens meer projectontwikkelaar dan manager: het American ging pas lopen door het aantrekken van August Volmer, een professional die het vak geleerd had in Krasnapolsky.

Tussen het American en de Singelgracht verrees bovendien in 1880 nog een nieuw 'politiebureel' (tevens hulppost voor de brandweer) ter vervanging van een oude post op de hoek van de Prinsengracht en de Vijzelstraat. Daar konden dus de gevonden voorwerpen worden gebracht die achtergelaten waren op het plein, in de tram en in de schouwburg. Regelmatig verschenen er kleine berichten in de kranten met een opgave van de op te halen spullen. Tussen de onvermijdelijke wandelstokken en paraplu's bevonden zich wonderlijke zaken als "een zoogenaamde gezondheidsportemonnaie" en "twee ballon-lavementspuiten". Die politiepost zorgde ook voor enige levendigheid, doordat er zich bij het opbrengen van arrestanten regelmatig een oploopje van nieuwsgierige Amsterdammers vormde.

Brand!

Één wand van het Leidseplein was nu geheel vernieuwd, de overzijde volgde in hetzelfde rappe tempo. Tegenover American vestigde zich hotel-restaurant Hollandais. Terwijl de zangers van de opera en de toneelspelers vooral in American zaten, verzamelde zich in Hollandais een nieuwe artistieke intelligentsia onder de vaderlijke aanvoering van de journalist en politicus Pieter Lodewijk Tak. Deze kant van het plein werd echter al snel overheerst door een kledingzaak, afwisselend "een der tempels van de mode", "een tooversprookje" en "een waar paradijs voor de dames" genoemd: Hirsch.

In 1880 had zich op de hoek met de Lijnbaansgracht een pianohandel gevestigd, maar de eigenaar was twee jaar later overleden. Twee directieleden van Hirsch uit Brussel, Sylvain Kahn en Albert Sally Berg, kochten het pand aan. Zij wilden in Amsterdam een vestiging die zich nadrukkelijk richtte op het bovenste segment van de samenleving. Het Algemeen Handelsblad bevatte 25 september 1882 niet alleen de eerste grote advertentie van het bedrijf, maar berichtte ook: "Parijs en Brussel zullen nu voor onze dames zeker overbodig worden." Al snel was Hirsch een enorm succes, zodat het deftige modehuis zich kon uitbreiden in en boven belendende panden.

En zo was het Leidseplein binnen luttele jaren drastisch van betekenis en uiterlijk veranderd. Alleen de kant waar de Leidsestraat uitmondde, was in grote trekken gelijk gebleven, al was de paardenstal op het latere nummer 6 in 1874 veranderd in een café dat in 1896 werd overgenomen door ene Anton Reynders.
Het bleek pas een eerste golf te zijn geweest. In de jaren negentig ving een tweede aan. Het begin was dramatisch: in de nacht van 19 op 20 februari 1890 brak er brand uit in de Stadsschouwburg, waarna een smeulende ruïne overbleef. Alleen de kas en de archieven waren gered, dankzij het kordate optreden van Willem Stumpff, de manager van Het Nederlandsch Tooneel, het vaste gezelschap dat de schouwburg bespeelde. De toneelspelers hadden ook al hun spullen, kleding, rekwisieten en teksten verloren, maar werden door Stumpff gerustgesteld met de legendarische woorden: "Geen nood kinderen. Ik heb Wertheim gesproken!"

Shakespeare

De bankier en toneelliefhebber Abraham Wertheim was een geziene figuur in de theaterwereld. Hij was het die erop had aangedrongen om de stukken van Shakespeare (in de vertaling van Leendert Burgersdijk) op te voeren en zo het niveau van het toneelspel te verhogen. Met name Louis Bouwmeester boekte er enorme successen mee, vooral in zijn rol als Shylock. Na de brand bleek Wertheim een redder in de materiële nood: hij garandeerde dat de schouwburg snel herbouwd zou worden. Meteen rees de vraag: waar dan? Op dezelfde plek? Was het terrein achter het Rijksmuseumplein geen betere locatie? Dan kon het Leidseplein een soort Place de la Concorde worden. Het tekent de voortdurende behoefte van de stad om zich te meten aan buitenlandse hoofdsteden.

Al snel viel echter het besluit niet te verhuizen en op 1 september 1894 ging het totaal nieuwe gebouw open met onder andere een uitvoering van Die Weihe des Hauses van Beethoven, gespeeld door het Concertgebouworkest onder leiding van Willem Kes. De verdere toneelstukjes die avond werden alom te onbeduidend gevonden, maar een week later nam het schouwburggezelschap revanche met een opvoering van Madame Sans-Gêne, een stuk van de Franse schrijvers Victorien Sardou en Émile Moireau, waarmee vooral Théo Mann-Bouwmeester succes oogstte. Broer en zus Bouwmeester zouden de koning en koningin worden van het toneel. Zij kregen bij hun 50-jarig toneeljubileum in respectievelijk 1910 en 1911 dan ook een door bloemstukken en ovaties bedolven feest in de Stadsschouwburg aangeboden.

Modeshow

Het bleef niet bij de herbouw van de schouwburg. In 1899 startte de onderhandelingen over een ingewikkelde ruil: Volmer wenste American af te breken en een heel nieuw gebouw te laten bouwen, waarvoor hij ook wilde beschikken over de ruimte die de politie- annex brandweerpost innam. Hij kocht verschillende panden op: aan de overkant van het plein voor een nieuw politiebureau, terwijl de brandweer een plek zou krijgen in de Marnixstraat. Eigenlijk lukte het allemaal onwaarschijnlijk snel. In januari 1901 was het nieuwe politiebureau klaar, een prachtig pand, tegenwoordig het adres van coffeeshop The Bulldog Palace. Tien maanden later opende het restaurant van het nieuwe American en weer een half jaar later ook het hotelgedeelte. In de toren van het pand kwam de oude Hemony-klok terug die in het oude politiebureel had gehangen en oorspronkelijk afkomstig was van de in 1862 gesloopte Leidsepoort.

Maar de erepalm ging naar Hirsch. De directie begon in 1899 allerlei panden rondom het modemagazijn op te kopen. Alleen de dames van Tesselschade Adelt, recht tegenover American, weigerden. Hollandais bezweek wel. Een heel blok werd nu afgebroken en er verrees een waar paleis, dat volgens de Nieuwe Rotterdamsche Courant een 'draaiorgelstijl' vertoonde, maar waar de Amsterdammers toch plat voor gingen – en nog steeds nu er een flagshipstore van Apple in zit.

Bij de opening van het gebouw in 1912 werd breed bericht over het aanbod van "de dagelijksche-, de straat-, de wandel-, de soirée-, de gala-, de sport-, de automobiel-, de vlieg-, de winter-, de lente-, de zomer-, de herfst- en de fantaisie-costuums", waar meer dan 500 meisjes aan werkten. En passant kwam ook langs dat een japon er ongeveer het jaarsalaris van een gewone werkman vergde.

Het nieuwe Hirsch introduceerde een uiterst mondain verschijnsel: de modeshow. Uit Parijs waren 'mannequins' overgekomen, die de kleding op een heel eigenaardige manier brachten, namelijk door heen en weer te lopen "met een eigenaardigen dandineerenden gang, den zoogenaamden 'pas de l'ours'". De gang van een beer... De vergelijking doet vermoeden dat het publiek nauwelijks wist wat het meemaakte. Maar in ieder geval was duidelijk dat Amsterdam niet alleen politiek en artistiek een hoofdstad was, maar nu ook in de mode.

Asfalt

Na de twee ingrijpende vernieuwingen verdiende het Leidseplein natuurlijk ook een beter aanzicht. Het wegdek bestond uit deels verzakkende keien, waarop de ijzeren banden van de vele karren en rijtuigen veel herrie maakten en ook het fietsen geen pretje was door het gehobbel. En tja, de kleding van de passanten raakte voortdurend bestoft doordat een dergelijk oppervlak moeilijk te reinigen viel. Geen wonder dat de American-directeur Volmer een einde wilde aan deze "verschrikking der verschrikkingen": hij bepleitte asfaltering van het plein. Asfalt was goed schoon te maken en zou de geluidsoverlast sterk verminderen.

Er waren alleen wel twee stevige argumenten tegen. De grip van paarden op zo'n glad wegdek was matig, vooral als het nat was door de regen. En keien gingen wel een jaar of 50 mee, asfalt niet meer dan tien, terwijl de aanleg ongeveer even duur was. Toch ging de gemeenteraad akkoord. Het plein bleef naar menig oordeel een beetje klein en rommelig, maar begon nu toch wel "een werkelijk modern-grootstadsch aanzien" te krijgen. En toen het asfalt er lag en het Leidseplein voor het eerst beschikte over elektrische straatverlichting was de conclusie: "Al is Amsterdam geen wereldstad, hier en daar wil ze er toch al heel aardig de allures van aannemen."

PIET DE ROOY IS HISTORICUS.

Magische plek1937---1-uitverkocht

't Konijn is dood, 't lag vanmorgen zo ineens dood in z'n hok... wat zou dat nou eigenlijk zijn? Morgen koop ik een nieuw konijn. Herkent u de regels? Wim Kan schreef ze, Corry Vonk zong ze en met hun ABC-Cabaret speelden ze de zaal plat in het Leidseplein Theater. Het zijn de jaren voor de Tweede Wereldoorlog en het moderne Nederlandse cabaret wordt geboren.

Wie in 1937 de Leidsestraat uitkomt en niet in de etalage blijft kijken van modehuis Maison de Vries op de hoek, ziet een van de grootste en drukste pleinen van de stad. Trams en auto's gaan alle kanten uit, er zijn sinds een paar jaar wel verkeerslichten, maar mensen steken dwars over, de knecht van pleinslagerij Kouwenberg fietst je haast omver. "Ik bel toch, stommerd!" Op de hoek van de Korte Leidsedwarsstraat wordt naast het politiebureau de laatste hand gelegd aan café 't Swarte Schaep, waarmee Nicolaas Kroese zijn oud-Hollandse horeca-imperium begint.

De auto's slaan linksaf richting het Kleine-Gartmanplantsoen, langs café Moderne, waar nette mensen hun trouwreceptie geven. Het ligt bijna verscholen achter het gebouwtje van de KLM: '30% prijsverlaging retourbiljetten Amsterdam-Londen' staat er groot. De bus naar Schiphol wurmt zich door de menigte langs dancing Caramella en kunstenaarssociëteit De Kring. In de dancing klinkt de foxtrot, in de sociëteit worden de kaarten geschud, klotsen de biljartballen en roddelen de leden op luide toon over medekunstenaars. Vorig jaar waren Kringleden als Hildo Krop, Jo Voskuil betrokken bij de eerste antifascistische tentoonstelling D.O.O.D., voluit De Olympiade Onder Dictatuur. Zij spraken zich daarmee uit tegen de Olympische spelen in Berlijn. En dan staat daar majestueus hoog en ultramodern het op 29 oktober 1935 geopende Citytheater, met de nieuwste films. Een bioscoopje pakken is er een belevenis, met bars en levende muziek.

Druk tingelend kruisen trams elkaar op het Leidseplein, langs de Stadsschouwburg rijden ze de Marnixstraat in. Ook bij het toneel heeft de economische crisis toegeslagen. Het kost moeite publiek te vinden en veel subsidie wordt er niet gegeven. Natuurlijk, Albert van Dalsum is een geweldige acteur en toneelleider, maar van zijn antifascistische stuk De Beul waren twee jaar eerder vooral NSB-relletjes gekomen en hij was maar weer gauw voorstellingen gaan spelen van de thriller Het Chinese Landhuis om de financiën op peil te brengen.

Cabaret

Lijn 1 rijdt rechtdoor het centrum uit langs Hirsch, passeert de Leidsekade met rechts het Americain, waar op de trappen de schrijvers Martinus Nijhoff en Eddy du Perron een keer gevochten hebben, op een koude winteravond in december 1931. Links ligt aan het water het mooie terras van het Lido. En dan gaat de tram over de nieuwe, brede brug die architect Piet Kramer ontworpen heeft naar het Leidsebosje, gedomineerd door het sombere gebouw van het Gemeentelijke Energiebedrijf, het net geopende Persilhuis (voorheen een pianohandel) en de Koepelkerk. De tram maakt een knarsende draai naar rechts bij het AMVJ-gebouw, met zijn hotelkamers, sportzalen en zwembad waar de Olympisch kampioen Johnny Weismuller nog getraind heeft in 1928.

Maar we keren om. Terug naar het kleine pleintje rechts naast de uitgang van de Leidsestraat. Er staan auto's geparkeerd. Er is het café Reynders met zijn biljart, daarnaast visboer Rienstra, bij wie dit jaar op de bovenverdieping een restaurant wordt geopend: de Oesterbar. Er zit beweging in het plein. Nee, niet in De Zuil, waar ze nog tientallen jaren grafstenen blijven verkopen, maar in de nieuwe broodjeszaak Populair van Ko Kulderij. Net geopend en nu al bekend als Broodje van Kootje. En ook in het theatertje dat er een paar jaar geleden is gekomen na een grondige opknapbeurt van verenigingsgebouw het Cornelius Broerehuis door architect Henri le Grand: het Leidseplein Theater met 345 plaatsen. We stappen er binnen op het moment dat er cabaretgeschiedenis wordt geschreven.

Wie hier in 1937 komt, hoort bij de culturele voorhoede, is een liefhebber van modern cabaret. Het woord cabaret slaat meer op het theatertje zelf dan op een theatergenre. Een cabaret is klein en intiem, met een laag podium. Er wordt veel gelachen en gezongen, verkledingen en decors zijn er weinig en alles draait er om de kunst van de geestige cultuurkritiek en scherpe tijdsbeschouwing. Het genre stond een tijdje stil, maar Louis Davids trok het weer uit het slop. Hij had zomers een cabaret in Scheveningen met beroemde buitenlandse namen en nu wilde hij 's winters ook een vaste plek. Die vond hij in het Leidseplein Theater.

Neutraal?

Cabaretavonden, kleine revuetjes en operettes stonden er op het programma. De directeur/eigenaar voorvoelde dat het Leidseplein de rol van het Rembrandtplein als uitgaanscentrum ging overnemen en opende op 1 september 1933 zijn deuren. Davids trad er op, maar haakte na een jaar om gezondheidsredenen af. Fien de la Mar bracht er een blijspelletje en daarna kwamen er voor Hitler gevluchte Duitse cabaretiers. In cabaret Ping Pong zat de leuke Géza Weiss en de indrukwekkende zangeres Dora Gerson. Maar dat die Duitse artiesten ook iets wilden zeggen over wat er in Duitsland gaande was, werd minder gewaardeerd. Nederland was neutraal en zij waren gasten.

Davids haalde ook de beroemde Berlijnse cabaretier Rudolf Nelson naar het Leidseplein Theater. Hij kreeg de handen op elkaar, omdat zijn programma niet bestond uit wat losse artiesten die hun nummertjes brachten. Ze vormden een goed ensemble, met heel mooie zangeressen, goeie teksten en prachtige muziek begeleid door de componist aan de vleugel. Maar over politiek hadden ze het niet.

Voor politiek engagement moest je bij Erika Mann zijn en haar cabaret Die Pfeffermühle, die in 1935/36 in dit Leidseplein Theater een enorme indruk maakte. Geestig, intelligent, vol overtuiging, spannend, serieus, zo'n cabaretprogramma had Amsterdam nog nooit gezien. Gericht tegen het opkomende fascisme zonder het woord uit te spreken. Alle spot verscholen in zachte ironie, sprookjes, verhalen en toespelingen. Kritiek leveren zonder iets te zeggen. Zó moest het, dacht de jonge acteur en tekstschrijver Wim Kan, die in de zaal zat met zijn jonge vrouw, de bekende revuespeelster Corry Vonk, zó iets wilde hij ook maken: geestig, betrokken, intelligent.

ABC Cabaret

In augustus 1936 sloeg het ABC Cabaret in het Leidseplein Theater een nieuwe bladzijde op in de Nederlandse cabaretgeschiedenis. De bekende acteur Louis Gimberg trok de kar samen met Corry Vonk, maar de eigenlijke kracht achter het programma was de 25-jarige Wim Kan, die de conferences voor Gimberg had geschreven en vrijwel alle andere teksten.

Zijn teksten waren satirisch en scherp en gaven uiting aan maatschappelijke betrokkenheid en een modern levensgevoel en ze behandelden vooral morele kwesties op een leuke manier. Voor Corry schreef hij voordrachten en liedjes die onvergetelijk werden.'t Konijn is dood, 't lag vanmorgen zo ineens dood in z'n hok... wat zou dat nou eigenlijk zijn? Morgen koop ik een nieuw konijn. Wim Kan werd snel bekender en bekender en groeide uit tot de eerste Nederlandse politieke cabaretier. Dat gebeurde allemaal in het Leidseplein Theater.

En nu verlaten we het jaar 1937 en gaan we kijken naar de toekomst van die plek op het Leidseplein. Het theatertje kende goede en slechte tijden. De cabaretière Martie Verdenius stapte in de voetsporen van Erika Mann en bracht er het eerste vrouwencabaret met de geniale Fien de la Mar. Toen de oorlog uitbrak, zakten eerst de bezoekersaantallen, maar al snel zocht men in het veilige donker van het theater ontspanning en tegenspanning. Fien de la Mar herdacht het bombardement op Rotterdam: De bakker brengt het brood van puin tot puin. De postbode vergist zich in de straat... De Duitse bezetter begon in 1941 de Joden op een zijspoor te zetten en dat spoor zou uiteindelijk naar de vernietigingskampen leiden.

Grote drie

Directeur Van Dijk van het Leidseplein Theater had een vaste bespeler die revuetjes bracht met jonge artiesten. Hij vroeg f 75,- zaalhuur van deze Carl Tobi, die vond dat veel en klaagde bij de Kultuurkamer. Van Dijk moest opdraven met de administratie. De dagkosten van het theater bleken f 40,- te zijn. Waarom dan zoveel gevraagd aan Tobi? Omdat hij hem eigenlijk niet hebben wilde, zei Van Dijk, bij Tobi komen nooit meer dan 100 bezoekers. Met een andere bespeler zou het theater veel beter draaien. Zulk soort geschillen hield de Kultuurkamer vooral bezig. Haar taak om het nationaalsocialistische gedachtegoed ook in de kunsten te propageren, raakte er door ondergesneeuwd.

In een van die slecht lopende programma's van Carl Tobi debuteerde een komische Limburger met een imitatie van de grote clown Buziau. Toon Hermans was zijn naam. In het najaar van 1943 schoten de cabaretondernemingen uit de grond. Wim Ibo leidde de succesvolle groep De Jonge Nederlanders en Cabaret de Koplamp, maar de grootste verrassing kwam op 2 december 1943 met de première van het programma Alleen voor Dames van Wim Sonneveld met Conny Stuart, Lia Dorana en Hetty Blok.

De grote drie van het naoorlogse cabaret, Wim Kan, Toon Hermans en Wim Sonneveld, ze debuteerden allemaal in het Leidseplein Theater en bleven er ook lang spelen. Pas toen Wim Sonneveld en Piet Meerburg in de Marnixstraat het Nieuwe de la Mar Theater begonnen – het zijn inmiddels de jaren vijftig – gingen Kan en Sonneveld vooral daar spelen en was de tijd van het Leidseplein Theater voorbij. De laatste cabaretier die er debuteerde was Sieto Hoving met zijn cabaret Tingel Tangel.

Stand-upcomedy

Het theater veranderde in een moderne bioscoop. Er was geen voordoek, maar een harmonicawand met een foto van een sneeuwlandschap. Na de opening in 1958 werd de nieuwe cinema al gauw het podium van de meer toegankelijke Franse meesterwerken. Le mépris van Jean-Luc Godard met Brigitte Bardot, maar ook een Britse komische film als Morgan, a suitable case for treatment kan menigeen zich nog herinneren. En dan was er Easy Rider, de film waar de Pleiners zich aan laafden in 1969. De eigenzinnige operateur Pieter Goedings gaf studenten van de Filmacademie de kans hun filmpjes in het voorprogramma te draaien, maar bracht ook een seksfilmfestival waarvoor men zelfs uit Duitsland kwam. Hij nam de kuierlatten toen Piet Meerburg van het De la Mar de exploitatie overnam en er een wat commerciëlere koers wind ging waaien. Goedings richtte The Movies op en ging daar zijn eigen koers varen.

De bioscoop verdween in 1984. Een projectontwikkelaar kocht het gebouw, blij met de drankvergunning die er op rustte, want zo kon hij er de discotheek Club Bios vestigen, die daarna de Cash-disco werd, maar z'n naam niet waarmaakte. De curator sloot de zaak en toen een groep Amerikaanse cabaretiers er een half jaar later introkken, stonden de halflege bierglazen nog op de tap. Kill disco, build theatre werd de leus van Boom Chicago. Een gezelschap improviserende Amerikaanse acteurs die een nieuwe theatervorm brachten, iets tussen cabaret en stand-upcomedy in, niet keurig in rijen maar aan tafels en dan mocht je er ook nog tijdens de voorstelling eten en drinken. Bij de opening in 1998 trad Freek de Jonge op met een Engelstalige conference – en zo is de Nederlandse cabaretgeschiedenis weer verdergegaan op deze magische plek. Al is Boom Chicago inmiddels verhuisd naar de Rozengracht.

JACQUES KLÖTERS IS CABARATIER, PROGRAMMAMAKER EN PUBLICIST.

Vooruit kijken nu! 1947---1-spel

September 1947. Modehuis Hirsch gaat weer open. In het Leidseplein Theater schittert het kritische ABC Cabaret van Wim Kan met zijn nieuwe programma Salto Mortale. Wim Sonneveld bracht er al iets eerder zijn nieuwe programma 't Is maar komedie. 'Ik bemoei me niet met de politiek', zong hij. Tja. In 1942 stond híj hier voor het eerst, als belichaming van Heer Bommel, terwijl Kan Japanse dwangarbeid moest verrichten. Kort na de bevrijding klonk er nog gemonkel over artiesten als hij die doorspeelden tijdens de bezetting. Maar in 1947 is dat voorbij. Vooruitkijken nu!

Inderdaad, de oorlogsjaren waren een ellendige tijd geweest, ook op het Leidseplein. Hotel American kreeg het eerst de bezetter op z'n dak, omdat er kamers voor Duitse officieren werden gevorderd. Overmacht was dat, natuurlijk, maar ook een vaste bron van inkomen. Toen in januari 1941 de WA, de knokploeg van de NSB, bordjes met 'Joden niet gewenst' wilde ophangen in hotel en café, weigerde de directie eerst. Niet voor lang – de bordjes kwamen er.

Bijna elke horecaondernemer ging overstag. In het City Theater hingen ze er zelfs al negen dagen voordat het verplicht werd.

Het houten KLM-gebouwtje op de kop van het Kleine-Gartmanplantsoen werd in april herbestemd tot reisbureau van Vreugde en Arbeid, de culturele afdeling van het Nationaal Arbeidsfront. Later dat jaar trof de landelijke invoering van toneelcensuur de Stadsschouwburg. Eerder al moest de directie tolereren dat de nazistische toneelgroep De Voortrekkers er voorstellingen gaf.

In 1943 was modehuis Hirsch aan de beurt. De directie was Joods, net als veel van de werknemers, en in het tweede oorlogsjaar stelden de Duitsers een toezichthouder (Verwalter) aan. De zaak werd leeggeroofd en de winkelwaar naar Duitsland afgevoerd, waarna in 1943 liquidatie volgde. Na de geallieerde aanvallen op de Fokkerfabrieken in Amsterdam-Noord (juli 1943) vestigde een deel van het bedrijf zich in het Hirsch-gebouw. En na de oorlog trok de Politieke Opsporingsdienst (POD) in de bovenste verdieping.

Gevangen

Het duidelijkste gezicht van de Duitse bezetter was zonder twijfel het Huis van Bewaring 1 aan het Kleine-Gartmanplantsoen. Topografisch niet helemaal correct werd de instelling in de volksmond als 'de Weteringschans' aangeduid, zoals Huis van Bewaring 2 (in de Havenstraat) 'de Amstelveenseweg' heette. Gretig maakten de Duitsers van deze voorzieningen gebruik. Er kwam een nieuw soort gevangenen bij: verzetsstrijders. Die moesten er snel achter zien te komen welke bewakers 'goed' waren, om het leven dragelijker te maken en om contacten met buiten te onderhouden. Contacten gingen ook via de uitruil van vuil voor schoon wasgoed, waar familie of vrienden voor moesten zorgen. En het Nederlandse Rode Kruis bracht min of meer regelmatig voedselpakketten voor de politieke gevangenen. Het Huis van Bewaring bleef een doorgangshuis voor gevangenen, die al of niet na berechting naar een Duitse gevangenis of concentratiekamp werden doorgestuurd. Joodse gevangenen verbleven hier uiterst kort in de zogenoemde Jodenbarak; deze 'strafgevallen' gingen zo snel mogelijk via Westerbork naar Auschwitz of Sobibor.

Twee keer werd 'de Weteringschans' door verzetsmensen overvallen om hun collega's vrij te krijgen. De eerste keer op 1 mei 1944 onder leiding van Gerrit Jan van der Veen; door een blaffende waakhond mislukte de overval. Zeven overvallers, onder wie Van der Veen, werden in de duinen van Overveen geëxecuteerd. Twee maanden later mislukte een tweede poging, ook gevolgd door executies.

Naar de Stadsschouwburg ging men vrijwillig, zowel het publiek als de acteurs. Begin 1941 werden Joodse acteurs verwijderd, de rest bleef aan, wat in bijna alle beroepen gebruikelijk was. Een jaar later kregen de toneelspelers te horen dat ze zich dienden aan te melden bij het Gilde voor Theater en Dans, een onderdeel van de Kultuurkamer. Slechts weinigen gaven geen gehoor en volgens één van de principiële weigeraars betrof het meedoen "een mengsel van angst, baatzucht en geestelijke luiheid". Er waren ook maar weinig Amsterdamse toneelliefhebbers die nu uit principe niet meer de Stadsschouwburg bezochten.

Revue

Ook in het Leidseplein Theater ging men gewoon door – en lang niet alleen Wim Sonneveld. Voorjaar 1942 debuteerde hier de jonge Sittardse komiek Toon Hermans met een imitatie van de populaire Buziau. En Snip & Snap (Willy Walden en Piet Muyselaar) vervolgden hun revue in het City Theater. Een groot succes was in het najaar van 1943 hun liedje Als op het Leidseplein de lichtjes weer eens branden gaan – het drukte voor velen het verlangen uit naar een Nederland zonder Duitse bezetting. Een 'verzetsnummer' dus. Auteur Jacques van Tol – NSB-lid en leider van het zeer foute Zondagmiddagcabaret – zal het niet zo bedoeld hebben...

Vooral over de horecabedrijven werd tijdens en na de oorlog stevig geoordeeld. Eylders (waar uitbater John Eijlders wapens en verzetsblaadjes verstopte) en ook Reijnders en De Kring heetten 'goed' en 't Swarte Schaap (sic) 'fout'. Net zoals het overgrote deel van de Nederlanders anti-Duits was, zonder direct aan verzetsactiviteiten deel te nemen, was het overgrote deel van de horeca ook anti-Duits. Tussen 'goed' zijn en verzet plegen, gaapte vaak een grote kloof. En of Joden nu wel of niet welkom waren in de horeca, maakte natuurlijk niet zoveel uit. Zij werden opgepakt of doken onder – uitgaan zat er natuurlijk niet in.

Sociëteit De Kring tooide zich na de oorlog graag met een verzetsverleden. In 1948 werd een plaquette onthuld met de namen van 68 leden, "ons ontvallen door naziterreur 1940-1945". Vanzelfsprekend waren dat behalve verzetslieden, ook Joodse leden, die vanaf oktober 1941 geen lid meer mochten zijn van niet-commerciële verenigingen. Die uitsluiting was voor de andere leden geen beletsel geweest om de sociëteit in stand te houden. Maar zij beriepen zich erop dat de Kring als vereniging geen lid van de Kultuurkamer was geworden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Arti. Deze 'heldendaad' is verklaarbaar. De Kring werd als "een veredelde, cultuurloze nachtclub" beschouwd en dus niet goed genoeg voor de Kultuurkamer, terwijl Arti-leden echte kunstenaars waren.

Protest?

Een échte verzetshaard was er ook. Met groot gevaar voor eigen leven verleende koster Hijmen F. Westerveld van 25 maart 1943 tot 5 mei 1945 in zijn Koepelkerk aan het Leidsebosje onderdak aan de gewapende verzetsgroep OD (Ordedienst), onder leiding van jhr. Piet Six alias 'Van Santen'.

Tijdens en ook na de oorlog en ook erna circuleerde een merkwaardige foto van het Leidseplein in binnen- en buitenland. Het was een naakte man op het Leidseplein met alleen een hoed op en voorzien van een paraplu. De foto is van mei 1941 en ABC-Press stuurde de foto de wereld in als voorbeeld van protest tegen de Duitse bezetting en vooral tegen de textieldistributie. Vele jaren nadien werd duidelijk dat het niets met verzet te maken had, maar een dingetje was van twee leerlingen van de nabijgelegen Amsterdamse Toneelschool.

DAVID BARNOUW IS HISTORICUS EN PUBLICIST.

ALS OP HET LEIDSEPLEIN

Als op het Leidseplein de lichtjes weer eens branden gaan
En is 't gezellig op het asfalt in de stad
En bij het Lido zijn de blinden voor de raam vandaan
Dan gaan we kijken naar het sprookje, lieve schat
Zo hand in hand, jij en ik, lachende naar alle kant
Als kinderen zo blij omdat het licht weer brandt
Als op het Leidseplein de lichtjes weer eens branden gaan
Dan gaan we kijken naar het sprookje, lieve schat.

Barbaren van het Leidseplein 42-1962---3-manvrouw-hr

Simon, zo heet hij, gooit in een dronken bui 's nachts met vrienden in de Lange Leidsedwarsstraat een melkkarretje omver. Het kost hem een nachtje cel op politiebureau Leidseplein. Godzijdank heeft hij die keer geen marihuana op zak... Simon is de ik-figuur in de roman Hoogseizoen van Simon Vinkenoog, die eind april 1962 verschijnt. Zijn boek geeft talloze lezers een onthullende blik op de onbekende, wilde wereld van het plein en de pleinscene.

Na 1950 ontluikt op en rond het Leidseplein langzaamaan een nonconformistische jeugdcultuur. In het kielzog van schrijvers, dichters en andere kunstenaars nestelen zich hier in cafés en dancings scholieren en studenten met mooie idealen of existentialistische melancholie. De 'Pleiners' zijn een heel andere slag jongeren dan de "nozems van de Nieuwendijk", die journalist Jan Vrijman en fotograaf Ed van der Elsken in 1955 in Vrij Nederland hebben geportretteerd. Gedichten lezen doen nozems zeker niet. Ze hebben vetkuiven en hangen in leren jacks rond bij snackbars en sjofele bioscopen, een sigaret in de mondhoek, af en toe spugen ze op de grond (jawel) en ze hebben schijt aan alles.

Voor het eerst in 1956 bericht Het Parool over de "vreemdgeklede jeugd van het Leidseplein". De jongens dragen "kleurig gestreepte hemden" en lopen rond in "verbazend nauwe broekspijpen". De meisjes zijn vaak gecharmeerd van de Franse zangeres Juliette Greco, hebben "lange, onverzorgd zwarte haren" en dragen "fantasiejurken" en "fladderende houtje-touwtje-jassen".

Geen wereldschokkende klederdracht voor wie het huidige modebeeld gewend is, maar eind jaren vijftig ligt dat heel anders. Het uiterlijk is in ieder geval de aanleiding om hen als een nieuwe jongerensoort aan het Amsterdamse publiek voor te stellen. Maar behalve dat ze zich afzetten tegen de in hun ogen bekrompen leefwijze van de ouderen, valt er weinig verontrustends te melden.

Toch zijn ze in de ogen van ouderen vooral een "jeugd, die een schijnleven leidt in een schijnwereld". Ze worden neergezet als "een nieuw type mens, dat we niet kennen". Iemand zegt het zo: "Wij begrijpen niet, waarom zij de hele dag maar in het droomwereldje van Reijnders zitten te existeren."

Jan Vrijman wil een eind maken aan alle indianenverhalen over die Leidsepleinjeugd. Hij heeft een neus voor de nieuwe sociale en culturele ontwikkelingen en haalt dertien jongeren voor de camera. In een rechtstreeks televisiegesprek wil hij heel Nederland laten zien dat het om jongeren gaat met eigentijdse opvattingen, die op wel wat meer begrip mogen rekenen.

Lucky Star

Maar zijn programma De jeugd van tegenwoordig (7 februari 1957) schiet volledig het doel voorbij. Na afloop siddert weldenkend Nederland van verontwaardiging. Honderden reacties stromen binnen bij de AVRO. Hoe durft men deze "uit evenwicht geslagen kinderen" zo, zonder weerwoord, aan het woord te laten? "Heb ik een aantal monsters voor de camera gebracht?", vraagt Vrijman zich vertwijfeld af. Een week later last de AVRO schaamtevol een aparte uitzending in om de uitlatingen van de Leidsepleinjeugd door deskundigen te laten becommentariëren. Maar het kwaad is geschied. De jongeren van het Plein zijn gebrandmerkt en worden over één kam geschoren met de inmiddels alom verfoeide nozems alias 'Dijkers'.

Wie beter begrepen heeft wat de Pleiners beweegt, is horeca-exploitant 'Pietje' Broerse, de eigenaar van nachtclub Caramella aan het Kleine-Gartmanplantsoen. Eind 1956 heeft hij aan de achterkant van de club in de toen nog slome Korte Leidsedwarsstraat op nummer 28 een oud bedrijfspand omgetoverd tot de dancing Lucky Star. De eerste gelegenheid in Amsterdam waar jongeren elke avond onbekommerd kunnen dansen zonder aan allerlei kledingvoorschriften te hoeven voldoen. De consumpties zijn betaalbaar en er hangen geen bordjes meer met 'Swingen verboden', waarmee zaaleigenaren elders regelmatig de nieuwe dansrages uitbannen.

Voor jazz- en rock-'n-rollfanaten is de Lucky Star een uitkomst. Een andere nieuwigheid is een flinke jukebox met de laatste hits in plaats van een orkestje dat het dansen begeleidt, zoals overal elders. De sfeer wordt nu en dan hitsig. In 1958 citeert Het Vrije Volk in de Lucky Star de 17-jarige scholiere Ineke: "Schrijf mijn naam maar niet op, want als m'n vader het weet..." Op de dansvloer werkt kunstenaar Gerrit Lakmaaker zich onder vele bewonderende ogen in het zweet met zijn geïmproviseerde dansen.

Samenzweerders

Eind jaren vijftig vindt de fanclub van het Amerikaanse jeugdidool Pat Boone onderdak in de Lucky Star. Sinds Elvis Presley in militaire dienst ging, is Boone's ster snel gestegen. Jeugdleider en organisator Sanny Hemerik – eerder voorzitter van de Elvis-fanclub – krijgt van Broerse een kantoortje boven de zaak om de dansavonden van de club te organiseren.

Hemerik neemt in het voorjaar van 1959 het initiatief voor een nieuw comité. Hij werft met name onder de al wat oudere (rond de 30...) vrijgevochten schrijvers, dichters en artiesten, die zich hier al jaren thuis voelen. Ze zetten het gezapige Nederland graag een beetje op stelten, al zijn ze doorgaans weinig politiek geprofileerd. En zo gaan onder anderen Simon Vinkenoog, Frits Müller, Cees Nooteboom, Rob van Reijn, Jan Vrijman, Opland, Remco Campert, maar ook horecaondernemers Nicolaas Kroese en Piet Broerse deel uitmaken van het 'Comité 1959 tot activiteit in Amsterdam'. Nee, niet Harry Mulisch, al woont hij sinds 1958 op de Leidsekade. Hij staat boven deze grollen en borrelt liever in Americain.

De vrolijke samenzweerders zitten veel bij Reynders en sjoelbakken graag een potje in kunstenaarssociëteit De Kring. Aan de bar van de Lucky Star zijn ze ook regelmatig te vinden, waar zij zich laven aan de energie waarmee de Leidsepleinjeugd zich overgeeft aan de nieuwe dansrages. Rond Koninginnedag 1959 organiseert het comité een reeks vreemdsoortige evenementen in de stad. Zo wordt de Amsterdamse Stedemaagd in een open koets rondgereden en is er een wedstrijd in welsprekendheid. Meest in het oog loopt de onthulling van een nieuw beeldje dat op instigatie van Sanny Hemerik ter ere van de Amsterdamse jeugd wordt opgericht op het Spui: het Lieverdje.

Leidsepleinnozems

Zowel de Dijkers als de Pleiners zetten zich af tegen de grotemensenwereld, waarin rotsvast ligt wat 'netjes' is en wat niet. Maar het zijn wel heel verschillende werelden en ze kijken ook op elkaar neer. Toch komt het maar één keer tot een echte confrontatie: in de zomer van 1959. Behalve de Nieuwendijk hebben de nozems intussen ook het Monument op de Dam uitgekozen als hang-out om op warme zomeravonden brave voorbijgangers en de politie te sarren. De agenten slaan er dan vaak op los – en dat is natuurlijk avontuur. Als de politie een keer niet toehapt, rijdt de onbevredigde meute van 300 nozems op hun brommers naar het Leidseplein om daar hun meer geschoolde en artistiekerige leeftijdgenoten te gaan pesten. Die kiezen bijtijds het hazenpas en de politie verjaagt de belagers.
Het grote publiek ziet intussen weinig verschil tussen de verschillende soorten opgeschoten jongeren. In de media heten de Pleiners zelfs geregeld 'Leidsepleinnozems'. Dat maakt ook Annie en Mietje Reynders schichtig, de twee zussen die in 1937 het café van vader Anton hebben overgenomen, Een tijdje weren ze met zachte hand al te wild ogende bezoekers. Eerst bivakkeren die nog op de stoep voor het café, maar veel ruimte is daar niet. Het Montmartre-achtige pleintje naast de Stadsschouwburg staat elke dag vol met auto's. Een nieuw onderkomen vinden ze tijdelijk in de poffertjeskraam op het braakliggende terrein op de hoek van de Nieuwe Vijzelstraat en de Weteringschans. Daar speelt een belangrijke scène uit Fons Rademakers film Makkers, staakt uw wild geraas (1961), waarin het generatieconflict een hoofdthema is.

Little Lexington

Een maand voordat Simon Vinkenoog (32) Hoogseizoen publiceert, geeft Robert Jasper Grootveld (29) een nieuwe impuls aan de reputatie van het Leidseplein als ontmoetingscentrum van de Amsterdamse avant-garde. In maart 1962 richt hij op het adres Korte Leidsedwarsstraat 29 (dichtbij Eijlders) in een werkplaats van restauranthouder Nicolaas Kroese een antirooktempel in, de K-kerk (de K verwijst naar kanker). Dagelijks voert hij hier seances uit waarin hij waarschuwt tegen de verslavende werking van het sigaretje. Vooral de "dopesyndicaten" en de "misselijk makende middenstand" moeten het ontgelden. Kleurrijk uitgedost en opgemaakt als 'antirookmagiër' zet hij het nieuwsgierige publiek een surrealistisch schouwspel voor met Afrikaanse trommelritmes en bezwerende spreuken, die door zijn gehoor trouw beantwoord worden met: "Uche, uche, uche!" Rook en vuur horen bij het vaste ritueel, tot het op 18 april misloopt en de K-kerk gedeeltelijk in vlammen op gaat.
Grootveld is bepaald geen onbekende op het plein. Jarenlang (tot 1959) was hij de de vaste glazenwasser van het Hirschgebouw. In 1955 baarde hij al opzien door in een zotte uitdossing op een zelfgebouwd vlotje over de Singelgracht langs het plein te dobberen. Najaar 1962 vindt hij onderdak in het bouwvallig pandje Lange Leidsedwarsstraat 158. Daar woont dan al zijn kompaan Bart Huges, de semi-arts die enkele jaren later in januari 1965 een gaatje in zijn hoofd zal boren om constant high te zijn. Ze noemen hun huis Hotel Little Lexington, naar een Amerikaanse afkickkliniek. Drugs in alle soorten en maten behoren tot de verlokkingen waar de ontluikende scene van hipsters rond het Leidseplein zich aan overgeeft. Maar bezit van drugs wordt streng vervolgd en menigeen belandt wekenlang in het gevang. De kleinste kruimel is al genoeg voor de politie.

Ethersnuiver

Simon Vinkenoog kan erover meepraten. Hij en mensen als Ramses Shaffy, de jonge componist/acteur Hans van Sweeden en actrice Loes Hamel behoren tot de vaste kring van het plein. In het eerste nummer van het jongerenblad Twen (later Taboe), dat begin 1961 verschijnt, beschrijft hij de drugsscene onder de kop 'Barbaren van het Leidseplein'. Niet eerder is zo openlijk over het drugsgebruik geschreven. "Als er wat wordt gerookt, van mond tot mond, een innig ceremonieel, praten we aan de lopende band, woorden tuimelen te voorschijn, we gebaren en gesticuleren, lachen voor iedereen onhoorbaar behalve voor ons zelf, we luisteren intens, de wereld is één groot oor, geniaal zijn onze woordspelingen – de rest van de wereld is een afknapper, maar we kunnen erom lachen; wij zijn uitverkoren en ingewijde barbaren."

De adverteerders van het blad zijn minder te spreken over zoveel openheid en voor het goed en wel van de grond is gekomen, is het blad na vier nummers al weer ter ziele. Er zal in de de jaren die volgen nog het nodige overhoop gehaald worden voordat Nederland er wél tegen kan.

De barbaren van het Leidseplein beperken zich niet tot de inname van het relatief onschuldige marihuana. Er wordt onder andere in Little Lexington naar hartenlust geëxperimenteerd met 'de middelen'. Maar die zijn bepaald nog niet op elke straathoek te krijgen. Met vervalste recepten worden daarom bij apothekers allerlei medicamenten buitgemaakt en op hun verdovende werking getest. Dat gaat ook wel eens fout. De aan drugsgebruik gerelateerde zelfmoord van Hans van Sweeden in 1963 maakt op alle betrokkenen grote indruk.

Enkele jonge Pleiners lopen in januari 1961 tegen de lamp na een impulsieve nachtelijke inbraak in de apotheek in de Van Baerlestraat. (Vinkenoogs Hoogseizoen opent ermee.) Een van hen is kunstenaar Gerrit Lakmaaker (1939-1995), de beste improviserende danser van de Lucky Star. Als hij na een aantal maanden cel weer vrijkomt, beperkt hij zich tot een drug die wél overal te koop is: ether. Hij loopt altijd rond met een flesje in de hand en een zakdoek aan zijn neus en staat in de scene al snel bekend als Gerrit de Ethersnuiver. Zijn danskunsten bloeien op.

Wegbereiders

De jongeren die rond 1960 het Leidseplein bevolken, zijn in allerlei opzichten de wegbereiders van de onstuimige ontwikkelingen die Amsterdam vanaf 1965 overspoelen, te beginnen met Provo. De stad groeit in luttele jaren uit tot een belangrijke hippiemetropool, waar de jeugd uit de hele westerse wereld op afkomt. In maart 1968 krijgen de "uit evenwicht geslagen kinderen" van weleer een waardig eigen onderkomen: het door de gemeente gesubsidieerde jongerencentrum Paradiso. Twee jaar later gevolgd door De Melkweg.

ERIC DUIVENVOORDEN IS FILOSOOF EN SOCIOLOOG EN SCHREEF MEERDERE BOEKEN OVER DE NAOORLOGSE JONGERENBEWEGINGEN.

Leidse in last1987---1-bouwplan

Woensdag 13 mei 1987. Op en om het Leidseplein zien honderden fans op café-tv's hoe Ajax voor de eerste keer de Europa Cup II wint. Rond middernacht gaat het vrolijke gehos over in het inslaan van winkelruiten, plunderingen en matpartijen met de ME. 'Een afschuwelijke nacht', zegt politiewoordvoerder Klaas Wilting. Niet voor het laatst. De Leidsepleinbuurt is aan het verloederen, met dank aan de 'mayonaisecultuur' en andere uitingen van commercialisering. Er is één lichtpuntje: de desastreuze plannen van hotelmagnaat Bouwes voor het 'bajesterrein' zijn verhinderd. Een casino komt er wel.

Voor het eerst van mijn leven daal ik eind juli 2017 af naar de kelderbar van café/coffeeshop The Bulldog op het Leidseplein. Verbluft belandt ik in een stampvolle, glitterende, bonkende ruimte. "Hoe houdt u het hier uit met dat lawaai", vraag ik aan een meneer in een kiosk, bij wie ik een zakje wiet koop voor € 12,-, voor een jarige. Oh, hij zit hier al 40 jaar, als hij er nou nog niet aan gewend is... "Ik ben hier ooit binnengesleept", vertel ik. "Met een sandwichbord om. Voor de Algerijnse vrijheidsstrijders."

Want hier was tot mei 1977 het politiebureau, een coffeeshop is het sinds april 1984. Nu, naast mij in de zon op het terras, waar ik amper de tijd krijg om mijn glas leeg te drinken voordat de serveerster het meeneemt, drenst een ventje in het Engels dat hij zich verveelt en naar de film wil, maar opa en oma blowen en luisteren niet. Ook op het terassenpleintje zijn vrijwel alle stoelen bezet en draven jongelui met volle bladen heen en weer. De drukte doet niet onder voor Koningsdag. Vrouwen gillen of ze in doodsnood zijn.

Ik mijmer over vroeger, toen bij de cafés Reynders en Eijlders een paar stoelen buiten stonden en het verder bijna leeg was. Tussen de Stadsschouwburg en het Leidseplein Theater – na 1958 een bioscoop – was naast Broodje van Kootje grafstenenwinkel De Kuil. In de bioscoop zagen we doorgaans met natte voeten door een dichte walm van sigarettenrook het nieuwste nouvelle-vaguemeesterwerk. Door de Leidsestraat – die pas in 1973 autovrij werd – wurmde zich het verkeer. Tegenover café Americain stond een verdroogde fontein met twee verdorde vissen. De huidige spuitende allure met prachtvissen dateert van juli 2006, dankzij een legaat van de danseres Hans Snoek, oprichtster van het Scapino Ballet en jeugdtheater De Krakeling.

Paniek

Als stadsverslaggeefster van NRC Handelsblad reisde ik in juni 1976 naar Zandvoort voor een gesprek met de toen 66-jarige Nicolaas Willem Bouwes. De projectontwikkelaar stond bij een grote groep Amsterdamse architecten, kunstenaars, journalisten en andere ijveraars voor het behoud van het Leidseplein en omgeving bekend als de baarlijke duivel. Hij ontving mij allerbeminnelijkst met koffie in zijn naar hemzelf vernoemde hotel. De badplaats had hij grotendeels in zijn zak – casino, dolfinarium, horeca. Nu Amsterdam nog!

Vele jaren eerder al had hij het grootscheepse plan-Bouwes laten ontwerpen voor de zuidoostkant van het Kleine-Gartmanplantsoen, waar het Huis van Bewaring zou verdwijnen. In 1962 was er iets over uitgelekt, maar pas zo'n tien jaar later leek het ernst te worden en sloeg bij omwonenden de paniek toe.

Want wat er allemaal niet wijken moest voor dat plan. Behalve de grimmige bajes ook het voormalige Kantongerecht ernaast. Niemand zou er een traan over laten, dacht Bouwes. Maar verderop stond de poptempel Paradiso, de vroegere kerk van de Vrije Gemeente – en al snel het grootste twistpunt. Bouwes had er in de auto met zijn vrouw staan kijken. Een poel des verderfs was het! "Voor geen geld", zou mevrouw Bouwes er binnengaan. Nooit zou hij zoiets naast zijn hotel dulden.

Pas in 1975 werd bekend dat het stadsbestuur overwoog hem er grond voor in erfpacht te geven. Het zag er naar uit dat de gemeenteraad met dit project akkoord zou gaan. Wethouder Publieke Werken Han Lammers (PvdA, Nieuw Links) had er zich als journalist nog tegen verklaard, maar bleek nu een onverzettelijke, felle medestander van de bouwmagnaat. Grote financiers had hij paraat.

Geblèr

Het waren de jaren van de actiegroepen. Elke stadswijk had er wel een paar. Mijn gastheer maakte mij zelfs aan het lachen door het al te nadrukkelijk smalend uitspreken van clichés als 'welzijn, 'inspraak', 'sociaal cultureel centrum' en 'opvangcentrum'. Wie dan moest er opgevangen worden?

Lichtelijk beschaamd besef ik achteraf waar onze stad voor is behoed dankzij de actiegroepen, die weliswaar verdeeld waren in hun ideeën maar ongekend eensgezind in hun streven: 'Bouwes wat anders'. Zelf begreep de bouwondernemer niets van die ondankbare relschoppers. Een prachtig hotelcomplex met 400 kamers, in blokken van 25 meter hoog, acht verdiepingen, met een voetgangersbrug naar de luxe winkels van de P.C. Hooftstraat, hotelwinkels, horeca allicht en een bruin café ter wille van de broodnodige nostalgie.

Hij dacht zeker dat een bruin verfje in een moderne frisse koffiebar genoeg was. Nooit 'Kronkel' gelezen, het dagelijkse cursiefje op 'de drie' in Het Parool van Simon Carmiggelt (1913-1987), die nog met liefde de 'bruine' oude kroegjes betrad. Bouwes had een parkeergarage voor ogen uitsluitend bestemd voor hotelgasten. De moties in de gemeenteraad dat ook de burgerij daar zijn auto mocht stallen, waren afgestemd. Inspraak? "Ik vertik het om met honderd mensen te praten", liet hij in mei 1975 weten. "Dat wordt alleen maar geschreeuw en geblèr." Woonbestemming? Hij zag de was op maandagochtend al buiten hangen!

In een voormalig GGD-gebouwtje in Zwitserse stijl tussen Paradiso en het Kantongerecht (nu De Balie) hield sinds kort de plangroep Bouwes-wat-anders kantoor, onder leiding van de onvermoeibare stedenbouwkundige Maarten Lubbers. De groep kreeg ongekend veel aanhang, van architecten, journalisten, zelfs politici en financiers, zoals het Bouwfonds Nederlandse Gemeenten.

Gered

In het stadsbestuur had Bouwes vooralsnog de wind mee. Herhaaldelijk werd de stemming uitgesteld. De PvdA was verdeeld. Jarenlang kwam telkens weer een nieuwe motie of aanpassing in stemming. Het hielp de actievoerders dat Han Lammers in de zomer van 1975 als wethouder vertrok. Maar toen Bouwes in januari 1977 de geduchte en kapitaalkrachtige projectontwikkelaar Wilma als financier te hulp riep om de stad voor het blok te zetten, overspeelde hij zijn hand. Het ongelooflijke gebeurde. Op 27 april stemde de gemeenteraad in meerderheid tegen gronduitgifte aan Bouwes. Na ruim achttien jaar gooide hij de handdoek in de ring. Een historische overwinning van de democratie.

Paradiso was in ieder geval gered, maar wat moest er dan wél gebeuren met de rest van het 'Bajesterrein'? Na vele jaren delibereren bleef het hart van het oude 'kruisgebouw' staan en maakten de bijgebouwen plaats voor een half rond pleintje dat in 1991 Max Euweplein ging heten. Als extra eerbetoon aan de tien jaar eerder overleden schaakgrootmeester kreeg het pleintje een kolossaal schaakspel met kniehoge stukken. Laatste twistpunt was: mag er een casino komen, pal naast het Lido-terras? In 1980 ging de gemeenteraad overstag.

Uitgaanstijgers

Net als in vroeger jaren was het ook in de zeventig een vrolijke boel rond het plein. Een bonte verzameling van "mooie gekken, malle nichten", "kunstenaars en kunstluizen", "half blote meiden, kroeglopers, blowers, travestieten in de meest vreemde uitdossingen, muzikanten" zorgde ervoor dat het er nooit saai werd. Maar niet iedereen was blij. Vooral niet de destijds ongeveer 2000 bewoners van de omliggende straten.

Vóór 1966 was het een tamelijk stille buurt, met een paar nachtclubs en verder bewoners en bedrijfjes, zoals de kaaswinkel, de melkboer, de bakker, de schoenmaker, de fietsenman, een loodgieter, een kleine garage. Vanaf 1953 had je in de Lange Leidsedwarsstraat dancing de Lucky Star met in de jukebox 'moderne', kalme jazz, zoals Dave Brubeck en Art Blakey. In de dansende menigte kon je overbuurman Harry Mulisch of Remco Campert wel eens treffen, op zoek naar naïeve meisjes (of andersom, natuurlijk). Op de hoek van de Leidse Kruisstraat was er het stille schaakcafé Het Hok, met eenvoudige houten tafels en stoelen. Het bestaat nog, zij het in enigszins gemoderniseerde stijl.

In 1971 was de actiegroep Leidse in Last opgericht, met als voorman het PvdA-gemeenteraadslid Pitt Treumann, bewoner in de Lange Leidsedwarsstraat. Sinds zijn komst waren er 40 cafés bijgekomen, voornamelijk 8-2-zaken, die in het weekend tot drie uur 's nachts open waren. En dan waren er nog de nachtclubs, waar uitgaanstijgers van tien tot vier, vijf uur 's ochtends terecht konden. Bijna elk pand was nu horeca – en dat is niet veranderd.

Eerder had Treumann in november 1970 in de gemeenteraad een interpellatie ingediend. Er was brand uitgebroken in zijn straat en het was er zo druk met auto's dat de brandweer er niet door kon. Hij stelde voor om die straten 's avonds voor verkeer af te sluiten, tot grote woede van de uitbaters. Met een van hen, Piet Broerse, eigenaar van "even tellen" acht zaken (waaronder de Lucky Star) en wat pensions, raakte ik destijds in gesprek. Het was vanzelf gegaan, vertelde hij. De bedrijfjes gingen failliet en hij kocht de panden op. Zo eenvoudig was het.

Mayonaise

De oude glorie van het plein was tandende. Het vertrouwde silhouet van de Koepelkerk even voorbij het Leidsebosje was in april 1971 voorgoed verleden tijd. De kerk werd opgeblazen, evenals het belendende Persilhuis. Het volumineuze Marriot Hotel kwam ervoor in de plaats, poenerig zat, maar bepaald geen aanwinst voor het stadsschoon. Het ooit zo luisterrijke modehuis Hirsch had langzaamaan een truttige reputatie gekregen en ging in 1976 dicht. Ook verdwenen in 1986 opera en ballet grotendeels uit de Stadsschouwburg naar de nieuwe Stopera.

Er is veel protest geweest tegen de 'verloedering' van de buurt. De bewonersgroep Leidse in Last benoemde eind 1986 de nieuwe problemen: de sterke toename van het aantal toeristen op het plein (toen al, ja) en de 'verpatatisering', allereerst in de Leidsestraat, maar ook op het plein zelf in de gedaante van de hamburgerketen Burger King.

Vechten tegen de bierkaai was het voor het gemeentebestuur. Een vermaakcentrum is nu eenmaal nodig, zei kroegbaas (in de Lange Leidsedwarsstraat) annex politicus (VVD en D'66) wijlen Hans Gruijters al in juli 1971. Je kon toch moeilijk al die kroegen bij elkaar op een industrieterrein zetten? De voetbalfans dachten er net zo over. Feesten vier je op het Leidseplein, nergens anders! Dat deden ze dan ook met verve. Bijvoorbeeld in juli 1987, toen het Nederlandse voetbalelftal Europees kampioen was geworden – ten koste van Volvo-rijder Pieter Wigman, wiens auto als statribune diende. Was er nog hoop voor het plein? NRC Handelsblad zag het somber in: "De mayonaise dreigt in Amsterdam vanuit de Leidsestraat het Leidseplein op te blubberen."

LISETTE LEWIN IS SCHRIJVER EN JOURNALIST.

Kwetsbaar stadsplein 2017---1-overzichtsfoto

Het gesteggel over de bouw van een fors hotel op de plek van de Heineken Hoek is nog niet voorbij, ook al heeft de rechter begin oktober de vergunningen voor sloop en nieuwbouw afgewezen. En de aanbesteding van een reusachtige fietsenkelder onder het Kleine-Gartmanplantsoen is pas net achter de rug. Maar voor de rest is de eerste fase van het nieuwe Leidseplein na vijftien jaar praten eindelijk klaar. Voor de deur van The Bulldog doen straatacrobaten, muzikanten en spelletjesfanaten al weer enige tijd dagelijks hun kunstjes.

Het was de theaterwereld die aan de gemeente het zetje gaf om het plein zelf eens goed onder handen te nemen. Om precies te zijn: de inmiddels allang uitgevoerde plannen tot uitbreiding van de Stadsschouwburg met een vlakkevloerzaal en het nieuwe restaurant Stanislavski én de herbouw van het De la Mar Theater. Het overleg tussen gemeente en Leidseplein-ondernemers startte in 2002. "Het plein was verrommeld, had elke allure verloren", zegt omgevingsmanager Marjanne Grotenhuis, de contactpersoon tussen gemeente, bewoners en ondernemers. De geboren Amsterdamse heeft bij huldigingen van Ajax op het plein gestaan, bezoekt er theaters en bioscopen, gaat naar cafés als Eijlders en Reynders. "Bewoners vinden allemaal wat anders. Er spelen vele belangen. De uitvoering van het werk was ingrijpend voor iedereen, maar met wat geven en nemen is het binnen de gestelde termijn gelukt."
Ruwan Aluvihare, de ontwerper van het nieuwe Leidseplein, neemt soms expres de tram om over het drastisch veranderde plein te rijden. "Ik krijg er kippenvel van. Alles is nu vlak. Voor de fietser die even rustig zijn richting wil kiezen, is met lijnen een eilandje in het midden gemaakt. Het functioneert." Hij werkt bij de afdeling Ruimte en Duurzaamheid (de voormalige Dienst Ruimtelijke Ordening) van de gemeente. Vanaf 2006 schetste Aluvihare samen met zijn assistent Drazen Bokan plannen voor het Leidseplein.

"Als ik aan een project begin, ga ik eerst observeren. Ik stond zes keer op het Ajaxbalkon van de Stadsschouwburg. Heb geturfd waar de meeste foto's van werden genomen. Veruit het populairste foto-onderwerp: de bronzen leguanen van het Kleine-Gartmanplantsoen. Nummer twee en drie: café de Heineken Hoek met de bierglazen op het dak en de fontein voor Americain. Niemand nam foto's van het plein zelf. Dat was onthutsend. Maar wel begrijpelijk. Het plein was zo onsamenhangend. Zo rommelig. Lukraak waren bomen geplant, zichtlijnen raakten verstopt. De gevel van Paradiso was onzichtbaar vanuit Reynders."

Tramhaltes

Het Leidseplein was en is allereerst een ongelooflijk complex kruispunt. Aluvihare erfde een plan van stadsdeel Centrum en UNStudio van Ben van Berkel en Caroline Bos. Niet alleen de auto, ook de tram was in dat plan verbannen. "De haltes van de trams 1, 2 en 5 waren geplaatst op de brug over de Singelgracht. Dat vond ik geen goed plan en ook de gemeenteraad zette er vraagtekens bij. Bij het overstappen zou je van de brug over de Singelgracht naar De Balie moeten lopen." Samen met tramspecialist Mohammed Faghloumi, tekende hij varianten. "We streefden naar een simpele, pragmatische infrastructuur. De dubbele tramhaltes keerden terug naar de Schouwburg en De Balie, alleen wat meer gestroomlijnd. De taxi's verhuisden naar het Leidsebosje."
Maar hun plan moest worden gewijzigd. Na de ingebruikname van de Noord/Zuidlijn diende er een snelle binnenring voor de tram te komen, bepleitte de verkeersregio Amsterdam. Aluvihare en zijn team bedachten een variant waarbij de dubbele haltes verdwenen en de vier hoofdstraten die op het plein uitkomen (Marnixstraat, Weteringschans bij De Balie, Leidsebrug en Leidsestraat) allemaal een halte kregen.
Hoofdbrekens kostte de tramhalte in de Marnixstraat. Grotenhuis: "In het eerste plan was er geen. De straat was helemaal voor de voetgangers en fietsers, met een brede stoep en bomen voor het DeLaMar Theater." De beste halteplaats zou zijn pal naast de Stadsschouwburg. Maar in de Marnixstraat is ook de laad- en losplek met grote vrachtwagens van zowel de Schouwburg als het DeLaMar. De halte kwam uiteindelijk vlak voor het DeLaMar. "Dat is een pijnpunt geweest voor het theater. Men vreesde het geluid van de rinkelende trams in de zaal", zegt Grotenhuis.
De halte in de Marnixstraat is ook om een andere reden niet ideaal, voegt Aluvihare eraan toe. Een halte na de kruising zorgt voor een snellere doorstroming. "Nu moeten reizigers het kruispunt oversteken om van de halte-Marnixstraat naar de halte bij De Balie te komen. De andere overstappen zijn niet meer dan een bochtje lopen. Maar goed, uiteindelijk is dit in onze ogen het snelste en efficiëntste systeem."

Leidsepleintje

Het ontwerp voor het plein was "voor 90% puur ambachtelijk werk", zegt Aluvihare. "Welke steen is de beste bestrating? Hoe kunnen we aan slechtzienden op een chique manier de weg wijzen zonder dat er enorme strepen met noppen over het plein komen? Ik heb rondgelopen over het plein met een slechtziende en een blinde. Het geluid van hun stokken was minder goed hoorbaar door de sterke achtergrondruis. Daar moesten we rekening mee houden."
Maar liefst zestien verschillende materialen telde Aluvihare op het oude plein. Ook daarom oogde het rommelig. Hij koos voor één grote, vlakke ruimte, bekleed met een grijze granieten steen. De aanbesteding leverde een steen uit Spanje op. "Een neutrale en simpele steen. Dat schept rust. We hebben twee proefstroken aangelegd. Bij The Bulldog is de steen met zware vrachtwagens getest en voor De Balie is er een fietspad mee aangelegd. Maar ook is gekeken wat mayonaise doet met de steen." Enige zorgen zijn er over de voegen. "Als de schoonmakers met hun wagens het plein vegen, borstelen ze een beetje van de voeg over de steen heen. We denken dat het een tijdelijk probleem is. De steen is goed."

In de ogen van vele Amsterdammers is het Leidseplein vooral een toeristenplein. "Het staat in alle gidsen", zegt Grotenhuis. "Waarom? Ik denk dat vooral het terrassenpleintje een blikvanger is." Het is er een zee van parasols, tafels en stoelen. Elk pand op het 'Leidsepleintje' is veroverd door de horeca, ook Broodje van Kootje en het Leidseplein Theater, waaruit ook het laatste cabaret (Boom Chicago) is vertrokken. Grotenhuis: "Je ziet niks meer van de mooie geveltjes. Heel erg jammer. Tijdens de herbestrating van het pleintje stonden er een tijdje geen parasols en stoeltjes. Het pleintje was zó mooi... Maar ja, er wordt veel geld per tafeltje verdiend."

Fietsenstalling

Alle pogingen van ontwerper Aluvihare om de horeca op het Leidsepleintje – nota bene openbare ruimte – in het gareel te krijgen zijn mislukt. "Ik heb geprobeerd om de parasols in één kleur te krijgen, zodat er een wat rustiger uitstraling komt. Ik heb geprobeerd een smal voetpad te maken tussen de entree van de Stadsschouwburg en de Leidsestraat. Over elke millimeter terras is jarenlang overlegd tussen de gemeente en de ondernemers. Maar er is een soort allergie tegen verandering."

Lang is ook gepraat over een fietskelder onder het Kleine-Gartmanplantsoen. Dagelijks staan er gemiddeld 1500 fietsen op het plein geparkeerd. Aluvihare ontwierp een ondergrondse fietsenstalling voor 2000 fietsen, met de ingang bij de Zieseniskade en de uitgang bij de Heineken Hoek. Uitvoering: tussen 2018 en 2021. Aluvihare: "De logistiek is belangrijk. Aan de ene kant erin, aan de andere kant eruit. De stalling onder de OBA op het Oosterdok heeft ingang én uitgang op dezelfde plek. Een ontwerpfout. Dan ontstaat er in de stalling een dooie plek. En worden de fietsen op de stoep gekwakt."
De stalling was technisch een ingewikkelde klus. De entree komt bij de halve brug bij de Zieseniskade. Kunstenaar Hans van Houwelingen bedacht een nieuwe omgeving voor zijn 40 leguanen – samen vormen ze het kunstwerk Blauw Jan. Een gietijzeren reling, inclusief fraaie lampen, leidt naar de nieuwe stalling. Ondergronds loopt de bakstenen muur van de brug door alsof het een oude kademuur is.

Zitbank

Een echte opgave voor Aluvihare was het hoogteverschil voor het City Theater, een erfenis van de verdwenen Lijnbaansgracht. Nu loopt er een straatje langs de terrassen, met een muurtje en parkeerplekken voor fietsen. "Het was mijn ideaal om de Lijnbaansgracht weer uit te graven tot de Heineken Hoek. Maar dan zou er te weinig ruimte voor de tram zijn. Toen viel het me op dat je bijna nergens kunt zitten op het plein, behalve op de caféterrassen. Daarom heb ik daar een reusachtige bank bedacht, die het hoogteverschil bij het City oplost."
Op aandringen van burgemeester Eberhard van der Laan heeft hij in het weekend twee keer tot zes uur 's ochtends op het plein rondgelopen. "Het was minder erg dan ik dacht. De taxiregelaar, een beer van een kerel, ontpopte zich als nachtelijke pleinopzichter. Wat me ook opviel: elke kroeg had zijn eigen hekwerk voor de rijen bezoekers. Terwijl het gevoel van veiligheid zou toenemen als het minder rommelig zou zijn. Als iedereen hetzelfde deed." De politie vroeg om een type lamp die het plein in een zee van licht kon zetten, waardoor er diep in de nacht als de cafés uitgaan een andere, meer gemoedelijke sfeer hangt. Van veel licht worden mensen braaf, zegt Aluvihare. De keus viel op een "ronde neutrale hanglamp van chique materialen".

Is het nieuwe plein hufterproef? Grotenhuis: "Het voordeel is dat wildplassen op het plein niet zo makkelijk gaat: er is geen water en er staan weinig bomen." Aan de verlichting van de gebouwen wordt nog gewerkt. Voorlopig blijft het achter Hirsch, met de glanzende Apple-store, in de nacht nog wel een donkere hoek. Menigeen denkt met weemoed aan de levendige Alfa bioscopen in die hoek, waar in 1988 het IDFA begon.

Taxi's

De taxioorlog van 2001 verziekte voor jaren de sfeer. Bij het Leidsebosje is nu een opstelstrook met 28 taxistandplaatsen. De bewoners van het luxe appartementencomplex Byzantium (op de plek van het oude GEB-gebouw) vreesden tot diep in de nacht getoeter en geschreeuw bij de standplaats en gingen tot aan de Raad van State om de standplaats voor hun deur te verbieden. Tevergeefs.
Klanten oppikken in de Marnixstraat of op de Weteringschans is nu verboden. Maar gaan de taxichauffeurs zich eraan houden? Grotenhuis: "Als zij zich nergens wat van aantrekken en straks toch links en rechts het plein oprijden om mensen af te zetten en op te pikken, hebben we een probleem. Net zo goed als met fietsers die hun karretje het aan liefst aan de lantaarnpaal voor de Schouwburg vastzetten – dat kan allemaal niet meer. Het plein is een kwetsbaar geheel. Het nieuwe Leidseplein staat of valt met hoe de Amsterdammers ermee omgaan. Of wij met z'n allen bereid zijn ons te gedragen."
De vernieuwing van het Leidseplein kost € 73 miljoen. De voetgangers en fietsers krijgen alle ruimte, het plein is autovrij. De mensen op het plein moeten de sfeer maken, zegt Aluvihare. En Grotenhuis: "Het moet weer een leuke uitgaansplek worden. Ook de bezoekers van de theaters moeten er na afloop een drankje willen drinken. Naast de toeristen en de jonge Amsterdammers die er uitgaan."

HARRY HOSMAN IS JOURNALIST.

De publiekslievelingMarkant-1-shylock

Als jochie debuteerde hij op het toneel en wekte zoveel medelijden dat een dame hem een zak krakelingen toewierp: 'Hier stumperd!'. Op z'n 82ste stond hij er nog. Louis Bouwmeester moest wel, om z'n brood te verdienen. Ook al was hij de beste van allemaal, de 'koning van de oude garde'. Zijn glansrol was Shylock in Shakespeare's De koopman van Venetië.

Louis Bouwmeesters begrafenis was een nationale gebeurtenis. Al dagenlang hadden de kranten vol gestaan met nieuws over het vervoer van het stoffelijk overschot van de Ziekenverpleging aan de Prinsengracht, waar hij was gestorven, naar de speciaal ingerichte chapelle ardente in de Stadsschouwburg aan het Leidseplein. Daar werd hij herdacht, de grootste toneelspeler van het land.

Het centrum van Amsterdam was op zaterdag 2 mei 1925 tijdelijk afgesloten om ongestoorde doorgang te verzekeren voor de plechtige rouwstoet. Rijen dik stonden de belangstellenden langs de route. "Overal mensen en nog eens mensen", meldde de zondagseditie van het Algemeen Handelsblad de volgende dag in een paginagroot verslag. In diep stilzwijgen namen de mannelijke omstanders hun hoed of pet af als de stoet voorbijkwam.

Van de Stadsschouwburg reed de koets met paarden, gevolgd door honderden rouwenden uit de toneelwereld, naar de Stadhouderskade, om via het Westeinde koers te zetten naar het Paleis voor Volksvlijt op het Frederiksplein, waar de overledene zoveel triomfen had gevierd. Ook daar stonden duizenden mensen. Het Paleisorkest speelde de treurmars van Chopin, terwijl er bij de ingang talrijke kransen werden gelegd. De optocht ging verder via het Oosteinde naar de Amsteldijk. En zo bereikte men de begraafplaats Zorgvlied, waar de aanbeden acteur zijn laatste rustplaats vond.
Iedereen die in de toneelwereld iets te betekenen had, was erbij. Net als talloze hoogwaardigheidsbekleders, onder wie wethouder Floor Wibaut en vertegenwoordigers van het Rijksmuseum en het Concertgebouw. Esther de Boer-van Rijk, de legendarische Kniertje uit Op hoop van zegen, legde bloemen op de kist. "Allen voelden de ontroering", zag de verslaggever van het Algemeen Handelsblad, die de lezers tevens een korte inhoud bood van alle veertien toespraken die aan de groeve werden gehouden. "De plechtigheid was hiermede ten einde", besloot hij zijn omvangrijke relaas. "Een grote zoon van Nederland, een machtig kunstenaar, was te ruste gelegd." En zo putten alle kranten zich die dag uit in de bloemrijkste bewoordingen – de een nog indrukwekkender dan de ander.

Louis d'Or

Maar de roem van een toneelspeler is vluchtig. Zeker als hij afkomstig is uit een tijd waarin geluids- en filmopnamen nog allerprimitiefst zijn. Wat er tegenwoordig nog van Louis Bouwmeester (1842-1925) rest, zijn enkele fragmentjes waaruit weinig van zijn vroegere grootsheid valt af te leiden. Ook zijn graf op Zorgvlied is er nog, en hier en daar herinnert een straatnaam aan hem (bijvoorbeeld in Slotervaart). Verder leeft hij hooguit nog voort in de naar hem genoemde Louis d'Or, de prijs voor de beste acteur van het jaar. Zoals de beste actrice al ruim een halve eeuw de Theo d'Or krijgt naar zijn acterende zus Theodora.
Louis Bouwmeester was niet alleen veruit de grootste van zijn tijd, maar ook een telg uit een toneeldynastie die al in de eerste jaren van de 19de eeuw van zich had laten horen. Zijn vader was de toneelspeler Louis Rosenfeldt, leider van de Nederduitse Tonelisten, een groepje dat langs provinciale schouwburgen en kermissen reisde. En zijn moeder was Louise Bouwmeester, die als jonge actrice aan het gezelschap verbonden was. Hij 44, zij 23 en buitenechtelijk ook nog. Wat er tussen die twee opbloeide, klinkt misschien als een lichtzinnige mesaillance. Maar in totaal woonden ze circa 25 jaar bij elkaar en kregen ze vier kinderen. Alleen zat trouwen er niet in, omdat Rosenfeldts eerste vrouw nooit wilde instemmen met een echtscheiding. Zodoende kregen al die kinderen de achternaam van hun moeder.
Nederiger kon bijna niet: de kleine Louis Bouwmeester werd geboren in het huisje van een vishandelaar in Middelharnis, waar het groepje van zijn ouders een paar dagen eerder was neergestreken om in een feesttent toneel te spelen. Zijn toneeldebuut maakte hij al op zijn zesde. Dat sprak in zo'n gezin voor zichzelf: als de ouders acteurs waren, werden de kinderen dat ook. Vader gaf hen van jongs af aan bijna alle ochtenden declamatielessen. "Aan hem hebben we veel te danken", zei hij op latere leeftijd. "Hij begreep dat goed, breed, met kleur en betekenis zeggen van verzen, er nodige, maar weinige gebaren bij maken, standen aannemen, op het gezicht de indruk der woorden laten lezen, het geheim van alle toneelspelers was, mits men hier iets onder zijn vestje heeft. Anders is het niets."

Debuut

Een doorslaand succes was het debuut van de kleine Bouwmeester echter niet. Op latere leeftijd vertelde hij menigmaal hoe hem tijdens de voorstelling een grote zak krakelingen werd toegeworpen door een dame in het publiek die blijkbaar medelijden met hem had. "Dáár... mijn stumperd!", riep ze. De versnapering belandde vlak bij het hok van de souffleur, die zijn handen uitstak om de buit binnen te halen. Het joch schoot naar voren om de krakelingen alsnog in de wacht te slepen, maar vloog in vliegende vaart over het hokje heen de zaal in en belandde op de schoot van zijn weldoenster. Onder schaterend gelach van het publiek voegde de niet van ijdelheid gespeende Bouwmeester dan aan zijn verhaal toe: "Van de voorstelling kwam verder niet veel goeds. En al was dit gedeeltelijk mijn schuld, zo mag ik niettemin met trots staande houden, reeds bij mijn eerste optreden de lieveling van het publiek te zijn geweest."
Bij zijn vader leerde hij in de jaren erna het toneelspelersvak. Om vervolgens op eigen benen te leren staan in een groot aantal verschillende groepjes die zich vooral bezig hielden met volkstoneel en – veelal uit het Frans vertaalde –melodrama's. Naast de vele kermisengagementen werd Amsterdam allengs het centrum van zijn activiteiten. Vooral in de Salon des Variétés in de Amstelstraat groeide zijn populariteit met rasse schreden. Afwisselend speelde hij bij gezelschapjes die hij zelf had opgericht of in andermans producties.
De grootste wending in zijn carrière vond plaats in 1879, toen hij op 37-jarige leeftijd in dienst trad bij de Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsche Tooneel, het voornaamste toneelgezelschap van het land, dat aanvankelijk in het Grand Théâtre speelde (eveneens in de Amstelstraat) en in latere jaren in de na een grote brand herbouwde Stadsschouwburg aan het Leidseplein.

Shylock

Bouwmeesters entree in dit elitair geachte milieu baarde groot opzien. Zo'n acteur uit het volkstoneel hoorde hier niet thuis, vond menigeen. Bij het 'betere' publiek stond hij alleen van horen zeggen bekend, aldus toneelkenner Simon Koster in zijn boek De Bouwmeesters, "als een bulderbast die zich in het melodrama avond aan avond placht schor te schreeuwen". Maar al na zijn eerste rol, in het Franse drama Niemand sterft van blijdschap, werd hij geprezen om zijn "fijnzinnige creatie, heel gevoelig en ingehouden gespeeld".
Zo wist Bouwmeester het pleit te winnen. Al in zijn tweede seizoen schitterde hij voor het eerst in de rol die hij meer dan 2000 keer zou spelen: de Joodse geldschieter Shylock in Shakespeare's klassieker De koopman van Venetië. Er is nog een stom filmfragmentje van bewaard. Zijn stem mag niet te horen zijn, we zien hem met een vervaarlijke puntbaard, priemende ogen en gebalde vuist. In hedendaagse ogen wekt zo'n uitdossing voornamelijk de lachlust op, maar meer dan een eeuw geleden toonden publiek én kritiek zich diep onder de indruk. Zo schreef recensent Taco H. de Beer in het blad Het Toneel: "Deze creatie is ongetwijfeld de schoonste triomf, ooit door de heer Bouwmeester behaald; hij ontvange onze warme hulde en onze innige dank."
Rond de voorlaatste eeuwwisseling was Louis Bouwmeester ongetwijfeld de beroemdste toneelspeler van het land. Zelfs daarbuiten, want hij speelde Shylock in Parijs, Londen en Nederlands-Indië. Ook in beide Europese hoofdsteden gewoon in het Nederlands, omringd door acteurs die eveneens hun eigen taal bezigden. De gedachte was dat Shylock niet verstaanbaar hoefde te zijn, omdat het publiek het stuk goed genoeg kende om toch wel te begrijpen wat hij zei. Zijn succes valt af te meten aan het feit dat hij bij zijn dood ook in toonaangevende buitenlandse kranten werd herdacht. The Times schreef: "Zijn Shylock-creatie te Londen was een avond die met rode letters in de annalen van het Londense toneel staat opgetekend."

Geldnood

Tot na zijn tachtigste is Bouwmeester zijn glansrol blijven spelen, op afmattende tournees en met een eigen gezelschap. Hij moest wel, hij had geen pensioen. Zelfs een eigen huis heeft hij nooit kunnen betalen; hij woonde in bij zijn zoon Raaf, een acteur van minder allooi, in de Derde Helmersstraat 55. Hij werd opgejaagd door "de wolf van de financiële noodzaak (...) van de ene uithoek van Nederland naar de andere, met een troepje dat ver beneden zijn stand was en dat wel beneden zijn stand móest zijn, omdat hij geen beter kon betalen", aldus Simon Koster. Tot overmaat van ramp werd de oude Bouwmeester in 1923 op het Roelof Hartplein aangereden door een auto, met een gebroken linkeronderbeen en gekneusde ribben als gevolg. Het weerhield hem er niet van nog geen half jaar later zijn tournee te hervatten, inclusief alle huldigingen die hem steeds vaker ten deel vielen.
Veel te laat eigenlijk werd Bouwmeester pas eind 1924 door de Amsterdamse gemeenteraad en de Nederlandse regering een jaargeld van f 5000,- toegekend. Trillend van verontwaardiging besloot de acteur Cor Dommelshuizen jr. zijn biografie over Louis Bouwmeester met een felle aanval op de politiek: "Wij willen dit laatste hoofdstuk niet ontsieren met een weergave van de raadsdebatten over dit onderwerp en ook de motivering weglaten van het onbenullige, uitgestreken raadslid dat tegen stemde, omdat hij meende dat Bouwmeesters vroegere publiek maar voor hem op moest brengen! Wij willen aan dit alles geen plaats inruimen, omdat het te 'klein' is in het kader van de beschrijving van een zo groot kunstenaarsleven!"

Overlijden

Louis Bouwmeester heeft dus niet meer van zijn pensioen kunnen genieten. Een half jaar na de toekenning van het jaargeld stierf hij, op zijn 82ste. Bijkans het hele land stond stil. In alle kranten stonden paginagrote herdenkingsartikelen vol eerbiedige superlatieven over de overledene. "Er is met hem een koning van de oude garde heengegaan, die nooit een waardig opvolger kan hebben", eindigde journalist-schrijver Henri Borel zijn necrologie in de Haagse krant Het Vaderland. "Er kan evenmin een tweede Louis Bouwmeester zijn als een tweede Napoleon."

HENK VAN GELDER IS JOURNALIST.

Header: Een panorama van het Leidseplein gezien vanuit noordwestelijke richting (2008). Foto is afkomstig uit het Stadsarchief van Amsterdam.