Het initiatief van de bouw van de atelierwoningen ging uit van een in 1932 opgericht architectenbureau, waarvan dit het eerste project was. De twintigers Piet Zanstra, Karel Sijmons en Jan Giesen waren aanhangers van de functionalistische bouwstijl, die zich afzette tegen de architectuur van de Amsterdamse School. Volgens hen had deze meer aandacht voor gevelwanden dan voor de woningen erachter.

Kunstenaars moesten zich behelpen met ateliers op zolders of in overgeschoten ruimten in de nieuwe stadsdelen, zoals die in de torens bij het Mercatorplein. Het zou ideaal zijn om een combinatie van woning en atelier te hebben, met lichtinval uit het noorden en een werkplaats op de begane grond.

Jan Giesen, de regelaar van het trio, trok door de stad om ateliers te fotograferen en kunstenaars warm te maken voor het huren van een atelierwoning. Hij propageerde het project ook in kunstenaarssociëteit Arti et Amicitia en wist stadsbeeldhouwer Hildo Krop te bewegen om formeel directeur te worden van de NV Exploitatiemaatschappij van Atelierwoningen ‘Amsterdam’, die op papier als de stichter van het complex zou fungeren. In werkelijkheid was de gelegenheidscombinatie van aannemers C. Arendse en S. Bijl de stichter, met De Vries Robbé & Co uit Gorinchem als onderaannemer voor de staalconstructie. Het complex moest namelijk van de architecten gebouwd worden met een staalskelet, een in Amsterdam nog niet toegepaste snelle bouwwijze.

De plannen lagen klaar, alleen moest de gemeente de bouwvergunning nog afgeven. Dat lag moeilijk, want het ontwerp voor het stratenplan moest worden aangepast, met een sportveld aan de noordzijde waar de ateliers zouden komen. Bovendien lag de directeur van Publieke Werken, W.A. de Graaf, dwars, hij adviseerde het gemeentebestuur om gronduitgifte te weigeren. Door de grond ten noorden van het complex onbebouwd te laten zou de gemeente inkomsten mislopen, was zijn gedachtegang.

Gelukkig voor de initiatiefnemers zag de dienstdoende wethouder Salomon Rodrigues de Miranda het project wel zitten, al zou de bureaucratische rompslomp nog wel ruim twee jaar in beslag nemen en werden de laatste handtekeningen door diens opvolger Walraven Boissevain gezet.

De bouw ging opmerkelijk vlot: op 17 maart 1934 kon Hildo Krop de laatste paal de grond in heien. In juni was het staalskelet gereed en was de directeur van het Stedelijk Museum, Cornelis Baard, bereid de eerste steen voor de afbouw te metselen. Op 24 november 1934 werd het complex geopend met een tentoonstelling van werk van de nieuwe bewoners in twee nog niet verhuurde beeldhouwersateliers.

In het blok van 32 atelierwoningen was gezorgd voor optimale lichtinval; in de acht uitgebouwde beeldhouwersateliers aan de Uiterwaardenstraat zelfs van boven. Naast het bouwblok voor kunstenaars verrees korte tijd later een door hetzelfde architectenbureau ontworpen blok met woningen. In eerste aanleg zou dat ook bestemd worden voor atelierwoningen, maar dat durfde de aannemerscombinatie niet aan. En terecht, want door de economische crisis hadden veel kunstenaars het moeilijk en was de huurprijs een hoge drempel. Het zou ertoe leiden dat er soms ook aan niet-kunstenaars werd verhuurd.

Het twintigjarig bestaan van het complex in 1954 werd aangegrepen om naast allerlei feestelijkheden een straatexpositie te organiseren. Er was voor gekozen om deze de eerste vijf dagen van mei te houden, zodat het hoogtepunt zou samenvallen met Bevrijdingsdag. Daarbij speelde mee dat de kunstenaars zich eraan ergerden dat Koninginnedag populairder was geworden dan bevrijdingsdag.

De jubileumviering werd een daverend succes. Het weer werkte mee voor de buitenexpositie: schotten met schilderijen tegen de hekjes van de voortuintjes en beelden in het gras. Op de slotdag werden de schotten volgehangen met kindertekeningen. Er was een zakloopwedstrijd, een voetbalwedstrijd tussen beeldhouwers en schilders (gestaakt bij de stand 9-9) en een komische poppenkast met bewoners die Jan Klaassen en Katrijn acteerden. In de avond was er een straatfeest met levende muziek waarop gedanst werd.

De festiviteiten hadden de er wonende kunstenaars dichter bij elkaar gebracht, maar hun individualisme verhinderde dat ze elkaar veel beïnvloedden. Het 75-jarig bestaan in 2009 werd gevierd met een expositie in een leegstaand beeldhouwersatelier: er werd een keuze getoond uit het werk van de ruim tweehonderd kunstenaars die tot dan toe hadden gewoond en gewerkt in het complex. De opening werd verricht door burgemeester Job Cohen.

Het was het zesde retrospectief van werk van voormalige bewoners; de eerste vijf werden gehouden in de voormalige synagoge in de Lekstraat. Daar werd werk van beeldhouwer en verzetsheld Gerrit van der Veen en de fotografie van zijn weduwe Louise belicht, en dat van Jan Wolkers die in 1950 in hetzelfde atelier trok. Diens sterk autobiografische boek Turks Fruit speelt zich er af. Paul Gregoire betrok de ruimte in 1981 en diens weduwe, de schilderes Jet Schepp, woont en werkt er nog steeds.

Verder werden op de zomertentoonstellingen beelden van Charlotte van Pallandt, Piet Esser en Fred Carasso getoond, alsmede schilderijen van Ro Mogendorff en Jelle Troelstra, om een greep uit de exposanten te doen.

In 1988 werd het complex een rijksmonument en twee jaar later werd het gebouw voor een symbolische gulden door de gemeente verkocht aan Woonstichting Lieven de Key, die onder leiding van architect Bertus Mulder een restauratie liet uitvoeren. De Key wilde ruim tien jaar later de appartementen splitsen en verkopen, wat mogelijk werd doordat Stadsdeel Zuid dat de bestemming van atelierwoningen wijzigde in woningen.

Het leidde tot veel commotie en ten slotte wist de bewonerscommissie te bewerkstelligen dat de woningen nu deel uitmaken van de ‘ijzeren voorraad’ van stedelijke atelierwoningen. Inmiddels was waren er al wel twee appartementen verkocht en drie appartementen gepimpt tot vrijesectorwoningen. Nu worden vrijgekomen atelierwoningen door een speciale commissie toegewezen aan jonge kunstenaars van niet ouder dan 28 jaar, voor een periode van vijf jaar.

Het initiatief van Zanstra c.s. voor de atelierwoningen is een succes gebleken. Al hadden de muren wel wat dikker mogen zijn. ’Prachtige ruime ateliers, maar heel gehorig,’ tekende NRC Handelsblad in 1994 op uit de mond van Charlotte van Pallandt. ‘Als ze beneden hun tanden poetsten, hoorde je dat op de derde etage.’