Johannes (‘Jo’) Bernardus Uges werd op 11 oktober 1890 geboren in Utrecht, maar hij bracht zijn jeugd door in Kampen in Overijssel. Op zijn zeventiende verhuisde hij naar Amsterdam. Daar ging hij bij de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij werken, tot hij werd opgeroepen voor militaire dienst. In het enige vraaggesprek met Uges dat bewaard is gebleven, een kort interview dat op 24 januari 1948 verscheen in het Dagblad Den Haag, vertelt hij dat hij zich in het leger vooral bekwaamde in het maken van spotversjes die hem soms in botsing brachten met zijn meerderen.
Kennelijk had Uges hier veel plezier in, want in de decennia daarna legde hij zich toe op het schrijven van komische gedichten, schetsen, liedjes, blijspelen en humoristische boeken. Hij deed dit onder het pseudoniem Nono.
Over Nono is niet erg veel bekend. Hij ontbreekt in de gangbare biografische naslagwerken, en bij diverse archieven en bibliotheken is heel weinig over hem te vinden. Naast ‘administratieve’ gegevens uit het Bevolkingsregister en de burgerlijke stand, moeten we het vooral doen met kleine berichtjes uit de digitale krantencollectie van de Koninklijke Bibliotheek, die vier kranten bevat uit de jaren 1910-1945.
In deze collectie komen we Nono voor het eerst tegen in 1922, in een advertentie voor het Uiltje, Weekblad voor humor en satyre. Wie zich abonneert op het Uiltje, zo lezen we hier, ontvangt gratis twee ‘succes-cabaret-liedjes’, waaronder ‘Holland droog!’ van Nono, dat toen op het repertoire stond van de bekende ‘amusementszanger’ Kees Pruis.
Indertijd was het gebruikelijk dat de dagbladen wekelijks de inhoud van de bekendste weekbladen en tijdschriften samenvatten. Veel van die weekbladen en tijdschriften zijn niet of slechts zeer incompleet bewaard gebleven, maar uit de inhoudsopgaven uit de kranten weten we dat Nono vanaf 1923 bijdragen leverde aan onder meer Het Leven, Astra (beginnend met “een echt Amsterdamsch feestverhaal”, zoals Het Vaderland het samenvatte) en Nova (met als eerste bijdrage “belevenissen in een Jordaan-bioscoop”).
In 1924 schreef Uges zijn eerste eenakter, een “vroolijk spel in één bedrijf”, zoals hij het noemde. Het is getiteld Arme rijken en gaat over een omhooggevallen Amsterdamse aardappelverkoper en zijn vrouw die zich met behulp van twee vreemde-woordenboekjes en een etiquettegids deftiger proberen voor te doen dan ze zijn. Woeker heeft hen rijk gemaakt, maar ze zijn arm van geest gebleven, wat onder meer blijkt uit de vele verhaspelingen die Uges hen in de mond legt: stolseteren voor solliciteren, observatorium voor conservatorium, sweatheart wordt zweethart en ook veni, vidi… voici is nét niet helemaal correct.
Sinds begin 1927 verzorgde Nono voor de AVRO-radio, van kwart over zes tot kwart voor zeven ’s avonds, een rubriek getiteld ‘Vroolijk half uurtje’. Hierin droeg hij verhalen voor, die hij vervolgens publiceerde in tijdschriften of in een boek. Zijn eerste boek, getiteld Amsterdammers, verscheen medio 1927. Dit werk, schreef Het Vaderland op 11 augustus 1927, moest het vooral hebben van Nono’s kennis van het Amsterdamse dialect: “Het fond van deze gebundelde vertellingen is een kleine speculatie. Het hoopt nl. op de loftuiging [sic] ‘Echt, hè?’, welke makkelijk gegeven wordt, als iemand het volk en de volksspraak beschrijft. De heer Nono kent het Amsterdamsche dialect van haver tot gort. Hij groeit er in. Hij weet precies, hoe men in ‘Mokum’ de klinkers verbastert en hij kent àl de grappige uitdrukkingen van het volk, als ‘praote op afbetaoling’ (voor stotteren), enz. Op dit fond bouwde hij dus een boek. Alle eer voor zijn kennis! Maar zoodraa men dit fond wegneemt, valt de heele zaak in duigen en blijft er niets over.”
Amsterdammers is nog altijd Nono’s bekendste boek. Het was ook zijn succesvolste werk. Tot 1960 werd het zeker negenmaal herdrukt.
Wat Uges indertijd veel voldoening moet hebben gegeven, is dat Esther de Boer-Van Rijk, toen een zeer bekende actrice, enkele verhalen uit Amsterdammers voordroeg op de radio. Dit werd in de dagbladen aangekondigd als “Voordrachten in Jordaansch dialect”.
In 1928 nam Esther de Boer-Van Rijk een eenakter van Nono op in haar repertoire: De Waarzegster – een stuk dat nergens bewaard is gebleven. Esther de Boer-Van Rijk voerde dit stuk met veel succes op in Brussel en Antwerpen, samen met De Meid, een klassieker van Herman Heijermans.
In 1931 verscheen Nono’s tweede boek, Dubbel Zes, uitgegeven door Andries Blitz. Het jaar daarop publiceerde Jo Uges, eveneens bij Blitz, voor het eerst een boek waarin hij zijn eigen naam bekendmaakte. Dat was Klaar achter?, een ‘luchtige, populaire causerie’ over de Nederlandse spoorwegen. De Groene Amsterdammer was positief over Klaar achter? en toonde zich verrast dat Uges ook zakelijk en informatief kon schrijven, want de krant vond Nono met zijn “onverwoestbare gijn” “een der slechtste nog in leven zijnde grapjassen”.

Fonetisch Amsterdams

In 1932 werd Uges hoofdredacteur van een nieuw, humoristisch-satirisch weekblad, Unicum geheten, dat tot 1944 zou bestaan. In 1934 volgde zijn dikste boek, de ‘humoristische roman’ Vernis, die vernietigend werd besproken door de Haagsche Post. “Humoristisch zijn is een hemelsche gave,” luidde de openingszin. “Humoristisch willen zijn is een helsche temptatie voor de slachtoffers van den ‘humorist’. De heer Nono is zéér bepaaldelijk géén humorist en hij wil – eerlijk en oprecht – gaarne humoristisch zijn.”
Zijn grappen werden dus kennelijk niet zo gewaardeerd, Uges werd wel beschouwd als serieus kenner van de Amsterdamse volksaard én van de Amsterdamse volksspraak. Klopt dat ook? Beheerste hij inderdaad het plat-Amsterdams tot in de puntjes?
Zeker is dat zijn boeken nog altijd waardevolle bronnen zijn voor het Amsterdamse dialect. In zijn boeken voert Uges veel Amsterdammers sprekend op. Hij gebruikte hiervoor een fonetische weergave – een komisch stijlmiddel, maar zonder twijfel heeft Uges zijn best gedaan om de klanken van het Amsterdams zo zorgvuldig mogelijk vast te leggen. In zijn debuut Amsterdammers lezen we zinnen als: “Klesse is klesse, as ie lichaomsbeweiging noadig het, dan is de bus ’n goed ding. Je neimt ’n tienrittekaort en je bint geneise. Of niet? Maor as ie wat breikbaors te fefoere het, soa-as ik hieroa, dan gaot d’r niks boafe de tram… Stop ie effe an de Weiseperpoart maot?”
Overigens mijdt Nono in zijn publicaties scheldwoorden of erotisch getinte taal. Het moest wel gezellig blijven! Zo schreef hij in Half om half, in de beschrijving van een ‘historische’ woordenwisseling in de Amsterdamse tram: “Inmiddels trok nummer vier zich tegen de tram op. Wederom dreigde er een verstopping te ontstaan, doordat nummer een weer op ’t balcon verscheen en ’t noodig achtte een nog in aantocht zijnde vrouw toe te schreeuwen: ‘Hou jai effe Hinkie fast, dan kan Lein ’t ouwe mins hellepe.’ En ’n aanrijdende auto bespeurende: ‘Kaak uit ……’ In plaats van het knetterende scheldwoord, dat op dat ‘kaak uit’ volgde heb ik maar een paar stippeltjes geplaatst.”
Zeker is ook dat Jo Uges zichzelf zeer bekwaam achtte in de Amsterdamse volkstaal. In 1937 besprak hij met uitgeverij Van Loghum Slaterus het plan om een Jordaans woordenboek uit te geven. Helaas is dat er nooit van gekomen.
Het eerstvolgende boek van Nono, Zeven, dat werd gepubliceerd in 1940, werd met een paar regels neergesabeld in Het Vaderland. De eerste zin van de bespreking luidt: “Wie ‘Dubbel Zes’ kent, weet wie Nono is: een grapjas.”
Over de laatste vijftien jaar van het leven van Jo Uges is weinig te achterhalen. Uges had zijn werk bij de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij (HIJSM) jarenlang gecombineerd met zijn letterkundige werk. In 1928 was hij naar Haarlem verhuisd, waar hij acht jaar bleef wonen. Toen hij in 1936 terugkeerde naar Amsterdam gaf hij als beroep ‘letterkundige en journalist’ op. Kennelijk had hij nog een nevenfunctie, want in de naoorlogse telefoonboeken van Amsterdam – van 1948 tot 1954 – staat als zijn beroep vermeld: collecteur van de Nederlandse staatsloterij. Daarnaast was hij na de Tweede Wereldoorlog een tijd in dienst bij de Amsterdamse politie of bij de reservepolitie – dat is niet helemaal duidelijk. Hans Meesman uit Lopik, een verwant van Uges, schreef hierover het volgende: “Oom Jo was de enige broer van mijn grootmoeder van vaders zijde. Hij was het nakomertje in een gezin, dat verder uit vijf oudere zusters, vader en moeder bestond. Was dat de reden, dat ik aan mijn jongste jaren de indruk heb overgehouden, dat hij nooit helemaal au sérieux werd genomen? Hij gold een beetje als een flierefluiter, die niet al te veel in zijn mars had en wiens maatschappelijke carrière daarom niet veel te betekenen had. Tot ieders verbazing verscheen hij niet lang na de oorlog in politie-uniform. Ook daar werd nogal badinerend over gedaan.
Mijn herinnering: het hoofdstedelijke politiekorps was niet met vlag en wimpel uit de bezetting gekomen. Er moesten daarom nogal wat vacatures vervuld worden. Zijn benoeming dankte hij, zonder enige politie-ervaring, aan zijn betrokkenheid bij de illegaliteit of althans aan goede connecties met lieden uit die kringen. Het spottende commentaar op wat hij daar uitspookte luidde eens ‘de hoofdcommissaris amuseren’.
Amusant was hij inderdaad. Een Lebemann, altijd vol verhalen, grappen en grollen. Wij kinderen vonden het heerlijk als hij langs kwam.”

Revue en film

In 1947 publiceerde Nono een dun boekje getiteld Onbekende bekenden: Kokadorus en andere Amsterdamse straattypen, waarin hij herinneringen ophaalde aan figuren als Simon Pijpekop, Jopie Koppie en Jossie de Hondenmepper. In het vraaggesprek dat het Dagblad Den Haag ter gelegenheid van het verschijnen van Onbekende bekenden met Uges hield, vertelt hij dat het soms raar kan lopen in de schrijverij: in de jaren twintig was hem gevraagd om een revue te maken, maar toen durfde hij dat nog niet aan. En nu had hij een revue op de plank liggen, maar wilde geen enkele schouwburg het stuk hebben.
In 1949 speelde Jo Uges een rolletje in de film Een koninkrijk voor een huis, een humoristische film over een stel uit de Jordaan dat wegens de woningnood moet gaan inwonen bij een deftig echtpaar in de Apollolaan (de zoon van het ene stel raakt verliefd op de dochter van het andere). Een jaar later verscheen zijn laatste boek, bij uitgeverij Zomer en Keuning: Van rijden, varen en vliegen: het vervoermiddel door alle eeuwen.
Het oordeel over het complete oeuvre van Uges werd in 1953 geveld door de samenstellers van het Lectuur-Repertorium, een katholiek naslagwerk dat vaststelde of boeken wel of niet geschikt waren voor het roomse volksdeel. Het werk van Uges kon geen kwaad, vonniste het Lectuur-Repertorium, maar goed was het evenmin. “Behalve een vulgarisatiewerk over spoorwegtechniek, schreef hij o.m. onschuldige éénakters, een paar romans en humoristisch-bedoelde schetsen, waarvan de humor meestal vrij banaal blijft.”
Jo Uges stierf op 7 oktober 1954 in Amsterdam, 63 jaar oud. In de kranten verscheen een sobere overlijdensadvertentie, een ‘enige en algemeene kennisgeving’, alleen ondertekend door zijn vrouw, G.M. Uges-Visser. “Heden ging geheel onverwacht van ons heen,” zo luidt de tekst, “mijn innig geliefde Man, onze lieve Broeder, Zwager en Oom, Johannes Bernardus Uges, in leven schrijver onder pseudoniem Nono.” Een dag voor de teraardebestelling op de Nieuwe Oosterbegraafplaats schreef De Telegraaf: “Nono had zeer veel trouwe lezers, bij wie hij door zijn boeiende verteltrant zeer geliefd was.”
Was die boeiende verteltrant toen al geruime tijd omstreden, wie nu de boeken van Nono leest zal slechts zeer zelden in de lach schieten, laat staan schaterlachen. De ambitie om te vermaken had Uges beslist, maar helaas had hij te weinig talent om een goede humorist te zijn. Dit doet echter niks af aan hun waarde als bronnen voor het plat-Amsterdams. Zonder twijfel heeft Nono ervoor gezorgd dat tal van Amsterdamse woorden in de eerste helft van de 20ste eeuw grotere bekendheid kregen bij het algemene publiek.