Amsterdam is ’s avonds een stad van licht. Dat was vroeger wel anders. Een wandelaar op straat kon in de duisternis vaak geen hand voor ogen zien. Met een beetje pech viel hij ook nog eens in een gracht. De veiligheid en de aantrekkelijkheid van het stadslicht vinden hun oorsprong in de tweede helft van de 19de eeuw. Vóór die tijd hing hier en daar een olielamp. De introductie in de 17de eeuw van de straatlantaarn van Jan van der Heyden bracht verbetering, maar pas met de komst van het gaslicht (uit Engeland) werd de nacht pas écht toegankelijk.
Vanaf 1866 besloot het stadsbestuur grootschalig straatlantaarns op basis van gas te plaatsen. Maar wie de hoofdstraten van de binnenstad van Amsterdam het meest verlichtten, waren de ondernemers langs de weg. Want ook winkels, kroegen, nachthuizen, theaters gingen over op dit ‘nieuwe licht’. Zij trokken met hun verlichting de aandacht en wisten zo te profiteren van de donkere nacht. Winkeliers zetten hun koopwaren in etalages in het spotlight en kroegen lokten het uitgaanspubliek ermee naar binnen. Het licht scheen van binnenuit door de ramen naar buiten en soms werden gebouwen ook van buitenaf geïllumineerd.
Het gaslicht heeft de nacht van Amsterdam van een ontoegankelijke duisternis omgetoverd tot een sprankelend spektakel. We kennen die nieuwe Amsterdamse nacht van schilderijen van George Hendrik Breitner en Isaac Israels – romantisch valt het warme gaslicht door de straten en kleurt het doek rossig en geel, het licht dat uit gebouwen straalt wordt weerspiegeld in de regenplassen naast de paardentram. Een momentopname. Wie door de Kalverstraat liep, werd overspoeld door een zee van licht uit de etalages. Wie op de Nes of de Zeedijk kwam, werd van alle kanten verwelkomd door de gloed van warme kroeglampen. Hoewel de elektrische gloeilamp van Edison al rond 1900 het gaslicht zou vervangen, markeert de gasverlichting het moment waarop de nacht voor het eerst écht verdreven werd.

Schitterende straten

Winkeliers zagen als eerste goud in het nieuwe fonkelende gaslicht, waar zij vanaf 1840 gebruik van konden maken. Al snel schitterde de Kalverstraat ’s avonds van “helder en vrolijk gaslicht”. Winkelen werd in de 19de eeuw steeds meer een avondlijke aangelegenheid: op de Kalverstraat bleven de winkels tot wel tien uur open. Er was nog geen wet die dit verbood: die kwam er pas in 1930.
Al veel eerder – aan het eind van de 18de eeuw – hadden winkeliers de commerciële waarde van etalagelicht gezien. Toen moesten zij nog aanrommelen met zwakke olielampen her en der geplaatst in het uitstalraam. Met het veel krachtigere gaslicht kon de lichtbron buiten beeld blijven. Ook werden etalageruiten in de 19de eeuw groter, waardoor het lichtvlak toenam.
Behalve winkeliers grepen ook nachtelijke uitgaansgelegenheden hun kans om mensen naar binnen te lokken met gaslicht. Theaters en hotels verlichtten hun portaal. Gekleurde lantaarns duidden op een bordeel (dus nog niet expliciet rood licht!). ’s Zomers als het weer mee zat, kon zelfs buiten geïllumineerd worden. Zo werd de binnenplaats van bierhuis Die Porte van Cleve “door bogen met gaslicht opgeluisterd”. Een passage uit een stadsbeschrijving van 1892 spreekt tot de verbeelding: “En verderop brandt de Nes in witgeel licht, dat van weerszijden door de lanteren en gaspitten der over elkaar gelegen cafés wordt uitgestort.”
De lichten van winkels en uitgaansgelegenheden werden nog eens versterkt door tal van andere lampen in de publieke ruimte. Zo gingen veel gegoede burgers hun huisportaal verlichten, paardentrams gaven de rijrichting aan door middel van gekleurde gaslampen en gasverlichting was een must voor iedere zich zelfrespecterende ondernemer. De “adreskaart in den vorm van gaslicht” beloofde een hogere opbrengst. Dit werd sterk aangeraden, zelfs al kostte het flink wat centen.

Fonkelende feesten

De meeste Amsterdammers vonden het een aangenaam gezicht al die stadslichten na zonsondergang. Maar pas echt feestelijk waren de tijdelijke illuminaties bij evenementen. Feestdagen, jubilea, sportwedstrijden of buitenoptredens: alles werd luister bijgezet wanneer ’s avonds de gasverlichting aanging.
Tijdens Sinterklaas en Kerstmis was het een feest van gezellige lichtjes die uit de huizen schenen. Winkeliers speelden hier slim op in en haalden voor de gelegenheid hun illumineerglazen uit het magazijn. De “vroolijk verlichte winkels” lokten “duizenden bij duizenden wandelaars”, signaleerde Het Nieuws van den Dag in 1883.
Ook festiviteiten als de jaarlijkse kermis en jubilea van verenigingen trokken door hun illuminatie veel bekijks. Het Paleis voor Volksvlijt stond erom bekend dat het ’s avonds bij voorstellingen en bals zeer helder verlicht werd. Dit moet er van buiten spectaculair uit hebben gezien door het grote glaswerk van het gebouw. Ook werden ’s zomers in de tuin van het Paleis geïllumineerde wandelroutes aangelegd.
Hoe prachtig deze initiatieven ook waren, niets overtrof de ‘gaz-illuminatie’ die werd ontstoken tijdens evenementen gerelateerd aan het koningshuis. Minstens eens per jaar was er iets te vieren: een inhuldiging, een huwelijk, een verjaardag, een bezoek… En elke keer werd zo’n Oranjefeest grootschalig gevierd. Overheid en burgers sloegen de handen ineen voor “het glansrijkste gedeelte der feestviering”: de illuminatie van de stad. De stedelijke overheid nam de representatieve plaatsen (Dam, bruggen en poorten) voor haar rekening. Belangrijke gebouwen werden verlicht, zoals de Nederlandsche Bank. Burgers zetten in de eigen omgeving hun beste beentje voor. En voor winkeliers was zo’n feest een uitgelezen kans om aandacht te vestigen op hun eigen bedrijf: de mooiste verlichting haalde immers de krant.
Tijdens de intocht van koningin Emma in 1879 schitterde de stad in een zee van licht. Ooggetuigen beweerden zelfs dat het vanaf twintig kilometer afstand leek alsof Amsterdam in brand stond! Grote sommen geld werden gestoken in de Oranjefeestverlichting. Zo was de stad voor de 70ste verjaardag van koning Willem III maar liefst f 11.000,- kwijt. De illuminatie kon de spectaculairste vormen aannemen. Zo werd in 1863 bij de 50ste verjaardag van het Koninkrijk der Nederlanden illuminatie op de Dam opgesteld die de vormen van het Paleis nabootste. Op deze manier werd een stukje hoofse praal de stad binnengehaald.

Flaneurs

De verlichting ging hand in hand met een nieuw fenomeen: het flaneren van de elite. De economie was in de tweede helft van de 19de eeuw weer aangetrokken en de bovenlaag van de burgerij was groter en koopkrachtiger geworden. Er rolde meer geld voor luxe en plezier en rond 1870 veranderde zelfs het dagritme van de gegoede middenklasse. Wie het zich kon permitteren, leefde ’s avonds. Tegen zes uur het middagmaal en vervolgens winkelen in de Kalverstraat, waar pas na achten “het eigenlijk leven, the season, de raison d’être” begon. Of eerst een voorstelling in de schouwburg om half zeven en daarna uitgebreid souperen. Het avondleven was de nieuwe standaard voor de bovenste laag van de samenleving. Met dank aan de verlichting van de stad, die ervoor zorgde dat Amsterdam toegankelijker was geworden. De straten met verlichte etalages waren omgetoverd in een podium voor de bourgeoisie.
Er ontstond een cultuur van flaneren en winkelen. Flaneurs waren heren die “op hun doode gemak de straat op en neer drentelen”, aldus een anonieme Amsterdammer. Het ene moment stonden zij voor verschillende winkels stil en het andere moment doken zij een koffiehuis in. Zij gingen de straten op om te zien en om gezien te worden. De flaneurs voerden als het ware een toneelstuk op en de voorbijgangers waren hun publiek. En winkelen werd voor de bredere bovenlaag echt een uitje op zichzelf. Vaak verzamelden menigtes kooplustige vrouwen zich ’s avonds voor de etalages om de nieuwste toiletten te bewonderen.

Moralisten

Niet iedereen kon dit avondlijke amusement waarderen. Het waren de keurige burgers van de 19de eeuw die neerkeken op deze flaneurs. Zij spraken spottend over de ‘pantoffelparade’ in de Kalverstraat, waar iedere passant werd bekeken en gekeurd. De nieuwe gasverlichting kreeg de schuld. Licht was decadent en zelfs verderfelijk. Wetenschappers waren ook al niet positief over het nieuwe licht. Rode, oranje en gele kleuren – de kleuren van het gaslicht – zouden schadelijk zijn.
Onder pseudoniemen als ‘Een Amsterdammer’ of ‘Een Humorist’ staken critici rond 1840 de draak met de nieuwe uitgaanscultuur. Zelfs de kerk, het huis van God, ontsnapte niet aan hun hekeling. Want dankzij het kwalijke licht was het mogelijk dat in één kapel nog om kwart over twaalf een godsdienstoefening plaatsvond. Op de eerste maandag van de maand werd daar zelfs om één uur ’s nachts het “Evangelie onder de Heidenen” gepredikt.
Ook mensen van buiten waren dikwijls geschokt door de oogverblindende straten ’s nachts in Amsterdam. Met lede ogen zag een correspondent van de Arnhemse Courant in 1844 de taferelen aan tijdens een zondagavondje uit in de Nes. Hij verbaasde zich over de “huizen van dartelheid en ontucht”: “Reeds van verre schittert het gazlicht hunner voorgevels den wandelaar in de oogen, en klinkt de muzijk hem uit die holen des verderfs tegemoet.”
Een Drentse ambtenaar die Amsterdam een jaar later bezocht, stond te kijken van het contrast tussen donker en licht. Hij zag hoe rond de Dam de straten rossig verlicht waren en hoe het volk daar flaneerde: de materialistische en vergankelijke consumptiecultuur baadde in het licht. Het Paleis, waaruit geen enkel licht scheen, verrees hoog boven het gespuis. Trots en stil met al haar eeuwige politieke en morele waarden stond het in het donker…
De gasverlichting bereikte in het laatste kwart van de 19de eeuw haar hoogtepunt. Amsterdam schitterde zoals een wereldstad betaamde. Het vrolijke gaslicht zou uiteindelijk echter al snel worden ingehaald door het effectievere elektrische licht. De verlichting was niet langer warm en flakkerend, maar wit en strak.