Tegenwoordig kom je namens een partij in de Tweede Kamer. In de 19de eeuw ging dat anders. Het land was sinds 1850 ingedeeld in 38 kiesdistricten van tenminste 45.000 inwoners. Sommige gemeenten waren zo groot dat ze een dubbele of zelfs meervoudige afvaardiging naar de Tweede Kamer konden sturen. In 1850 bestond die uit 68 leden, door de bevolkingsgroei werd die in 1859 uitgebreid tot 72. Via kiesverenigingen probeerden kandidaten op de stemlijsten te komen. Partijen waren er toen nog niet, maar de kiesverenigingen waren vaak wel óf progressief-liberaal óf conservatief.

Jacob van Lennep was in die jaren een invloedrijke figuur. Hij was veel meer dan alleen romanschrijver en dichter. Hij had Amsterdam aan de waterleiding geholpen en was betrokken bij plannen voor het Noordzeekanaal en voor een nieuw Nationaal Museum. Ook was hij een paar keer in opspraak gekomen. In 1834 had hij zijn vrouw en kinderen in de steek willen laten, om in Engeland met zijn minnares een nieuw bestaan op te kunnen bouwen. Daar had zijn vader nog net op tijd een stokje voor gestoken. En twintig jaar later had hij een boekje uitgegeven waarin hij de draak stak met de overdreven vaderlandsliefde van zijn tijd. Dit boekje, met geestige tekeningen door een verre oom, was totaal verkeerd gevallen. De media vroegen zich af hoe hij het in zijn hoofd haalde de trotse geschiedenis van Nederland bespottelijk te maken.

Lollig

De affaire met de Tafereelen uit de Geschiedenis des Vaderlands, tot nut van groot en klein, vermakelijk voorgesteld deed Jacob van Lennep als politicus de das om. Hij was destijds lid van de Tweede Kamer voor het kiesdistrict Steenwijk en verloor de stemming toen hij in 1856 herkozen wilde worden. Hij wilde maar al te graag terug in de Tweede Kamer: het vergaderen beviel hem wel en hij had de indruk nuttig te kunnen zijn voor het land.

Maar begin 1859 kwam er een extra plaats voor een vertegenwoordiger van Amsterdam in de Tweede Kamer, doordat het aantal inwoners van de stad gestegen was. Van Lennep zag nieuwe kansen. Op 11 januari 1859 publiceerde de redactie van de Amsterdamsche Courant een pleidooi voor hem: "Wij gelooven dat zijne kandidatuur in de hoofdstad, waar hij belangeloos jaren lang zoo vele gewigtige betrekkingen bekleedde, die aan hem de weldaad der duinwaterleiding grootendeels te danken heeft, en met betrekking tot het Noordzee-kanaal veel van hem mag verwachten, inderdaad groote kans van welslagen heeft."

Twee dagen later stond er een ingezonden stuk in dezelfde krant waarin hij opnieuw aanbevolen werd als de juiste man voor Amsterdam. De financiële zaken die binnenkort in de Kamer aan de orde zouden komen, kon hij beter dan wie ook beoordelen. Als de afschaffing van de slavernij binnenkort weer op de agenda stond, zou hij opnieuw daarvoor pleiten, net als eerder. De schrijver van dit stuk wist ook wel dat er veel kritiek op Van Lennep was gekomen. Hij had zich zo lollig gedragen in de Kamer, hij had de leden aan het lachen gemaakt, en dat viel niet goed in Nederland. De politiek wist zich ook toen al geen raad met mensen die lachend de waarheid zeggen.

Burnous

Jacob van Lennep zag zijn kans schoon om opnieuw in de Kamer te komen. Maar in liberale kranten zoals het Algemeen Handelsblad klonken andere geluiden dan in de conservatieve Amsterdamsche Courant. Van Lennep mocht dan wel een prima romanschrijver zijn, maar als politicus had hij niets gepresteerd. Steenwijk had hem niet voor niets laten vallen. Hij trok zich hier niets van aan. Er waren nog wel enkele andere kandidaten in Amsterdam, onder wie oud-minister Agnites Vrolik, maar die dacht hij wel te kunnen wegspelen. De kiesvereniging Amsterdam had hij achter zich. Toen de sjieke Sociëteit de Munt een kiesvereniging instelde om kandidaten naar voren te schuiven, verwachtte Van Lennep dat de leden hem zouden uitkiezen, maar het werd de liberale advocaat Cornelis van Heukelom.

Venijnig schreef Van Lennep nu een vers, waarin hij de heren van de Munt tegen hun oude kameraad laat zeggen: We hebben je altijd een leuke vent gevonden, we speelden graag whist en hombre [twee kaartspelen, M.M.] met je, we geven toe dat je altijd je best voor Amsterdam hebt gedaan. Je hebt ons zuiver drinkwater geleverd, ook al hebben we je om dat plan uitgelachen. Je plan voor een kanaal van Amsterdam naar IJmuiden bewonderen we. Als je dood bent zullen we een standbeeld voor je oprichten.

Maar: "Toch word je nooit onze kandidaat, Rijks-Advocaat!/ Want je loopt soms met een burnous op straat,/ Een ding, waar geen van ons ooit mee gaat,/ En dat bijster onfatsoenlijk staat." Waarmee de deftige heren wilden zeggen: we vinden je onaangepast, je draagt een soort ordinaire cape (burnous of bournous), daarom motten we je niet in de Kamer. Van Lennep publiceerde het gedicht niet, maar vrijwel zeker liet hij het aan zijn echte vrienden lezen.

Hanengevecht

In de kranten barstte een felle en ongenadige strijd los. Van Lennep werd afgeschilderd als te veel op het verleden gericht. Het Handelsblad liet in een paar artikelen zien hoe weinig serieus hij tussen 1853 en 1856 zijn Kamerlidmaatschap had uitgeoefend. Hij had zich een voorstander betoond van het verder uitmelken van Nederlands-Indië. Ook was hij nogal eens veranderlijk geweest bij de behandeling van belastingvoorstellen. Als Amsterdam een amusante verteller in de Kamer wilde hebben, schreef de Nieuwe Rotterdamsche Courant, dan moest het vooral Van Lennep nemen, niet als het een behoorlijke vertegenwoordiger zocht. In de Amsterdamsche Courant bleef de redactie daarentegen hameren op zijn daadkracht. De stemming werd grimmig. Kiesverenigingen bezorgden bij kiezers folders in de bus tegen of voor Van Lennep.

De uitslag van de verkiezingen kwam op 25 januari in de kranten te staan: er was een herstemming nodig, omdat niemand de vereiste meerderheid had behaald. Van Heukelom kreeg 616 van de 1506 stemmen, Van Lennep 578, Vrolik 283. Op 8 februari volgde een nieuwe ronde met alleen de eerste twee kandidaten. Iedereen verwachtte dat de Vrolik-stemmers zouden oversteken naar Van Lennep. De conservatieve kiesverenigingen stimuleerden dat ook. Van Lennep was optimistisch: dat er een herstemming kwam, beschouwde hij al als een overwinning. Hoe meer hij door het slijk gehaald werd, hoe meer trouwe kiezers op hem zouden stemmen, meende hij. Wanneer er kwaadaardig over hem geschreven werd, kwam dat meestal van een of andere mislukte en jaloerse poëet, schreef hij aan een vriend. In Amsterdam was hij geliefd. Hij kon niet over straat lopen zonder bewonderend aangesproken te worden.

Het werd een echt hanengevecht. Het Handelsblad ging door met het villen van Van Lenneps verleden in de Kamer. Meer dan gezeur over onduidelijke formuleringen van wetsartikelen had hij daar niet ingebracht. Er verschenen ook hatelijke ingezonden brieven over hem in die krant, over zijn gespot met het vaderland. Zelfs de waterleiding kreeg kritiek: hij zou er een familiebedrijf van hebben gemaakt. In dezelfde krant verschenen overigens ook advertenties met aanbevelingen, geplaatst door de Kiezers-vereeniging Amsterdam. Ook de Amsterdamsche Courant bleef aan zijn kant staan.

Gevaar

De genadeslag kwam van een anoniem pamflet, gedrukt bij boekhandelaar Van Heteren in de Hartenstraat – tegenwoordig een van De 9 Straatjes – en te koop voor een stuiver. Het is een eenvoudig velletje papier, zonder versierselen, heel onopvallend, en het maakt Van Lennep roetzwart. "Amsterdam weifelt tusschen Van Heukelom en Van Lennep!", zo begint het. De anonymus, die ondertekent als 'een Amsterdammer', noemt het een gevaar voor de stad als Van Lennep gekozen zou worden. Een vertegenwoordiger van Amsterdam moet "een man van beginselen" zijn en een man met een geweten. En dat is Van Lennep niet.

Als dichter is hij een plunderaar, als geschiedschrijver is hij kinderachtig baldadig, als politicus grijnslacht hij over alles. Hij is "der Geist, der stets verneint". Zo noemt de duivel zich in Goethes Faust: de geest die over alles negatief is. De naamloze Amsterdammer wil niet uitweiden over Van Lenneps persoonlijk leven, zegt hij, maar vervolgt meteen: Van Heukelom heeft een volkomen onbesmette naam. Kortom, hij suggereert het tegenovergestelde voor Van Lennep. Als iemand kan bewijzen dat zijn pamflet onwaar of zelfs maar overdreven is, zal hij zich bekend maken, belooft hij.

Van Lenneps vrienden waren razend en zijn zonen wilden de pamfletschrijver wel een pak slaag komen geven en hem een proces aandoen. Maar ja, wie was hij? Vooral zijn vriend Johan Schuymer probeerde daarachter te komen. Hij plaatste in de Amsterdamsche Courant een advertentie waarin hij de anonymus opriep voor de dag te komen. Die reageerde met een ingezonden brief in het Algemeen Handelsblad, waarin hij zijn standpunt herhaalde. Schuymer zette opnieuw een advertentie, want de boosaardige bedoelingen van 'een Amsterdammer' bleken wel uit het feit dat hij anoniem wilde blijven. Maar wie hij was, bleef onbekend.

De affaire had tot gevolg dat er op 8 februari maar liefst 2088 stembriefjes ingeleverd werden, ruim 500 meer dan op 25 januari. Van Lennep verloor met 913 tegen 1157 stemmen.

Wie?

Maar wie was nu de anonieme pamflettist? Pas in 1909 is dat bekend geworden. Het ging om Jan Pieter Heije, kreeg van Lenneps kleinzoon en biograaf Max van Lennep toen te horen van diens zwager. Heije was een bekende Amsterdamse arts, die net als Van Lennep in talrijke besturen zat. Hij was als student een gewaardeerd literator geweest, schreef veel voor De Gids en was vermaard om zijn aansprekende liedjes, zoals Zie de maan schijnt door de bomen. Vooral voor het muziekleven was hij van belang. Heije en Van Lennep kenden elkaar persoonlijk van sociëteiten en commissies. Ze werkten ook geregeld samen en hadden zelfs samen de redactie van een almanak gevoerd.

Wat dreef Heije? De kritische krantenschrijvers prezen Van Lenneps literaire werk en stelden daar zijn politieke gehannes negatief tegenover. Heije nam die moeite niet. Stiekem zinspeelde hij wel op Van Lenneps besmette reputatie, zo anders dan de brandschone Van Heukelom. Uit rivaliteit of jaloezie lijkt Heijes actie niet voort te komen. Een carrière als romanschrijver ambieerde hij niet en evenmin wilde hij de politiek in. Wat kan het dan zijn geweest? Persoonlijke afkeer van de kwibus? Oprechte verontwaardiging over Van Lenneps gemakzuchtige politieke optreden?

Het verleden geeft niet al zijn raadsels prijs. We mogen blij zijn dat we nu de naam van de pamflettist weten, maar over zijn motieven blijven we in het onzekere. Wel zeker is dat Van Lennep behoorlijk luchthartig reageerde op de nederlaag. Hij schreef aan zoon Willem dat hij de dag na de uitslag voor het eerst sinds maanden weer eens lekker geslapen had. Zijn ijdelheid was gestreeld, omdat er zoveel geld en moeite aan besteed was om hem eruit te werken. Het is natuurlijk de vraag of Van Lennep wel oprecht was tegenover zijn zoon. Misschien had hij onverbiddelijk wraak genomen als hij geweten had wie de pamflettist was. Zoals hij dat deed met een Amsterdammer die hem financieel opgelicht had en herkenbaar een schurkenrol toebedeeld kreeg in de roman Klaasje Zevenster. De laffe Jan Pieter Heije ontsprong die dans door anoniem te blijven.