Na Hitlers machtsgreep zochten veel Duitse muzikanten in de loop van de jaren dertig hun toevlucht in Nederland. Ze vonden vaak (tijdelijk) werk als amusementsartiest in de jazz-, bioscoop- en omroeporkesten, of als dirigent, solist, pedagoog en muziekrecensent. Twee van die immigranten waren Willy Rosen en Rudolf Nelson. Beiden brachten ze uit Berlijn hun complete cabaretgezelschap mee: de Nelson-Revue en Willy Rosens Theater der Prominenten. Twee befaamde groepen in het land van herkomst.

Willy Rosen (1894-1944) was als Willy Julius Rosenbaum geboren in Magdeburg. In de Eerste Wereldoorlog raakte hij gewond, waarna hij als entertainer ging optreden voor de troepen met een fronttheatergroep en in het officierscasino. Tijdens het interbellum groeide Rosen, zoals hij zich nu begon te noemen, in Berlijn uit tot een populaire componist, tekstdichter, cabaretier en begeleider op piano van stomme films. Hij schreef muziek voor operettes en films. De aankondiging Text und Musik von mir! werd zijn handelsmerk.

Al even beroemd was Rudolf Lewysohn (1878-1960), artiestennaam Nelson, in Berlijn als cabaretier, pianist, film- en operettecomponist en theaterdirecteur, met een voorkeur voor kunst met een kleine k. Hij was een arbeidersjongen, die een beurs had gekregen voor het Stern’sche Konservatorium in Berlijn, waar hij piano studeerde. Maar al snel ontdekte hij de cabaretwereld en maakte hij – natuurlijk tegen de zin van zijn ouders – de overstap naar de kleinkunst. Zijn eerste cabaret, Chat Noir, opende hij met een collega in 1904; in 1907 ging hij daar alleen verder met een vorm van literair cabaret.

In 1920 opende hij het Nelson-Theater aan de Kurfürstendamm, waarvoor hij zo’n 30 revues schreef. Met zijn sprankelende en meestal apolitieke shows maakte Nelson tijdens de Goldene Zwanziger Jahre furore. Marlene Dietrich zong zijn liedjes, Josephine Baker trad op in zijn theater en Kurt Tucholsky schreef teksten voor zijn revues. Maurice Chevalier, Dora Paulsen en vele anderen in binnen- en buitenland namen zijn liederen op in hun repertoire. Dat Berlijn uitgroeide tot de hoofdstad van het vermaak, was voor een flink deel te danken aan Nelson en zijn ensemble.

Vertrek

Geleidelijk aan werd het vanaf voorjaar 1933 voor Joodse artiesten in Duitsland steeds moeilijker om op te treden. ‘Die Prominenten’ van Willy Rosen trokken met een cabaret- en operetteprogramma naar het buitenland, ook naar Amsterdam: in juni 1933 traden ze op in de Stadsschouwburg en in juli in Carré. Critici en publiek waren enthousiast. Tussen 1933 en 1939 leidde Rosen een onrustig bestaan. Hij reisde op en neer tussen Nederland en Berlijn, waar hij nog bijdragen schreef voor de voorstellingen van de Joodse Cultuurbond. In Berlijn hield zijn echtgenote, de niet-Joodse artieste Elsbeth (Else) Hoffmann, hun woning aan. Zolang het nog kon, toerde groep ook naar andere landen, omdat in Nederland alleen tijdelijke podiumvergunningen afgegeven werden. Toen Rosen zich in 1937 definitief in Nederland vestigde, bleef zijn echtgenote in Berlijn. Ze werd in 1940 opgepakt door de Gestapo en acht maanden gevangengezet, waarna ze onder druk instemde met een echtscheiding.

Ook Rudolf Nelson was gedwongen te vertrekken; hij ging met zijn vrouw Käthe Erholz eerst naar Zwitserland. Het lukte hem daar enkele van zijn vroegere revuemedewerkers bij elkaar te krijgen, onder wie de niet-Joodse Eva Busch en Dora Paulsen. In 1934 nodigde Louis Davids hem uit voor een reeks voorstellingen in het Leidsepleintheater en in het Kurhaus-Cabaret in Scheveningen. Nelson was geen onbekende in Nederland. Zo had hij al in 1910 de muziek verzorgd voor de operette Miss Doedelzak bij de Nederlandsche Opera en Operette en in 1913 voor de operette Hoheit amusiert sich in het Rembrandt Theater. Op aanraden van Davids en orkestleider Max Tak haalde Abraham Tuschinski de Nelson-Revue in huis voor zijn nachtclub La Gaîté.

Werkvergunning

Zes jaar lang maakte hij om de week een nieuw programma, zodat het publiek nooit uitgekeken raakte en terugkeerde. Wel was er een probleem met de werkvergunning. De Nederlandse Toonkunstenaarsbond dreigde de Nelson-Revue die niet te verlenen, omdat de Nederlandse arbeidsmarkt in de crisistijd ‘beschermd’ werd tegen immigranten. Tuschinski bracht daar tegenin dat de groep zo’n 40 Nederlandse kunstenaars en andere medewerkers een aanstelling garandeerde en dat een gezelschap van een dergelijk kaliber nodig was om het publiek nog massaal op de been te krijgen. Nelsons groep mocht blijven, maar werd verplicht minstens drie maanden per jaar buiten Nederland te werken.

De revues van de Prominenten waren apolitiek en voornamelijk Duitstalig. In hoog tempo wisselden de programma’s elkaar af. Elke voorstelling was een potpourri van muziek, theater, operette, moppen en goocheltrucs. Willy Rosen introduceerde een nieuwe vorm van cabaret in Nederland, dat in veel opzichten de voorloper was van het gemengde cabaret dat Wim Sonneveld, Tingel Tangel, Lurelei en het ABC-cabaret van Wim Kan na de oorlog op de planken gingen zetten. Regelmatig waren er ook gastrollen voor Nederlandse artiesten als Henriëtte ‘Heintje’ Davids, Jopie Koopman, Wim Sonneveld en Conny Stuart. In 1938 trad de 13-jarige Johnny Kraaijkamp op in de revue Laatste Nieuws.

Ook de Nelson-Revues bestonden uit korte scènes, liedjes en voordrachten die samen een eenheid vormden en artistiek van hoog niveau waren. Rudolf Nelson was alles in één: samensteller, componist en pianist. Enige Nederlander was de af en toe meespelende pianist Cor Lemaire aan de tweede vleugel. In totaal maakte Nelson zo’n 100 cabaretrevues.

Thuis

Wanneer Nelson voorstellingen gaf in Amsterdam, logeerde hij met zijn vrouw in Hotel Schiller. Frits Schiller, zelf zoon van Duitse ouders, bood in de jaren dertig een warm onthaal aan gevluchte kunstenaars. Het was er lang een komen en gaan van Nederlandse schilders, acteurs, zangers, schrijvers, sporters, maar nu spraken de klanten voornamelijk Duits. Nelson was in 1909 getrouwd met de niet-Joodse chansonnière en actrice Katharina (Käthe) Erlholz, die mede zorgde voor zijn grote successen in Berlijn. In 1910 kregen ze een zoon, Herbert. Vlak nadat zijn ouders naar Nederland waren gevlucht, vestigde ook hij zich in Amsterdam, aan het Merwedeplein. Herbert schreef jarenlang teksten voor de revues van zijn vader.

In 1940 organiseerde Tuschinski op 11 april om middernacht een feest ter gelegenheid van Nelsons 30-jarig jubileum. Hij gaf een interview aan Het Volk (6 april 1940) waarin hij zei bezorgd te zijn over de toekomst, maar ook dankbaar dat hij in Nederland de gelegenheid kreeg zijn werk voort te zetten. Hij voelde zich hier thuis. Zijn enige wens was door te kunnen spelen, maar de onzekerheid daarover bracht hem onrust en concentratiegebrek.

Van de jubileumfeestvoorstelling zijn alleen een affiche over, een advertentie in De Telegraaf en een aankondiging in Het Volk waarin de titel Musik! Musik! Musik! wordt genoemd. Een beschrijving van de voorstelling of een recensie ontbreekt. Vanaf 1941 trad de groep alleen nog op in de Joodsche Schouwburg, dat jaar met de tweetalige revue Musik! Musik! De Nederlandse teksten waren van Philip Pinkhof, de echtgenoot van Heintje Davids, onder zijn schrijversnaam Rido. Er volgden nog vijf producties met het Joodsche Kleinkunst-Ensemble. De zesde, Dat Smaakt, die voor 18 juli 1942 was gepland en waarbij Nelson muzikaal samenwerkte met Willy Rosen, moest worden afgelast. De repetities waren al begonnen, maar de première ging niet door: de Schouwburg werd in gebruik genomen als deportatieplaats.

Visum

Vijf jaar eerder hadden Willy Rosens Prominenten hun eerste seizoen in het Rika Hopper Theater aan de Plantage Middenlaan 4 – nu Desmet Studio’s – en in het Leidsepleintheater. Al snel na de Duitse inval in mei 1940 ontstonden de eerste problemen. Alle voorstellingen van de nieuwe revue Lache Bajazzo, gebaseerd op de opera I Pagliacci van Ruggero Leoncavallo, werden na de première op 8 mei afgelast. Vanaf juni 1940 stonden er nieuwe revues op het programma, met wel de namen van Wim Sonneveld, Jopie Koopman en niet-Joodse Duitse artiesten, maar niet meer die van Willy Rosen en de pianist Erich Ziegler. Zij verschenen tijdelijk ook niet in het openbaar. Dat was veiligheidshalve voor henzelf en om te voorkomen dat optredens verboden werden wegens ‘Joodse invloeden’. Sonneveld was voor dit laatste ‘normale’ zomerseizoen van 1940 gevraagd om gastrollen te vervullen. Hier ontwikkelde hij zijn stijl, zou hij later zeggen.

In december traden de Prominenten weer officieel onder leiding van Rosen op in het Rika Hopper Theater – omgedoopt tot Beatrixtheater en vanaf september 1941 Johan Sellmeijers Theater van de Lach geheten. Ze brachten er gemengde producties met vertolkers uit de klassieke muziek en de amusementssector, uit opera en operette. De voorstellingen trokken volle zalen met goeddeels Duits publiek, behalve immigranten voornamelijk soldaten. Willy Rosen speelde in 1941 en 1942 ook als pianist in voorstellingen met het Joodsche Kleinkunst Ensemble in de Hollandsche – inmiddels Joodsche – Schouwburg.

Hoewel Rosen sinds 1941 een visum voor Cuba had, bleef hij in Nederland, in de gedachte dat Amsterdam voor hem een veilige plek was. Na de sluiting van de Joodsche Schouwburg trad hij voor de tweede keer in het huwelijk, nu met de elf jaar jongere Duits-Joodse actrice Olga Maria (Mara) Krauskopf. Waarschijnlijk doken zij onder. In mei 1943 werden ze opgepakt en naar Westerbork gestuurd.

Bühne Westerbork

In Westerbork werkte Rosen met Erich Ziegler, Max Ehrlich en vele anderen Joodse cabaretiers en acteurs samen in de voorstellingen van de Gruppe Bühne Lager Westerbork. Hij schreef mee aan revues als Humor und Melodie, Bravo! Da Capo! en Total verrückt! en speelde zelf ook mee. Deelname aan de optredens – ook door zijn vrouw – gaf vrijstelling van verdere deportatie. Althans tijdelijk. Zomer 1944 werd Willy Rosen via Theresienstadt naar Auschwitz gedeporteerd, waar hij in september of oktober in de gaskamer de dood vond; Mara stierf op 15 maart 1945.

Rudolf Nelson en zijn vrouw Käthe overleefden de oorlog wel. Zij zaten vanaf juli 1942 ondergedoken, mogelijk bij collega en mede-immigrant Dora Paulsen, die met de Nederlandse kunstschilder Jo Voskuil was getrouwd. Na de bevrijding remigreerden ze naar Duitsland, waar Rudolf in 1949 zijn laatste revue in Berlijn presenteerde. Hij overleed in 1960 en kreeg in Berlijn een plek tussen de eregraven op Waldfriedhof Dahlem. Zoon Herbert Nelson vestigde zich na de oorlog in New York. Met zijn echtgenote Eva werkt hij in 1982 mee aan een reconstructie van de Nelson-Revue in Amsterdam, Alles kommt einmal wieder, met Gerrie van der Klei, het Resistentie Orkest en het Forellen Quartett (Jan Mesdag, Jacques Klöters, Erik Breij en Haye van der Heyden).

ELLEN VAN DER GRIJN SANTEN WERKT BIJ HET MEERTENS INSTITUUT AAN DE NEDERLANDSE LIEDERENBANK.

Mei 2021

Beeld header: Allard Pierson Theatercollectie.