‘Ik ben op 8 april 1934 geboren in de Dijkstraat, vlak achter de Sint Antoniesbreestraat. Oficieel heet ik Salomon Waldemir, in de wandeling Monnie. Mijn vader werkte in de haven. In 1942 verhuisden we naar de Weesperstraat, waar mijn vader een bloemenzaak begon. Die Weesper- en Plantagebuurt was een mengelmoes van joodse, katholieke, protestantse mensen. Er woonden Chinezen, Belgen, Fransen, Duitsers en ook al wat Surinamers. Praktisch elk gezin had wel een zwager, neefje of nichtje dat joods was. Ondanks al die verschillen was de buurt een eenheid. De mensen spraken hun eigen Amsterdamse taal. Wilde je echt lekker eten en goede spulletjes hebben, dan ging je naar de Weesperbuurt, die feitelijk doorliep tot de Schreierstoren. Er waren zuurwinkeltjes, gebakszaakjes, slagers, noem maar op, en het eten was veel lekkerder gemaakt. Er zat meer smaak aan, omdat er veel kruiden gebruikt werden.
lk at wel eens een matze, geruild voor een sneetje brood met ham, terwijl joden eigenlijk geen ham eten. We waren ook benieuwd naar elkaars achtergronden. Als ik met een catechismusboekje naar de Mozes en Aäronkerk liep en ik kwam een joods vriendje tegen, dan vroeg hij: Wat ga je daar doen? Zo ging ik ook wel eens mee naar een synagoge en dan maakten we van een zakdoekje een keppeltje.

Nood breekt wet

Mijn moeder opende in 1944, ook in de Weesperstraat, een eethuisje. Er was natuurlijk weinig, maar mijn vader nam groenten mee als hij naar de Aalsmeerse bloemenveiling ging en daar maakten ze dan wat soep van of zo. Aan het eind van de oorlog was er echt niets meer en eind 1944 heeft ze moeten sluiten. Maar als je geld had, kon je op elkee hoek van de straat spullen kopen. Had je dat niet, dan moest je het zien te stelen.
Ik zat toen op de Sint Antoniusschool op de Kloveniersburgwal. Precies om de hoek lagen in de Amstel schepen vol met voedsel voor het Duitse leger. Appels, uien, penen, aardappelen, noem maar op. Daar stond een gewapende Duitse wacht bij. Nou was het de kunst hem zo te tergen dat hij achter ons aan kwam. We deden dat in groepjes van drie. De eerste groep ging bij die wacht staan jengelen, de tweede groep ging ruziemaken met de eerste groep en als ze hem zo gek kregen dat hij achter die jongens aan ging, dan liep het derde stel met scheermesjes langs de zakken. Je pakte zoveel je kon, stopte het onder je kleren en hup, wegwezen.
Als kinderen hadden we vaste loopjes, óf naar het Waterlooplein of de Nieuwmarkt, óf rechtdoor de Weesperstraat en Wibautstraat in, want daar kon je voetballen. Waar nu het gebouw van de Raad van Arbeid en het belastingkantoor staan, was toen een flink stuk land, 'het zandje' noemden we dat. Daar had het Weesperpoortstation gestaan; in 1939 is dat afgebroken. In de winter van 1943 vond een vriendje daar kolen. We hebben een schop gehaald, Zijn gaan graven en, inderdaad, er kwamen echte steenkolen naar boven. Het was alsof we goud gevonden hadden. Binnen een paar dagen was de hele buurt aan het graven en veranderde 'het zandje' in een complete mijnschacht. Je moest er dag en nacht bijblijven, want anders was je je kuiltje met kolen kwijt. En er werd in gehandeld, door zwarthandelaren. Op een gegeven moment kwamen de Duitsers in overvalwagens. Ze hebben gewoon het vuur geopend. Eerst laag over de mensen heen, zodat iedereen wegstoof. Maar er waren ook mensen die hun kuiltje niet uit wilden. Er vielen veel gewonden en één dode. Die hele rel was ontstaan door een paar NSB-ers die beweerden dat anderen hun kuiltje ingepikt hadden.

Geen kat of hond was er veilig

In de oorlogsjaren was het echt heel moeilijk. Zelfs hier op de brug stonden prikkeldraadversperringen. Dus je bleef zoveel mogelijk in je eigen buurt. Het Tropenmuseum, bijvoorbeeld, was helemaal ingericht als hoofdkwartier van de Duitsers. Midden op straat stonden van die grote ijzeren balken met prikkeldraad, daar kwam je absoluut niet bij. Alleen toegankelijk voor Duitse soldaten was ook Het Gouden Hoofd, op het Rembrandtplein. Ik ken een aardige anekdote over een jongetje bij ons uit de buurt. Hij was toch langs de versperring geglipt en op het Rembrandtplein terechtgekomen. Met z'n neus tegen het raam en kwijlend stond hij naar de etende Duitsers te kijken. Opeens ziet een van die soldaten, die net aan z'n kip - zo'n prachtige gebakken kip wil beginnen, dat jochie staan. Hij vliegt naar buiten, pakt hem bij z'n lurven, trekt hem naar binnen en zegt: 'Das is mein Huhn. Du kannst fressen, aber alles was du machst mit meinem Huhn, mach ich mit dir.' Dus die kleine kijkt naar die kip, pakt de twee pootjes, trekt ze uit elkaar en likt zo aan die kont. Dat is écht gebeurd.
Ik had een hondje, Tommie. Op een dag liet ik het beestje uit. Het was bijna spertijd, wanneer iedereen binnen moest zijn met de gordijnen potdicht. Ik liep in de Weesperstraat en er kwamen een paar van die Gestapo-lui aan. Tommie,' riep ik, 'kom nou!' en daarmee had ik net teveel gezegd. Die lui dachten dat ik riep: 'de Tommies komen', de Canadezen dus. Mijn ouders hebben me voor dood van straat gehaald. Zés weken heb ik niet kunnen slapen. Die Duitsers hadden me bewerkt met hun laarzen met die grote ijzeren noppen erop. Aan het eind van de oorlog is dat hondje trouwens gepakt. Toen Tommie alleen was, heeft iemand de kans waargenomen en hup, weg. Die hebben ze opgevreten. Vreselijk, maar ook wel te begrijpen, want als jij de hond of de kat van een ander kon pakken, dan deed je dat ook. Geen dier was veilig in die tijd.

Dat gegil hoor ik nog

Wat ik hier, met m’n vriendjes, heb meegemaakt heeft z'n sporen achtergelaten. We woonden in een met prikkeldraad afgesloten getto. Wanneer je eruit of erin wou, moest je een pasje laten zien. Voor een kind deden de Duitsers nog wel eens een oogje dicht, maar had je bruine ogen en zwart haar, dan was je de lul. Slaag en schoppen kreeg je als je iets deed wat in hun ogen niet in orde was. Onvoorstelbaar dat je 's morgens wakker kon worden en het huis van je vriendje was leeggehaald. Dat schorem kwam ook 's nachts en dan hoorde je de mensen gillen. Midden in de nacht zat ik door een spleetje tussen de gordijnen uit het raam te kijken. Een vriendje zwaaide en toen werd hij in een beestenwagen geladen. Zelfs als kind wist je gewoon dat hij nooit meer terug zouden komen. Nu ben ik 57, maar als ik uit het raam kijk, hoor ik dat gegil nog en zie ik alles weer gebeuren. Op de tv zag ik een documentaire over dat meisje uit Vietnam, dat je op de weg ziet lopen en gillen, helemaal bloot met allemaal brandwonden van de napalm die de Amerikanen gegooid hadden. Als volwassen vrouw vertelde ze haar verhaal. Ze zei dat je in een oorlogssituatie als kind binnen een dag volwassen bent. Dat herken ik maar al te goed.
We verhuisden in 1947 naar de Manegestraat, waar mijn moeder een avondwinkel begon. De zaak werd Holland-België gedoopt: moeder was een Nederlandse, vader een Belg. Vader hield zijn bloemenzaak in de Weesperstraat aan. Er waren al heel wat gezinnen verhuisd uit deze buurt. Dat kwam natuurlijk ook door de oorlog: erg veel huizen in de Weesperstraat waren al gesloopt. Heel anders dan voor de oorlog woonden er nog maar weinig kinderen in deze buurt. Wel waren er toen al wat Chinese kinderen en kinderen van de ltalianen die toen naar ons land kwamen, wat Surinaamse en Antilliaanse en ook enkele Indonesische kinderen. Het begon weer een beetje te mengen.
Pastoor Hazebroek van de Mozes en Aäronkerk wilde graag een kerkkoortje hebben, maar er waren te weinig katholieke jongens. Hj vroeg: 'Jongens, kunnen jullie er niet wat kinderen bijhalen, want niet alleen katholieke kinderen hebben mooie stemmetjes. Met elkaar hebben we er voor gezorgd dat er op een gegeven moment een verschrikkelijk gemengd koortje kwam. Heel erg leuk natuurlijk. Zo heb ik ook gevoetbald in het van origine joodse voetbalclubje HEDW, Hortus Eendracht Doet Winnen, dat nu Wilhelmina Vooruit Hortus Eendracht Doet Winnen heet. Ook zij hadden na de bevrijding te weinig jongens en vroegen ons dus bij hen te komen voetballen.

Superintelligente, keurige, goede humor

Onze buurt kende een rijk uitgaansleven. Mijn vader hield erg van theater en hij vond het prachtig om me mee te nemen. Als kind amuseerde ik me altijd verschrikkelijk. Je had de Hollandse Schouwburg, de Plantage, het Desmet-theater, de Hollandia-bioscoop en natuurlijk de Tip Top (waar nu het Vaupoleum staat) met z'n variété- en filmvoorstellingen. Alle grote artiesten van Amsterdam en Nederland traden hier voor de oorlog op. We hadden ook een heel aparte humor. Een scherpe, maar superintelligente, keurige, goede humor, met veel zelfspot. Zo'n jongen als Max Tailleur, daar liepen er honderden van in Amsterdam. Helaas is die humor helemaal weg. Als ik in de zaak iets vertel, een mop, dan blijven de mensen staan, ze weten niet wat ze overkomt. Kan jij mij één winkelier noemen in Amsterdam die nog wel eens een geintje maakt?
Ooit heb ik op mogen treden met Heintje Davids in een programma ten bate van de Hongaarse vluchtelingen, in het AMvJ-gebouw. Al zeg ik het zelf, ik had een hele leuke tenor en ik heb zelfs semiprofessioneel - overdag werkte ik bij Veenstra als metaalarbeider - operette gezongen bij Hennie Poelman, de moeder van Thérèse Steinmetz. We hadden een paar optredens per week. Verder heb ik gezongen bij de Skyliners, een Amerikaanse band onder contract bij Radio Bell. Met dat orkest ben ik anderhalf jaar op tournee in Amerika geweest. Genoten heb ik! Prachtig toch, het applaus en al die mensen in de zaal. Maar ik had toen al verkering en ik miste mijn Stientje. Na ons trouwen, in 1959, ben ik opgehouden met optreden en hebben we mijn moeders avondwinkel in de Manegestraat overgenomen.
Toen we in 1964 naar de Roetersstraat gingen, heb ik die winkel als snackbar achtergelaten, onder de hoede van mijn zusje. Wij zijn in de Roetersstraat opnieuw met een avondwinkel begonnen. Ik moest wel, want al mijn klanten uit de Weesperstraat verdwenen, omdat ze die gingen afbreken. In 1971 is de zaak in de Manegestraat dichtgegaan; de straat werd min of meer afgesloten voor de sloop van de Weesperstraat.
De gemeente heeft niks gedaan voor deze buurt. De Weesperstraat, dat was toch de trechter naar het hart van Amsterdam. Alle kooplui uit de omtrek kwamen door die straat, langs het Jonas Daniël Meijerplein en zo naar het Waterlooplein. Het was een levensader, die eigenlijk al begon bij de Danie Theronstraat aan het eind van de Wibautstraat en die met vertakkingen doorliep tot de Nieuwmarkt. Die Weesperstraat en alles er om heen had één groot museum had moeten zijn, maar men heeft het gebied bewust laten verpauperen en niet meer opgebouwd. De straat zelf, nu een snelweg met gebouwen als de Metropool, is onherkenbaar geworden. En dat doet pijn hoor. Ze hebben een levendige buurt gewoon met een gummetje weggevlakt.

Andere tijden, andere eetgewoonten

Mijn moeder maakte vroeger wat er zoal in de buurt werd gegeten. Gremselich bijvoorbeeld, een joods gerecht van verkruimelde matzes met eieren, rozijnen en amandelen, of gerechten met linzen, en gebakken vis. Op een avond gingen er een paar honderd gebakken bokkingen en panharingen doorheen. Die panharing maakte ze zelf. In een grote pan maakte ze een mengsel van azijn, suiker, wijn, kruidnagel, laurierblad en nog wat kruiden goed heet. De in roomboter gebakken haringen werden in de azijn met kruiden gelegd en na twee dagen trekken had je panharingen, zó lekker dat je er je vingers bij opat.
Nadat ik de zaak in 1959 had overgenomen, bakte ik nog zo'n 500 lekkerbekkies en bokkingen per dag, maar langzaam liep de verkoop van vis terug. De jeugd at liever patat en kroketten, dus heb ik het roer omgegooid. De leef- en eetgewoonten in deze buurt zijn veranderd. Maar ik denk wel eens als je eten net zo zou maken als vroeger, bijvoorbeeld linzensoep, dat je het niet zou kunnen aanslepen. Vrouwen besteedden vroeger toch veel meer aandacht aan het eten. Het is steeds meer een kant-en-klaar-consumptiemaatschappij geworden en de avondwinkel heeft zich aangepast. Collega's van me zijn helemaal overgegaan op delicatessen; daaraan verdien je het meest. Want je moet wél betalen hoor, voor een mooie strik om een zakje noten. Toch gaat het om de noten die erin zitten. Dit is geen buurt voor kreeften in een tonnetje, of kaviaar en uitgesneden zalm. Het scheelt maar een paar straatjes, maar zo’n zaak als Sterk op het Waterlooplein kan veel meer delicatessen verkopen dan ik. Bij mij worden de gewone huishoudelijke artikelen, koffie, thee, suiker, een wijntje en een biertje het meest gekocht. De rest is bijzaak.
Voor snacks gaan de mensen naar een echte snackbar, maar als ze toch bij me zijn nemen ze wel eens wat. Wij maken alles nog steeds zelf: gebraden kippetjes, gehaktballen, kroketjes, patat, slaatjes, saté- en knoflooksaus, cake, het is allemaal klassewerk. Gek eigenlijk, de voorbereiding neemt veel meer tijd dan de openstelling van de winkel. Het is natuurlijk makkelijker om fabrieksspul te verkopen, waaraan je trouwens ook meer verdient, maar als een klant met glimmende oogjes een kroket of een gehaktbal staat te eten, dan ben ik gelukkig.

Tussendoor een sociaal werker

In zo'n avondwinkel als deze ben je tussendoor ook een sociaal werker. Mensen lopen overdag
droevig rond en denken 's avonds: 'Kom, ik ga even bij Monnie langs, misschien weet hij raad. Dan praat ik met ze en de volgende dag lopen ze weer vrolijk rond. Kennelijk is het toch weer goed gekomen. Overdag zijn er hulpverleners zat, maar niet ‘s avonds en juist dan vliegt het je aan. Leuk toch, als je dan een gabber hebt die ergens een winkeltje heeft waar je binnen kan stappen. Heel wat mensen die er een eind aan wilden maken, heb ik zo van de dood afgehouden.
Ik heb nog altijd vreugde van m'n werk. Hier komt iedereen: mensen uit de buurt, maar ook buitenlanders en boeren en buitenlui die een dagje uit zijn. De een wil een fles wijn met Rembrandt op het etiket, de ander wil een pak roomboter in een doosje met Amsterdam erop mee naar huis. Het kan allemaal. Dit werk is een soort verslaving, omdat mensen 's avonds anders, beter gehumeurd zijn dan overdag. Natuurlijk krijg ik ook maffe en gestoorde mensen binnen. Vroeger pakte ik iemand die dronken was en komedie stond te maken bij kop en kont en zette hem eruit. De volgende dag kwam hij dan z'n excuses aanbieden. Tegenwoordig heb je die problemen met drugs. Wat dat betreft is er veel veranderd. Soms is het een gigantische puinhoop, maar ook wel een lekkere puinhoop. Het plezier overheerst nog steeds de ellende.
Mijn jongste zoon heeft kort geleden besloten de zaak over te nemen als ik er mee ophoud. Daar ben ik erg gelukkig mee, hoewel ik er altijd op tegen was dat een van mijn zoons de winkel zou overnemen, want een sociaal leven heb ik niet gehad. Dat hebben ze kunnen zien. Overdag werkte ik om mijn handel in huis te halen en 's avonds tot diep in de nacht in de winkel, en dat zes tot zeven dagen per week. Maar spijt heb ik nooit gehad, het was m’n roeping.'

Monnie en Stien Valvekens in de winkel, februari 1992. Foto: Yvonne Simons

Yvonne Simons
April 1992