Op 18 december 1936 schrijft Anne Frank aan haar oma in Bazel: “liebe omi, ich wünsche dir die herzlichsten wünsche zum geburtstag.” Anne was toen acht jaar en woonde al bijna drie jaar in Amsterdam. In 1933 hadden haar ouders, Otto en Edith Frank, een woning gevonden op de tweede etage van Merwedeplein 37 in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Ze waren hierheen verhuisd vanuit Frankfurt, waar na de overwinning van de nazi’s joodse kinderen niet meer naast niet-joodse kinderen mochten zitten in de klas. Het lukte Otto Frank om in Amsterdam een bedrijf te vestigen. Voor veel Duitse joden was buurland Nederland aantrekkelijk. Het was dichtbij, het was neutraal geweest tijdens de oorlog van 1914-1918, de taal en cultuur waren verwant. Het Nederlandse toelatingsbeleid was daarentegen allerminst ruimhartig. De circa 25.000 Duitse joden die Nederland binnen mochten tussen 1933 en 1938 waren overwegend bemiddeld.
De Franks vonden hun woning in Plan-Zuid, waar veel pas opgeleverde huizen te huur stonden. Voor Amsterdamse begrippen waren het luxueuze huizen, met centrale verwarming en warm water. Vooral Edith Frank had moeite om er te wennen. De driekamerwoning was kleiner dan ze gewend was, de zware meubelen uit Frankfurt pasten er nauwelijks in. De zolderkamer, met aparte trap maar zonder keuken of wc, werd verhuurd. Na 1933 kwamen er heel wat vluchtelingen op het Merwedeplein wonen. Sommige bewoners van de Rivierenbuurt klaagden dat men alleen nog maar Duits hoort in de tram.
Velen trokken weer verder, zoals de 21-jarige dienstbode Ruth Bineth uit Keulen, die in 1933 op Merwedeplein 33 huis woonde. Een jaar later emigreerde zij naar Palestina. De familie Frank bleef, Margot ging naar de Jekerschool (in de Jekerstraat) en Anne naar de Zesde Montessorischool (in de Niersstraat). Het gezin had hier een veilig heenkomen gevonden en Otto Frank schreef na de oorlog: “Wij konden toen een nieuwe start maken en ons vrij voelen.”
In december 1938 kreeg Omi in Bazel weer een verjaardagsbrief. Anne klaagt over de kou (min 8 graden Celsius) en vertelt over Chanoeka: “… es gab viel zu ‘snoepen’”. Chanoeka, het achtdaagse Lichtfeest in december, was een van de weinige joodse feesten die de Franks vierden. Ze gingen wel naar de liberale synagoge in de Tolstraat, tegenwoordig buurthuis Cinetol. Veel joodse tradities die Anne van huis uit niet kende, leerde ze kennen via haar vriendinnetjes, die overwegend afkomstig waren uit joods-Duitse gezinnen - liberaal, zoals de Franks, of orthodox zoals de familie Goslar. Bij Anne’s hartsvriendin Hanneli Goslar werd bijvoorbeeld ook het Loofhuttenfeest gevierd. Tijdens dit feest wordt ieder jaar in oktober stilgestaan bij het verblijf van de joden in de woestijn en bij de Goslars werd dan in de gang tussen de tuinen een hut gebouwd.

Verboden voor joden

Dat de joodse vluchtelingen ook in Amsterdam niet veilig waren, werd duidelijk op 15 mei 1940, toen Duitse soldaten over de Berlagebrug de stad binnenreden. In de eerste bezettingsjaren probeerden Otto en Edith hun zorgen verborgen te houden voor hun dochters. Maar steeds meer bepaalden de antisemitische maatregelen het leven. Het verbod op bioscoopbezoek door joden dat 8 februari 1941 inging betekende voor Anne een ramp. Andere restricties stuitten bij haar op verbluffende relativering. In juni 1941 schrijft ze: “Aan jongensgezelschap ontbreekt het mij niet. Om bruin te worden heb ik niet veel kans omdat wij niet in het zwembad mogen, dat is erg jammer, maar niets aan te doen.” Na de zomervakantie van 1941 moesten joodse kinderen naar aparte scholen. Anne en Margot gingen naar het Joods Lyceum aan de Voormalige Stadstimmertuin.
Op 5 juli 1942 kwam voor Margot de gevreesde oproepkaart voor een werkkamp. De volgende dag dook de familie Frank onder op Prinsengracht 263, in het achterhuis van het pand waar Otto’s bedrijf zat. Al maanden was hij bezig geweest het huis voor hen en de andere onderduikers, kennissen en zakenrelaties uit de Rivierenbuurt, in orde te maken.
De meeste joden op het Merwedeplein waren niet zo fortuinlijk. Het is niet bekend hoeveel joden er in totaal op het Merwedeplein hebben gewoond. Een lijst uit 1941 vermeldt 163 joden van buitenlandse afkomst, waarvan het merendeel, 154, uit Duitsland kwam. Op het in 2005 geopende virtuele monument www.joodsmonument.nlkan op naam, maar ook op stad en straat gezocht worden naar slachtoffers van de jodenvervolging in Nederland. Hier wordt pijnlijk zichtbaar hoe uit sommige straten en buurten met name in Amsterdam tientallen joden verdwenen zijn. De website, gebaseerd op gegevens uit 1941 die zijn verzameld door de Duitse bezetters én Nederlandse ambtenaren, telt 181 vermoorde Merwedeplein-bewoners. Van hen kwamen 142, twee derde deel, oorspronkelijk uit Duitsland en Oostenrijk. Uit ten minste 70 van de ongeveer 245 woningen op het plein zijn de bewoners weggehaald.

Schadepost

De familie Frank betrok als een van de eerste Duits-joodse vluchtelingen een huis op het Merwedeplein en was ook een van de eerste gezinnen die onderdoken. Otto Frank verwachtte dat ze na een jaar wel weer zouden kunnen terugkeren naar het plein. Hij bleef de huur doorbetalen tot de zomer van 1943, zo blijkt uit de administratie van de Bouw- en Exploitatiemaatschappij Hilwis, beheerder van veel woningen aan het Merwedeplein en de Noorder- en Zuider Amstellaan, sinds 1946 Churchill- en Rooseveltlaan. Ook andere joodse huurders betaalden door en kregen keurig een kwitantie.
De meeste onderduikers werden opgepakt. Erich Philippsohn bijvoorbeeld heeft de kwitantie voor de huur van april 1943 nooit ontvangen. Op 26 maart 1943 is hij op 36-jarige leeftijd vermoord in Sobibor, op dezelfde dag als zijn 33-jarige echtgenote Mathilda Philippsohn-Blog.
Nauwgezet hield de firma Hilwis de schade bij als gevolg van de “evacuatie van de Joden te Amsterdam”. Woningen stonden lange tijd leeg als de bewoners gedeporteerd waren. De deuren die met geweld ingetrapt waren door de jodenhalers moesten gerepareerd worden. De kolom schade vermeldt bijvoorbeeld: “voordeurslot en ruit Fl. 17,75” bij H. Grünbaum, huurder van Merwedeplein 45 eenhoog.
In augustus 1942 was een regeling getroffen tussen de Vereeniging van Huiseigenaars ‘Het Eigendomsrecht’ en de bank Lippmann, Rosenthal & Co, waar joden gedwongen hun kapitaal moesten onderbrengen. De onbetaald gebleven huur uit de periode tussen de ‘evacuatie’ van de huurder en de ontruiming van de woning kon worden voldaan uit het tegoed dat de huurder bij Lippmann had. Voor joden die geen rekening bij de firma hadden, werd de schade voor de huiseigenaar later vergoed uit de verkoop van hun meubilair. De Einsatzstab Rosenberg maakte lijsten van de inboedels, verhuisbedrijf Puls haalde de woningen leeg.
De afdeling Amsterdam van de Nederlandse Bond van Huis- en Grondeigenaren stuurde in de zomer van 1943 een circulaire rond. “Nu de wegvoering der joden vrijwel is beëindigd, kan men het ogenblik gekomen achten, waarop door de eigenaren van aan joden verhuurd geweest zijnde woningen, de eindafrekening opgemaakt kan worden.” Hilwis kwam tot de volgende cijfers tot en met september 1943: ƒ 16.390,68 huurschade en ƒ 27.090,68 extra onderhoudswerk.
Sinds het najaar van 1943 woonden op Merwedeplein 37 tweehoog andere mensen. Op 4 augustus 1944, iets meer dan twee jaar nadat hun onderduikperiode begon, werd de familie Frank samen met de vier andere onderduikers gearresteerd en gedeporteerd naar verschillende concentratiekampen. Otto overleefde als enige. Na de bevrijding ontmoette hij op het station in Auschwitz Elfriede Geiringer-Markovits, zijn vroegere overbuurvrouw op het Merwedeplein en haar dochter Eva. In 1953 hertrouwde Otto met Elfriede.