Hij heeft een bedachtzame blik onder die zwarte baret. Donkere ogen, nauwelijks wenkbrauwen en een ferme neus. Zijn uitstraling is jong voor iemand die – volgens het geschilderde jaartal 1533 – de 60 nadert. Het doek is gemaakt vlak voor of na zijn overlijden en waarschijnlijk gebaseerd op een eerder zelfportret. Hoe oud zal hij toen zijn geweest? Hoopte hij dat mensen vele jaren later nog zouden weten wie hij was?
33 jaar eerder verhuisde in het jaar 1500 een jonge kunstenaar uit Oostzaan naar Amsterdam. Hij kocht een huis annex werkplaats in de Kalverstraat ter hoogte van nummer 62, halverwege de Dam en het Sint Luciënklooster. Jacob Cornelisz (ca. 1475-1533) heette hij en hij zou uitgroeien tot de belangrijkste Amsterdamse kunstenaar van zijn tijd. De werkplaats ontwikkelde zich tot een bloeiend kunstbedrijf, waar diverse assistenten meehielpen met het maken van prenten, schilderijen, glasruitjes en geborduurd textiel voor religieuze gewaden. Zijn beroemdste leerling was Jan van Scorel (1495-1562), die later grote faam verwierf als een van de invloedrijkste renaissanceschilders in de Lage Landen.
Holland liep bepaald niet voorop in de schilder- en prentkunst vergeleken bij Vlaanderen, om van Italië nog maar te zwijgen. Toch werden er ook in de Middeleeuwen al kunstwerken geproduceerd in Amsterdam, maar het was nog niet gebruikelijk om eigen werk te signeren. Jacob Cornelisz deed dit wel: hij had zelfs een eigen logo, een gestrengelde W en een A. Dankzij dit merkteken is hij de eerste Amsterdamse kunstenaar die we bij naam kennen. Hoewel ‘kennen’? Wie weet nog wie hij was, buiten kringen van kunsthistorici?
In de 16de-eeuw was de naam Jacob Cornelisz tot ver buiten de landsgrenzen een begrip, maar in onze tijd is hij relatief onbekend. Daar komt nu verandering in. Als eerste is zijn beroemde plafondschildering in de Grote of Sint-Laurenskerk in Alkmaar gerestaureerd. Op 16 maart openen gelijktijdig twee tentoonstellingen in het Amsterdam Museum en het Stedelijk Museum Alkmaar. En er zijn allerlei activiteiten rond zijn persoon, zoals speciale ANWB-routes en een uitgebreide publicatie, waaraan meer dan 30 auteurs hebben meegeschreven. Amsterdams oudste (on)bekende kunstenaar maakt een serieuze comeback.

500 jaar geleden

Het aardige van alle aandacht voor Jacob Cornelisz is niet alleen de herwaardering van zijn werk, maar ook van de tijd waarin hij leefde. Dat is niet geheel overbodig. De Amsterdamse 16de eeuw heeft altijd een beetje klem gezeten tussen de Middeleeuwen en de spectaculaire 17de eeuw. Al geldt de Alteratie van 1578 terecht als een cruciaal moment in de Amsterdamse geschiedenis, de rest van die eeuw verdwijnt nogal eens uit het zicht. Ten onrechte, want er bloeide en broeide van alles.
Wie zich de wereld van Jacob Cornelisz wil voorstellen moet zo’n 500 jaar teruggaan in de tijd. Terug naar een Amsterdam waar geen fietsen of auto’s reden, waar nog geen grachtengordel bestond en waar iedereen die ertoe deed elkaar persoonlijk kende. Een klein, ommuurd stadje dat langzaam uitdijde rond een dam in de rivier de Amstel. Nog lang niet de wereldstad uit de volgende eeuw, maar ‘Aemstelledamme’ won al wel gestaag terrein als haven- en handelsstad. Vooral de handel met landen rond de Oostzee, onder andere in graan en hout, was lucratief. Ook scheepsbouwers, bierbrouwers, haringvissers en zeepzieders deden goede zaken. Maar tegen havenstad Antwerpen kon Amsterdam nog niet op.
500 jaar geleden was Amsterdam een door en door rooms-katholieke stad, die voor een groot deel bestond uit kerken, kapellen en kloosters. De opstand tegen de Spanjaarden was nog niet begonnen en er bestond officieel maar één geloof. Maar die rust was bedrieglijk.
De eerste tekenen van de reformatie dienden zich al aan. In 1523 werd de omstreden bijbelvertaling van Maarten Luther gedrukt in Amsterdam met illustraties van Jacob Cornelisz. Luther was toen al in de ban gedaan, dus zo’n uitgave was niet zonder risico. De drukker die dit aandurfde heette Doen Pietersz (ca. 1480-ca.1540). Hij werkte vaker met Jacob Cornelisz samen. Zo maakte hij maakte samengestelde afdrukken van de gedetailleerde houtsneden waarmee de schilder beroemd was geworden. De samenwerking wil niet zeggen dat Jacob Cornelisz lutherse sympathieën had, want niets in zijn werk wijst daarop. Het zegt wel iets over Amsterdam in die tijd. Het protestantisme was stilletjes maar onmiskenbaar in opmars.

Souvenirs voor pelgrims

Soms was de protestantse opmars verre van stilletjes. In 1535 (twee jaar na de dood van Jacob Cornelisz) bestormden 40 radicale wederdopers het stadhuis op de Dam. Pas na een nacht en een dag wisten de schutterijen het stadhuis te heroveren, een enorme vernedering. Dat vroeg om wraak. Eerst werden de in de strijd om het stadhuis gedode 28 wederdopers aan hun voeten opgehangen rond de galgenput op Volewijk. Daarna ondergingen de twaalf overlevenden het voor verraders gebruikelijke lot: hun hart werd levend uitgesneden en in het gezicht gesmeten. Onthoofd en voor de zekerheid ook nog gevierendeeld, werden hun resten als afschrikwekkend voorbeeld bevestigd aan de stadspoorten. Geen halve maatregelen tegen de ketters.
Een stuk vreedzamer nog was de stad 35 jaar eerder, toen Jacob Cornelisz zich in de Kalverstraat vestigde. 1500 was een Jubeljaar en het rooms-katholieke Amsterdam beleefde hoogtijdagen. Pelgrims trokken in dit heilige jaar naar Rome om een volledige aflaat voor hun zonden te verdienen. Wie Rome niet wist te bereiken, kon een jaar later voor afreizen naar Amsterdam of een ander door de paus aangewezen bedevaartsoord iets dichterbij huis – ook dat leverde een aflaat op. Deze regeling was uitermate gunstig voor Amsterdam. Van heinde en verre kwamen de pelgrims in 1501 naar de stad.
De status van bedevaartsoord was een uitstekende stimulans voor de economie van de stad en meer in het bijzonder voor Jacob Cornelisz. Al die pelgrims moesten ergens slapen, ze moesten eten en kochten souvenirs. Ook toen al. In die tijd geen aanstekers met cannabisblad, maar pelgrimsinsignes en religieuze prentjes. Jacob Cornelisz was beroemd vanwege zijn religieuze voorstellingen, zowel geschilderd als in prent. Hij maakte ze voor verschillende opdrachtgevers op groot formaat (dus kostbaar), maar ook klein en relatief betaalbaar. Vooral prentjes waren makkelijk te reproduceren en daardoor niet zo duur. Traditionele religieuze voorstellingen zoals de kruisiging, Maria met kind en de geboorte van Christus zijn terugkerende thema’s in zijn werk. En niet te vergeten: het Mirakel van Amsterdam.

Rijke opdrachtgevers

Het Mirakel zou bijna twee eeuwen eerder hebben plaatsgevonden, maar was in de 16de eeuw nog altijd van grote invloed op het dagelijks leven. Het verhaal wil dat in 1345 een doodzieke man die het sacrament der stervenden toegediend had gekregen, de hostie uitbraakte. Eenmaal in het vuur gegooid bleek de hostie wonderbaarlijk genoeg niet te verbranden. De priester bracht het gewijde ouweltje daarop naar de Sint-Nicolaaskerk (de huidige Oude Kerk), maar op onverklaarbare wijze verscheen het weer in het huis in de Kalverstraat. Dit gebeurde nog twee keer en toen was duidelijk: een mirakel! Op de plek van het wonder werd een kapel gebouwd, de Kapel ter Heilige Stede – en Amsterdam groeide uit tot een belangrijk bedevaartsoord, met de kapel als hoofddoel van alle pelgrims.
De werkplaats van Jacob Cornelisz lag vlakbij de Heilige Stede, waar ook prentjes van zijn hand werden verkocht. Wie wilde er nu niet een religieus plaatje van de meester van Amsterdam als aandenken aan zijn pelgrimstocht? Bovendien waren in de kapel schilderijen van Jacob Cornelisz te bewonderen, de beroemde Mirakeldoeken (ca. 1518), waarop het wonder in verschillende scènes verbeeld is. De Heilige Stede kwam in 1578 in protestantse handen (en werd herdoopt tot Nieuwezijds Kapel), maar de Mirakeldoeken hebben de Alteratie overleefd.
Aanvankelijk waren de opdrachten van Jacob Cornelisz vooral bestemd voor kerken en kloosters, maar net als op andere terreinen van het dagelijks leven werd de burgerij steeds belangrijker. Naarmate de machtspositie van de rijke burgers groeide, kregen ze meer zelfvertrouwen. Ze wilden niet meer alleen schilderijen van religieuze voorstellingen zien, maar ook hun eigen portret en dat van hun familieleden. En ze hadden het geld om een beroemd kunstenaar als Jacob Cornelisz aan het werk te zetten, dus waarom niet?

Groepsportretten

Vaak ging het in zijn werken voor particuliere opdrachtgevers nog om de combinatie van een religieuze voorstelling met wereldlijke elementen. Een van zijn belangrijkste schilderijen is de Geboorte van Christus en de familie Boelen, uit 1512. De rijke weduwe Margriet Boelen liet zichzelf en haar familieleden schilderen rond de heilige familie. Alsof ze met zijn allen op kraambezoek zijn in Bethlehem, in een ruimte die er meer uitziet als een paleis dan als een stal. Wat het schilderij extra bijzonder maakt is de achtergrond: een havengezicht. De toren aan het water lijkt sterk op de Schreierstoren (toch niet om de hoek bij Bethlehem). Het havengezicht is waarschijnlijk een verwijzing naar het Amsterdamse kartuizerklooster Sint Andries ter Zaliger Haven, waarvoor het schilderij bestemd was.
De bankier en humanist Pompeius Occo (1483-1537) ging een stapje verder. Hij gaf Jacob Cornelisz verscheidene religieuze opdrachten, waarin nu eens zijn familiewapen voorkwam, dan weer zijn portret en dat van zijn vrouw. Maar hij liet zijn eigen portret ook apart schilderen door Jacobs zoon Dirck (1496-1567), die het vak van zijn vader had geleerd en een meesterlijke portrettist was. Binnen de portretkunst creëerde Dirck Jacobsz een nieuw, typisch Hollands genre: het groepsportret. Een rot schutters uit 1529 staat bekend als het eerste schuttersportret, een voorloper dus van de Nachtwacht.
Ook Jacobs kleinzoon Cornelis Anthonisz (ca. 1505-1553) maakte veel niet-religieuze kunstwerken voor particuliere opdrachtgevers. Hij is vooral beroemd vanwege zijn Amsterdam in vogelvlucht (het schilderij in 1538, de houtsnede in 1544), de oudst bekende plattegrond van Amsterdam. Maar hij deed veel meer. Net als zijn oom Dirck Jacobsz maakte hij grote schuttersstukken. En ook hij gaf de aanzet voor een nieuwe vorm in de schilderkunst: zijn Braspenningmaaltijd (1533) is het eerste groepsportret waarbij de schutters aan de maaltijd zitten, een voorbeeld dat vaak is nagevolgd. De zoon en kleinzoon van Jacob Cornelisz hadden het ambacht weliswaar van hun (groot)vader geleerd, maar ze gingen wel mee met hun tijd.

In de vergetelheid?

Na het wederdopersoproer van 1535 leek de rust te zijn weergekeerd in Amsterdam. Maar niet voor lang, zo bleek. Met de Beeldenstorm van 1566 laaide het religieuze geweld weer in alle hevigheid op. Waarschijnlijk zijn toen (en ook bij later vandalisme) veel kunstwerken van Jacob Cornelisz vernield. Tijdens de Opstand die volgde bleef Amsterdam aanvankelijk trouw aan de katholieke Spanjaarden, maar daardoor raakte de stad steeds meer geïsoleerd in Holland. Tot 1578, het jaar dat het stadsbestuur zich aansloot bij de Opstand. Met deze Alteratie grepen de protestanten definitief de macht. De tijd van het katholieke Amsterdam was voorgoed voorbij. Ook de kunstwerken Jacob Cornelisz hoorden opeens tot een ander tijdperk, dat maar beter vergeten kon worden. Op de plek van de oude werkplaats in de Kalverstraat zit nu een kledingwinkel.