Op 28 april 1921 werd de analfabete zwerver Had-je-me-maar in de Amsterdamse gemeenteraad gekozen. Maar liefst 14.246 kiezers stemden voor zijn absurdistische programma, waarin hij onder meer pleitte voor ‘afschaffing van de kunst en wetenschap (die gaan toch ten onder)’, een ‘verbod op het dragen van klompen’ en ‘vrij visschen in het Vondelpark’. Tot een politieke carrière zou het voor Had-je-me-maar echter niet komen. Met behulp van een razendsnel aangenomen noodwet (wie veroordeeld was voor dronkenschap en landloperij mocht zich niet langer verkiesbaar stellen) werd hem zijn raadszetel onthouden.

Historicus Robin te Slaa legt uit hoe het zo ver kon komen. Met vlotte pen schetst hij de politieke situatie van de vroege jaren twintig en de strijd van de anarchisten tegen de stemplicht. Veel aandacht is er voor de rol van de markante kunstenaar Erich Wichman, een van de grondleggers van wat de Rapaille Partij zou gaan heten. Te Slaa zet hem neer als een briljante en onaangename man: een principieel alcoholist (‘water is slechts geschikt voor uitwendig gebruik en dan nog met mate’), die voor zijn lol ’s nachts in Amsterdam op katten jaagde.

In twaalf hoofdstukken toont De Rapaille Partijen overtuigend aan dat de verkiezing van Had-je-me-maar meer was dan een uit de hand gelopen grap. Met een zwerver in de gemeenteraad deden de anarchisten een doelbewuste poging om het vertrouwen in de parlementaire democratie te ondermijnen. Te Slaa eindigt met een interessante conclusie, waarin hij ook naar onze tijd kijkt: politieke protestpartijen bestaan immers nog steeds.


De Rapaille Partijen. Antipolitieke sentimenten 1918-1931
Robin te Slaa

Boom, €32,90, 448 blz.