Als de huisarts anno 21ste eeuw in de spreekkamer onze hele situatie in ogenschouw neemt, is dat mede te danken aan de tomeloze ijver van de Amsterdamse psychiater en sociaalgeneeskundige Arie Querido. Decennialang spande hij zich in voor de sociale geneeskunde en de ontwikkeling van de 'huisartsgeneeskunde' binnen de opleiding tot arts. Als onderzoeker bij het Instituut voor Sociale Geneeskunde aan de Herengracht kreeg ik in 1975 de opdracht zijn ideeën verder uit te werken.
Arie Querido was de man met brains, de man met brede ideeën. Hij had van het instituut een broedplaats voor vele verbeteringen in de medische zorg gemaakt. Uit de sociale geneeskunde is de huisartsgeneeskunde ontstaan, het gezondheidsrecht, de epidemiologie, de medische statistiek, de medische ethiek, de ziekenhuiswetenschappen – te veel om op te noemen.
In zijn strijd voor de erkenning van de sociale aspecten van de gezondheidszorg vond hij twee beroemde Amsterdamse artsen aan zijn zijde: Ben Sajet (1887-1986) en Ben Polak (1913-1993). Als 'Dokter Sajet' was de eerste vanaf 1923 bijna veertig jaar lang een vaste verschijning in de Amsterdamse gemeenteraad, voor de SDAP, later de PvdA. Polak was van 1945 tot 1953 raadslid voor de CPN (en twee jaar wethouder Gemeentebedrijven). Ook hij was huisarts, met een grote en kleurrijke praktijk van ruim 5000 patiënten, onder wie vele prominente intellectuelen en kunstenaars.
Querido, Sajet en Polak waren door hun eigen praktijk en hun huisbezoeken meer dan bekend met de diepe armoede en ellendige leefsituatie van veel van hun patiënten. Querido was de wetenschapper, de onderzoeker en de schrijver; Sajet was, ook in zijn nadagen, fanatiek in onderwerpen als onderwijs en de zorg voor blinden en bejaarden. Querido was een autoritaire man, klein van stuk: in een openbare discussie met Ben Sajet wilde hij beslist op een niet zichtbaar verhoginkje staan. Hij was fel. Maar de andere twee niet minder en vandaar dat er over de gezondheidszorg heftige discussies werden gevoerd.

Casus 12

Arie Querido studeerde in Amsterdam geneeskunde, tussen 1918 en 1926. Hij specialiseerde zich in de psychiatrie in de Leidse inrichting Endegeest te Oegstgeest. Er was met de psychiatrische zorg daar van alles mis, vond hij. "De diagnose was alles, de therapie een achteraan hinkende gedachte." Hij had meer belangstelling voor wat er ná de diagnose gebeurde, voor de begeleiding van patiënten die uit inrichtingen waren ontslagen – wat tegenwoordig de ambulante geestelijke gezondheidszorg is.
Zijn nieuwe ideeën kon hij in praktijk brengen toen hij in 1931 werd aangesteld bij de 'Afdeeling voor Zenuw- en Geesteszieken' van de GGD Amsterdam, vanaf 1933 als hoofd. In die jaren werden mensen aan de onderkant van de samenleving nog gemakkelijk weggezet als 'onvolwaardigen', genetisch ongeschikt voor een nuttige rol in de samenleving.
Hij schreef een rapport over het leven van de 'asociale' Amsterdammers in Zeeburgerdorp, een straatje aan het eind van het Zeeburgerpad, bestemd voor gezinnen die door wanbetaling of overlast geen woning meer konden krijgen.
Neem 'Casus 12 uit Zeeburgerdorp': "Gezin met elf kinderen van 24-7 jaar. Man is los werkman, dikwijls werkloos. Vier kinderen brengen iets in, als leerjongen, fabrieksarbeider en dienstbode. Het gezin wordt herhaaldelijk ondersteund. De man komt een á tweemaal per week dronken thuis. Zijn vader was een dronkaard, twee broers zijn beroepsmisdadigers. Hij bemoeit zich nooit met zijn gezin. De vrouw kan niet tegen het huishouden op, kan niet met geld omgaan, beleent alles, snoept graag, is veel bij de buren. Zij is analfabeet. De kinderen zijn bandeloos, er is veel schoolverzuim. De vader en twee zoons werden wegens diefstal veroordeeld. Het geheel is vuil en rommelig, niet uitgesproken armelijk."
Het was Querido duidelijk dat de ellende niet werd veroorzaakt door 'genetische' factoren, maar door maatschappelijke omstandigheden, armoede, ziekte, werkloosheid, drankmisbruik. Daaraan moest worden gewerkt – maar niet iedereen zag het zo, ook niet in Querido's eigen partij, de SDAP.

Ziekenfonds

Na de oorlog kon Querido de problematiek van individuele patiënten in breder maatschappelijk verband aanvatten. Hij werd in 1949 directeur van het Bureau Openbare Gezondheidszorg, een nieuwe en zelfstandige gemeentedienst. In die jaren woedden er een levendige discussies over de stedelijke gezondheidszorg, bijvoorbeeld over de vestigingsplaats van een hoognodig, nieuw academisch ziekenhuis. Querido vond dat mensen in hun vertrouwde omgeving behandeld moesten worden en dat zo'n ziekenhuis dus midden in de stad moest staan, liefst op het terrein van het Wilhelmina Gasthuis. Het raadslid Ben Sajet pleitte er juist voor om aan de rand van de stad op grote schaal een nieuw ziekenhuis te bouwen. Patiënten werden dan weggestuurd naar "een witte olifant in niemandsland", reageerde Querido..
Ook over de positie van huisartsen en de huisartsenzorg liepen de debatten hoog op. Het was ook crisis in de beroepsgroep. Door de komst van het Ziekenfonds in 1941 was er een grote verschuiving in de patiëntenlast. Tot dan toe was de geneeskundige zorg van de stad in feite armenzorg: de gemeentelijke ziekenhuizen waren gericht op hulp aan de 93.000 'geneeskundig bedeelden' in de stad, mensen die niet voor hun zorg konden betalen. Met het Ziekenfonds waren al die patiënten opeens verzekerd. Zij hoefden zij zich over betaling minder zorgen te maken en konden dus 'gewoon' naar de dokter. Zo kwamen ruim 80.000 van hen als ziekenfondspatiënt op het bordje van de huisarts terecht. Overvolle spreekuren waren het gevolg.
De huisartsen kampten met nog een probleem: zij hadden weinig in de melk te brokkelen. Hun opleiding – door ziekenhuisspecialisten – sloot slecht aan op de huisartspraktijk. Veel specialisten hadden een negatief beeld van het werk van de huisarts: te weinig medische kennis, te weinig niveau. Huisartsen hadden niks te zeggen op de academie, niks in de ziekenhuizen, ze waren individuele artsen 'tussen het volk'.

Overbelast

Sajet en Polak kregen als raadsleden de schokkende uitkomsten onder ogen van een onderzoek naar de positie van huisartsen in Engeland bij de invoering van de National Health Service (1948). De gratis nationale gezondheidszorg in Engeland was een enorm succes, maar huisartsen raakten er en masse door overbelast. Sajet en Polak vroegen wethouder Anne in 't Veld om een soortgelijk onderzoek in Amsterdam. Het Bureau Openbare Gezondheidszorg van Arie Querido ging aan de slag. De uitkomst: ook onder de Amsterdamse huisartsen waren de problemen groot: onvoldoende scheiding van privéwoning en praktijk door het ontbreken van een wachtkamer, te veel ziekenfondspatiënten, gebrekkige administratie. Het rapport leidde tot verbetering in de huisvesting van artsen. Voor het eerst werd het mogelijk, met overheidssteun, een groepspraktijk te beginnen. De wens van Sajet en Polak: artsen in overheidsdienst, werd niet vervuld.
Querido ging verder. Hij wist wat de artsenopleiding miste: er was geen plek voor de sociale en maatschappelijke kanten van de patiëntenzorg. Die moest er komen. Alleen als ze mee lopen met de huisarts leren nieuwe artsen in spe wat sociale geneeskunde is. Dat is de manier om met die maatschappelijk zaken kennis te maken.
De sociale geneeskunde moest haar plaats binnen de medische opleiding bevechten, en dat ging niet vanzelf. Querido was sinds 1951 weliswaar buitengewoon hoogleraar sociale geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam, maar zijn positie was niet sterk. Hij had een klein kamertje in de Derde Helmersstraat, buiten het ziekenhuis. Hij onderzocht hoe huisartsen patiënten doorverwezen, de zwangerschapszorg en de schoolartsendienst. In 1960 werd hij fulltime hoogleraar.

Succes

Zijn werk was al snel succesvol. In 1965 kwam er het nieuwe Instituut voor Huisartsgeneeskunde binnen de UvA. De drijvende kracht werd Ben Polak. Hij was de aangewezen persoon, niemand in de Amsterdamse gezondheidszorg kon om hem heem, hij had een grote praktijkervaring en was zeer maatschappelijk betrokken. Met 5000 patiënten in zijn praktijk van allerlei komaf was hij bovendien een grote 'toeleverancier' voor de specialisten in de ziekenhuizen. Die hadden dus wel oren naar zijn boodschap, al was het maar vanwege de omzet die hij bracht.
Ik bezocht hem eens thuis, aan de Keizersgracht 13 ("Waarom mogen communisten niet aan de gracht wonen?"). Hij was net terug van een studiereis naar Parijs. Hij zei: "Gisteren ben ik naar een peepshow geweest. Het gaatje zat wel hoog, dus ik moest op mijn tenen staan. Je moet toch op de hoogte zijn van de nieuwste maatschappelijke ontwikkelingen."
De eerste jaren onderzocht Polak hoe de huisartsgeneeskunde binnen de universiteit een plaats moest vinden. Hij ging zelf onderwijs geven aan gemotiveerde studenten, buiten het curriculum en buiten werktijd. In 1977 werd hij hoogleraar – opmerkelijk, omdat hij een trouwe CPN'er was, en omdat hij niet gepromoveerd was. Zijn bevindingen klinken nu volkomen vanzelfsprekend: studenten moeten in de huisartspraktijk leren hoe de meeste mensen hun gewone medische zorg krijgen. Ze moeten kennis maken met een zorgverlening die niet gericht is op 'het geval', maar op de zieke mens. Sindsdien bestaat er in het zesde studiejaar van de studie een verplicht co-assistentschap huisartspraktijk. Dankzij het werk van Querido, Polak en Sajet heeft de huisarts een niet meer weg te denken en vanzelfsprekende plaats in de gezondheidszorg gekregen, net als de bedrijfsarts, de jeugdarts en de verslavingsarts.

Slot

Ben Sajet nam in 1962 afscheid van de Amsterdamse gemeenteraad. Huizen, pleinen en parken zijn naar hem vernoemd, sinds 2016 is er een Ben Sajet Centrum voor nieuwe zorgpraktijken. Ben Polak heeft een brug 'gekregen': brug 258, in de Roetersstraat over de Nieuwe Prinsengracht. Arie Querido ontving op latere leeftijd nog een enkele prijs en erelidmaatschap, maar eigenlijk herinnert alleen HVO-Querido aan hem, een Amsterdamse voorziening voor hulp aan mensen met psychosociale en psychiatrische beperkingen, aan de inzet die Querido getoond heeft.