In februari 1910 waren de buitenissige globetrotters het gesprek van de dag. Zo liepen twee Italianen met een ton de wereld rond. In januari kwamen ze vanuit België Nederland binnenrollen. Een groepje Amsterdammers vroeg zich af waarom Nederlanders niet zo’n ‘excentriek stukje’ konden uithalen.  

Al pratend werd het idee geboren om Roode Karel, een Jordanees, met een blok aan zijn been van Amsterdam naar Parijs te laten lopen. Als hij de tocht tot een goed einde bracht zou hij 300 gulden verdienen. Onderweg zou hij leven van de verkoop van briefkaarten met zijn portret. Karel was direct voor het plan te vinden.  

De Jordanees, voluit Karel Cornelis Johannes Pieters, was 47 jaar oud en woonde in de Eerste Goudsbloemdwarsstraat. Hij was van beroep afwisselend bierhuishouder, werkman en venter, een forse man met een ‘fellen rooden kop’ en een stem ‘die het behangsel van een kamer deed schudden’. Vanwege zijn rode haar ging hij door het leven als ‘Roode Karel’. Hij verdiende zijn bijnaam niet alleen door zijn haarkleur, maar ook door zijn liefde voor alcoholische dranken. Karel zat het allerliefst in het café. Een journalist die hem kwam interviewen over de voorgenomen tocht vroeg of hij ‘in zijn dagelijks werk veel te loopen had’. Karel reageerde minachtend ‘Werk?... Werken?...’, waarna de journalist maar snel op een ander onderwerp overstapte.   

Strooibiljetten  

Voor zijn vertrek werden er de nodige voorbereidingen getroffen. Er werden strooibiljetten gemaakt om zijn vertrek aan te kondigen. De tekst luidde: ‘Mirakel!!! Nieuw! Nieuw! Wandeltocht door!!! Karel Pieters, bijgenaamd de Roode Karel. Deze persoon zal een wandeltocht ondernemen met een blok aan zijn been, gelijk reeds in Frankrijk is geschied met een persoon met een ton aan zijn been.’   

Er werd een houten rol gemaakt met een gewicht van 12 kilo – het gewicht werd officieel bij de gemeentelijke waag te Leiden vastgesteld. Vervolgens werd het ding met een ijzeren ketting en een leren riem aan de rechter enkel van Karel vastgemaakt. Karel kreeg een oranje sjerp om zijn lijf en 13 februari 1910 vertrok hij om twaalf uur ’s middags uit het café van een bevriende kastelein richting Parijs.

De reclame voor Karels tocht had het gewenste effect. ‘Groot en klein waren samengestroomd om getuige te zijn van het vertrek van Karel Pieters,’ schreef De Tijd. De mensenmassa groeide zo sterk aan dat de politie extra mensen moest inzetten. Het werd dermate druk dat de politie Karel dwong te vertrekken. Toen hij dan eindelijk het café verliet klonk er een oorverdovend hoera waarbij Karel minzaam met zijn pet wuifde naar de toeschouwers.  

Onderweg werd het drukker en drukker. Op de Brouwersgracht werden kinderen en vrouwen jammerend en krijsend onder de voet gelopen. De politie greep in en Karel werd meegenomen naar het politiebureau. Om nieuwe problemen te voorkomen werd hij na een uur met een rijtuig naar de grens van Amsterdam gebracht. Honderden mensen holden achter het rijtuig aan.   

Eenmaal buiten Amsterdam ging Roode Karel op weg naar Haarlem. De ketting aan het blok was niet al te betrouwbaar en liet regelmatig los. Omstuwd door een grote mensenmassa bereikte Karel om zeven uur in de avond het dorp Halfweg. Daar werd de ketting hersteld en zette hij de andere ochtend zijn tocht naar Haarlem voort. Om vier uur ’s middags wandelde hij omstuwd door ‘een talrijk belangstellend straatpubliek, waaronder vooral de jeugd goed was vertegenwoordigd’ Haarlem binnen.   

Heden ter bezichtiging  

In Den Haag was de situatie niet anders. Karel had zich daar geïnstalleerd in een café in de Prinsestraat. Op de ramen waren reclamebiljetten geplakt met de mededeling dat Karel ‘heden ter bezichtiging’ was. Buiten stonden drommen nieuwsgierigen zijn vertrek af te wachten.  

In Dordrecht moest hij zijn reis onderbreken. Zijn blok was gebroken en zijn briefkaarten, zijn belangrijkste bron van inkomsten, waren op. In afwachting van nieuwe kaarten installeerde Karel zich in het Maastrichtsch Bierhuis. De kaarten lieten echter lang op zich wachten, waarop hij zijn blok in Dordrecht achterliet en terug wandelde naar Amsterdam. Ondanks deze tegenslag gaf Karel niet op. Begin maart liet hij een advertentie zetten. Onder de kop ‘Komt Komt’ meldde hij dat hij omstreeks 9 uur ’s avonds vanaf het Koningsplein opnieuw via Dordrecht naar Parijs zou vertrekken.   

Vanuit Dordrecht ging het via Papendrecht, Sliedrecht, Gorinchem en Breda naar België. Overal was de belangstelling enorm. In het plaatsje Wijneghem bij Antwerpen werd zelfs een klein kind in de drukte vertrapt en kwam te overlijden. Via Brussel en Lille kwam Karel op 9 mei 1910 aan in Parijs. Onderweg sliep hij waar het uitkwam. Hij kroop in hokken en schuren en lag soms gewoon aan de kant van de weg. ‘Me kop in me jas en dan maar maffe. Er was van mijn toch niks te gappe.’  

In Parijs bleef Karel welgeteld één dag, hij wilde niet langer blijven. ‘’t Was ‘t gevaarlijk, wat! De ottermobiele reje gemoedereerd over me blok heen. Om een straat over te steke had ‘k anderhalf uur noodig.’  

Levensles in persoon 

Begin augustus was de Amsterdammer weer in Nederland waar hij in Rotterdam werd geïnterviewd. Het bleek dat Karels blok door al het slepen 7 pond lichter was geworden en hij zelf door het goede leven minstens 70 pond zwaarder. Hij vertelde dat hij over belangstelling niet te klagen had gehad. ‘Overal liepe de minse uit, duizende minse overal. Goed hè. He’k aanzichtkaarte verkocht, twee centen stuk.’  

Ook in België en Frankrijk wist hij zich met steenkolen Frans te redden en verkocht hij zijn kaarten onder het uitroepen van ‘Bin Ollandee’ voor ‘kaat mille franks’ en ‘deu soes de kart’. Via Haarlem arriveerde hij onder grote publieke belangstelling weer in Amsterdam. Karel had niet alleen de langste kroegentocht ooit gemaakt, hij had de weddenschap gewonnen en incasseerde zijn 300 gulden.   

De symboliek van een man met een blok aan zijn been werd ook in 1910 herkend. Een columnist schreef dat je op straat elke minuut honderden van dergelijke (getrouwde en ongetrouwde) mannen voorbij zag komen. Het enige verschil was dat Karels blok goed zichtbaar was en dat hij er een mooi geldbedrag mee verdiende. Al die andere mannen ‘sjouwen hun blok gratis van hier naar de eeuwigheid’.

Er verscheen zelfs een aan Karel gerichte ‘open brief’ in de Delftsche courant. Met een vette knipoog benadrukte de auteur de tragische symboliek van Karels tocht. Lopen we immers niet allemaal rond met een blok aan ons been? ‘Gij, Karel, kaerel! hebt hier zichtbaar en tastbaar gemaakt hetgeen steeds voor ons oog verborgen bleef en toch zoo drukkend zich deed voelen. (…) waar ik U zie trekkebeenen met het blok rollend achter u aan, daar zie ik de menschheid gaan. Gij, (...) gij zijt het vleesch geworden begrip des menschelijken levens. En nog méér zijt ge: ge zijt een eeuwige moraal, een kostelijke levensles-in-persoon, want van U kunnen we leeren om het blok aan ons been met blijmoedigheid en tevredenheid te dragen en er zelfs op z'n tijd een slaatje uit te slaan.’

Winterswijk

De tocht was Karel blijkbaar uitstekend bevallen, want in september 1910 deed hij opnieuw mee aan een weddenschap. Ditmaal moest hij naar Rome lopen. Op zijn borst droeg hij weer een oranje sjerp, op zijn rug een zak met twee paar nieuwe schoenen en aan zijn been het vertrouwde blok. Als hij de stad binnen een jaar wist te bereiken kon hij 500 gulden verdienen.

De tocht begon in een kroeg aan de Weesperzijde. Na ‘de noodige hartversterkingen naar binnen geslagen te hebben’ vertrok Karel ‘omstuwd door vele belangstellenden’. Grote vorderingen maakte hij niet want hij zat vóór de Schollenbrug alweer in een café en bezocht ‘vóór het passeren van den spooroverweg nog twee herbergen’.

Hij kreeg de vraag of hij zijn route al had uitgestippeld. Dat bleek niet het geval: ‘Och nee hè; tusschen Keulen en Parijs leit de weg naar Rome, zeg ik maar.’ Karel ging dan ook niet bepaald in een rechte lijn op zijn doel af. Hij werd op verschillende plaatsen in het land gesignaleerd. Zo dook hij eind oktober op in Winterswijk. ‘De man is bepaald verdwaald’, constateerde men daar droogjes.

Daarna werd het stil rond Karel Pieters. Alle wegen leiden naar Rome, maar wellicht wist Karel de weg naar Amsterdam toch het makkelijkst te vinden.