Wie in 1937 de Leidsestraat uitkomt en niet in de etalage blijft kijken van modehuis Maison de Vries op de hoek, ziet een van de grootste en drukste pleinen van de stad. Trams en auto's gaan alle kanten uit, er zijn sinds een paar jaar wel verkeerslichten, maar mensen steken dwars over, de knecht van pleinslagerij Kouwenberg fietst je haast omver. "Ik bel toch, stommerd!" Op de hoek van de Korte Leidsedwarsstraat wordt naast het politiebureau de laatste hand gelegd aan café 't Swarte Schaep, waarmee Nicolaas Kroese zijn oud-Hollandse horeca-imperium begint.

De auto's slaan linksaf richting het Kleine-Gartmanplantsoen, langs café Moderne, waar nette mensen hun trouwreceptie geven. Het ligt bijna verscholen achter het gebouwtje van de KLM: '30% prijsverlaging retourbiljetten Amsterdam-Londen' staat er groot. De bus naar Schiphol wurmt zich door de menigte langs dancing Caramella en kunstenaarssociëteit De Kring. In de dancing klinkt de foxtrot, in de sociëteit worden de kaarten geschud, klotsen de biljartballen en roddelen de leden op luide toon over medekunstenaars. Vorig jaar waren Kringleden als Hildo Krop, Jo Voskuil betrokken bij de eerste antifascistische tentoonstelling D.O.O.D., voluit De Olympiade Onder Dictatuur. Zij spraken zich daarmee uit tegen de Olympische spelen in Berlijn. En dan staat daar majestueus hoog en ultramodern het op 29 oktober 1935 geopende Citytheater, met de nieuwste films. Een bioscoopje pakken is er een belevenis, met bars en levende muziek.

Druk tingelend kruisen trams elkaar op het Leidseplein, langs de Stadsschouwburg rijden ze de Marnixstraat in. Ook bij het toneel heeft de economische crisis toegeslagen. Het kost moeite publiek te vinden en veel subsidie wordt er niet gegeven. Natuurlijk, Albert van Dalsum is een geweldige acteur en toneelleider, maar van zijn antifascistische stuk De Beul waren twee jaar eerder vooral NSB-relletjes gekomen en hij was maar weer gauw voorstellingen gaan spelen van de thriller Het Chinese Landhuis om de financiën op peil te brengen.

Cabaret

Lijn 1 rijdt rechtdoor het centrum uit langs Hirsch, passeert de Leidsekade met rechts het Americain, waar op de trappen de schrijvers Martinus Nijhoff en Eddy du Perron een keer gevochten hebben, op een koude winteravond in december 1931. Links ligt aan het water het mooie terras van het Lido. En dan gaat de tram over de nieuwe, brede brug die architect Piet Kramer ontworpen heeft naar het Leidsebosje, gedomineerd door het sombere gebouw van het Gemeentelijke Energiebedrijf, het net geopende Persilhuis (voorheen een pianohandel) en de Koepelkerk. De tram maakt een knarsende draai naar rechts bij het AMVJ-gebouw, met zijn hotelkamers, sportzalen en zwembad waar de Olympisch kampioen Johnny Weismuller nog getraind heeft in 1928.

Maar we keren om. Terug naar het kleine pleintje rechts naast de uitgang van de Leidsestraat. Er staan auto's geparkeerd. Er is het café Reynders met zijn biljart, daarnaast visboer Rienstra, bij wie dit jaar op de bovenverdieping een restaurant wordt geopend: de Oesterbar. Er zit beweging in het plein. Nee, niet in De Zuil, waar ze nog tientallen jaren grafstenen blijven verkopen, maar in de nieuwe broodjeszaak Populair van Ko Kulderij. Net geopend en nu al bekend als Broodje van Kootje. En ook in het theatertje dat er een paar jaar geleden is gekomen na een grondige opknapbeurt van verenigingsgebouw het Cornelius Broerehuis door architect Henri le Grand: het Leidseplein Theater met 345 plaatsen. We stappen er binnen op het moment dat er cabaretgeschiedenis wordt geschreven.

Wie hier in 1937 komt, hoort bij de culturele voorhoede, is een liefhebber van modern cabaret. Het woord cabaret slaat meer op het theatertje zelf dan op een theatergenre. Een cabaret is klein en intiem, met een laag podium. Er wordt veel gelachen en gezongen, verkledingen en decors zijn er weinig en alles draait er om de kunst van de geestige cultuurkritiek en scherpe tijdsbeschouwing. Het genre stond een tijdje stil, maar Louis Davids trok het weer uit het slop. Hij had zomers een cabaret in Scheveningen met beroemde buitenlandse namen en nu wilde hij 's winters ook een vaste plek. Die vond hij in het Leidseplein Theater.

Neutraal?

Cabaretavonden, kleine revuetjes en operettes stonden er op het programma. De directeur/eigenaar voorvoelde dat het Leidseplein de rol van het Rembrandtplein als uitgaanscentrum ging overnemen en opende op 1 september 1933 zijn deuren. Davids trad er op, maar haakte na een jaar om gezondheidsredenen af. Fien de la Mar bracht er een blijspelletje en daarna kwamen er voor Hitler gevluchte Duitse cabaretiers. In cabaret Ping Pong zat de leuke Géza Weiss en de indrukwekkende zangeres Dora Gerson. Maar dat die Duitse artiesten ook iets wilden zeggen over wat er in Duitsland gaande was, werd minder gewaardeerd. Nederland was neutraal en zij waren gasten.

Davids haalde ook de beroemde Berlijnse cabaretier Rudolf Nelson naar het Leidseplein Theater. Hij kreeg de handen op elkaar, omdat zijn programma niet bestond uit wat losse artiesten die hun nummertjes brachten. Ze vormden een goed ensemble, met heel mooie zangeressen, goeie teksten en prachtige muziek begeleid door de componist aan de vleugel. Maar over politiek hadden ze het niet.

Voor politiek engagement moest je bij Erika Mann zijn en haar cabaret Die Pfeffermühle, die in 1935/36 in dit Leidseplein Theater een enorme indruk maakte. Geestig, intelligent, vol overtuiging, spannend, serieus, zo'n cabaretprogramma had Amsterdam nog nooit gezien. Gericht tegen het opkomende fascisme zonder het woord uit te spreken. Alle spot verscholen in zachte ironie, sprookjes, verhalen en toespelingen. Kritiek leveren zonder iets te zeggen. Zó moest het, dacht de jonge acteur en tekstschrijver Wim Kan, die in de zaal zat met zijn jonge vrouw, de bekende revuespeelster Corry Vonk, zó iets wilde hij ook maken: geestig, betrokken, intelligent.

ABC Cabaret

In augustus 1936 sloeg het ABC Cabaret in het Leidseplein Theater een nieuwe bladzijde op in de Nederlandse cabaretgeschiedenis. De bekende acteur Louis Gimberg trok de kar samen met Corry Vonk, maar de eigenlijke kracht achter het programma was de 25-jarige Wim Kan, die de conferences voor Gimberg had geschreven en vrijwel alle andere teksten.

Zijn teksten waren satirisch en scherp en gaven uiting aan maatschappelijke betrokkenheid en een modern levensgevoel en ze behandelden vooral morele kwesties op een leuke manier. Voor Corry schreef hij voordrachten en liedjes die onvergetelijk werden.'t Konijn is dood, 't lag vanmorgen zo ineens dood in z'n hok... wat zou dat nou eigenlijk zijn? Morgen koop ik een nieuw konijn. Wim Kan werd snel bekender en bekender en groeide uit tot de eerste Nederlandse politieke cabaretier. Dat gebeurde allemaal in het Leidseplein Theater.

En nu verlaten we het jaar 1937 en gaan we kijken naar de toekomst van die plek op het Leidseplein. Het theatertje kende goede en slechte tijden. De cabaretière Martie Verdenius stapte in de voetsporen van Erika Mann en bracht er het eerste vrouwencabaret met de geniale Fien de la Mar. Toen de oorlog uitbrak, zakten eerst de bezoekersaantallen, maar al snel zocht men in het veilige donker van het theater ontspanning en tegenspanning. Fien de la Mar herdacht het bombardement op Rotterdam: De bakker brengt het brood van puin tot puin. De postbode vergist zich in de straat... De Duitse bezetter begon in 1941 de Joden op een zijspoor te zetten en dat spoor zou uiteindelijk naar de vernietigingskampen leiden.

Grote drie

Directeur Van Dijk van het Leidseplein Theater had een vaste bespeler die revuetjes bracht met jonge artiesten. Hij vroeg f 75,- zaalhuur van deze Carl Tobi, die vond dat veel en klaagde bij de Kultuurkamer. Van Dijk moest opdraven met de administratie. De dagkosten van het theater bleken f 40,- te zijn. Waarom dan zoveel gevraagd aan Tobi? Omdat hij hem eigenlijk niet hebben wilde, zei Van Dijk, bij Tobi komen nooit meer dan 100 bezoekers. Met een andere bespeler zou het theater veel beter draaien. Zulk soort geschillen hield de Kultuurkamer vooral bezig. Haar taak om het nationaalsocialistische gedachtegoed ook in de kunsten te propageren, raakte er door ondergesneeuwd.

In een van die slecht lopende programma's van Carl Tobi debuteerde een komische Limburger met een imitatie van de grote clown Buziau. Toon Hermans was zijn naam. In het najaar van 1943 schoten de cabaretondernemingen uit de grond. Wim Ibo leidde de succesvolle groep De Jonge Nederlanders en Cabaret de Koplamp, maar de grootste verrassing kwam op 2 december 1943 met de première van het programma Alleen voor Dames van Wim Sonneveld met Conny Stuart, Lia Dorana en Hetty Blok.

De grote drie van het naoorlogse cabaret, Wim Kan, Toon Hermans en Wim Sonneveld, ze debuteerden allemaal in het Leidseplein Theater en bleven er ook lang spelen. Pas toen Wim Sonneveld en Piet Meerburg in de Marnixstraat het Nieuwe de la Mar Theater begonnen – het zijn inmiddels de jaren vijftig – gingen Kan en Sonneveld vooral daar spelen en was de tijd van het Leidseplein Theater voorbij. De laatste cabaretier die er debuteerde was Sieto Hoving met zijn cabaret Tingel Tangel.

Stand-upcomedy

Het theater veranderde in een moderne bioscoop. Er was geen voordoek, maar een harmonicawand met een foto van een sneeuwlandschap. Na de opening in 1958 werd de nieuwe cinema al gauw het podium van de meer toegankelijke Franse meesterwerken. Le mépris van Jean-Luc Godard met Brigitte Bardot, maar ook een Britse komische film als Morgan, a suitable case for treatment kan menigeen zich nog herinneren. En dan was er Easy Rider, de film waar de Pleiners zich aan laafden in 1969. De eigenzinnige operateur Pieter Goedings gaf studenten van de Filmacademie de kans hun filmpjes in het voorprogramma te draaien, maar bracht ook een seksfilmfestival waarvoor men zelfs uit Duitsland kwam. Hij nam de kuierlatten toen Piet Meerburg van het De la Mar de exploitatie overnam en er een wat commerciëlere koers wind ging waaien. Goedings richtte The Movies op en ging daar zijn eigen koers varen.

De bioscoop verdween in 1984. Een projectontwikkelaar kocht het gebouw, blij met de drankvergunning die er op rustte, want zo kon hij er de discotheek Club Bios vestigen, die daarna de Cash-disco werd, maar z'n naam niet waarmaakte. De curator sloot de zaak en toen een groep Amerikaanse cabaretiers er een half jaar later introkken, stonden de halflege bierglazen nog op de tap. Kill disco, build theatre werd de leus van Boom Chicago. Een gezelschap improviserende Amerikaanse acteurs die een nieuwe theatervorm brachten, iets tussen cabaret en stand-upcomedy in, niet keurig in rijen maar aan tafels en dan mocht je er ook nog tijdens de voorstelling eten en drinken. Bij de opening in 1998 trad Freek de Jonge op met een Engelstalige conference – en zo is de Nederlandse cabaretgeschiedenis weer verdergegaan op deze magische plek. Al is Boom Chicago inmiddels verhuisd naar de Rozengracht.