Toen alles nog kon en mocht

Een stortbui in onvervalst plat Amsterdams: dit vuistdikke boek geeft een markant tijdsbeeld van het oude Mokum, toen in dubieuze kringen alles kon en mocht. Arie Elpert, oftewel ‘Haring Arie’, werd geboren tussen de Oudezijds- en de Kloveniersburgwal. Hij was inbreker, kruimeldief, pooier van zijn eigen Mien (hij noemde het souteneurschap eufemistisch ‘een vorkje mee-eten’), vechtersbaas, charmante deugniet, verhalenverteller én schrijver. Hij werd Haring Arie genoemd, omdat hij als jongeman op het Rembrandtplein ‘in haring peesde’.

Fred Baggen, uitgever van dit boek, heeft een passie voor de rosse buurt. In 2016 publiceerde hij Haring Arie. Een leven aan de Amsterdamse zelfkant, een heruitgave van boeken van Elpert die vijftig jaar geleden bij de Arbeiderspers verschenen. Van de familie kreeg hij tientallen handgeschreven blocnotes met Elperts levensverhaal, opgeschreven tussen 1966 en 1988.

Baggen bundelde de ‘schrijfsels’, zoals Elpert de schriftjes noemde, omwille van de authenticiteit volledig ongeredigeerd. Het boek leest als een trein, maar je moet wel bestand zijn tegen de waterval van smeuïge, vaak gore anekdotes: ‘Als me lul allang slap was en ik had gespoten in der drijfnatte doos, hield ze me als een gek aan haar vastgeklemd zodat me slappe snikkel erin bleef zitte’ [sic].’

Elpert beschreef zijn leven vanaf zijn ellendige jeugd en de voor hem traumatische Tweede Wereldoorlog tot de opkomst van sekstheaters en de verloedering van de Wallen: ‘Ik schrijf alleen maar op, wat me hart me ingeeft en hoe ik het zelf beleef en proef. Voor de rest kunne ze me kloten kussen.’

Arie Elpert

Aldus Boek Compagnie

847 blz.

€ 29,99