Louis Blankenberg blaakte van trots bij de opening op 17 januari 1914 van het nieuwe gebouw Raamgracht 4. De 61-jarige voorzitter van het Amsterdamse Genootschap Liefdadigheid naar Vermogen (LNV) noemde de indrukwekkende burcht van de Amsterdamse armenzorg “ons Nieuwe Huis”. Voortaan was dít het onderkomen van het genootschap dat hij in 1871 een paar huizen verderop had opgericht. Uit zijn initiatief was de eerste en grootste niet-kerkelijke en moderne vereniging voor armenzorg in Amsterdam gegroeid. Liefdadigheid naar Vermogen bleef tientallen jaren richtinggevend, ook landelijk, omdat zij niet alleen pleisters plakte, maar ook preventief en begeleidend werkte en mensen naar werk bemiddelde. Het was een van de eerste instellingen, zo niet de eerste, die aan cliënten een microkrediet verschafte om het eigen bedrijf(je) weer op gang te brengen.

Het gebouw kwam van de tekentafel van de in Amsterdam geboren architect Johan Wilhelm Hanrath, bekend van landhuizen in het Gooi en villa’s voor vermogende ondernemers als Anton Philips. Het was “eenvoudig, sober, zonder overtollig ornament en paste harmonieus in de omgeving.” Blankenberg kwam woorden tekort om Hanraths ontwerp te prijzen tegenover de 350 gasten, verzameld in de grote zaal op de eerste verdieping: “Wat zoude het jammer geweest zijn, indien op dit mooie hoekje van den schilderachtigen Kloveniersburgwal en Raamgracht een ultramodern, een geïmiteerd oud-Hollandsch of een karakterloos gevelenpaar zoude zijn verschenen!”

Slimme public relations

Het genootschap was sinds 1871 diverse keren verhuisd. Het kantoortje-aan-huis op Raamgracht 8 werd al snel te klein en in 1877 huurde LNV een ruimte in de Passage Wijnand Fockink tussen de Damstraat en de Pijlsteeg. Van maandag tot en met vrijdag hield men daar (op 66 traptreden hoog) in kamer 25 kantoor van 19.00 tot 21.00 uur. Na zes jaar volgde een verhuizing naar Groenburgwal 14. Nu kon men ook van 11.00-15.00 uur open zijn. Het werk groeide snel: de tweede helft van de jaren tachtig waren economisch slechte jaren. Het aantal ondersteunde gezinnen verveelvoudigde naar 1100 in 1886. Dat jaar werden 284 renteloze voorschotten verstrekt en 366 personen aan werk geholpen. Het aantal vrijwillige huisbezoekers in de stad was gestegen tot 125, van wie 25 vrouwen. Het genootschap telde ruim 3100 leden en donateurs.

Op de Groenburgwal was geen wachtkamer zodat de wekelijkse schuldaflossers buiten op hun beurt moesten wachten. Ook ontbrak de mogelijkheid om een gesprek onder vier ogen te voeren in een aparte spreekkamer. Meer ruimte was geboden en die werd in 1886 gevonden in de eerste vestiging aan de Raamgracht 4. ‘Goede Amsterdamse vrienden’ verschaften de benodigde f 40.000,- voor aankoop en opknap van het pand.

Dat was de strategie van het genootschap: een beroep doen op de Amsterdamse burgerij, het verkregen geld omzetten in concrete hulp aan de armen en de werkzaamheden in uitgebreide jaarverslagen en financiële overzichten minutieus verantwoorden. Vooral geen geld oppotten of eigen vermogen kweken. Was er extra geld nodig, dan moest dat in een speciale campagne opgebracht worden. Die aanpak lukte dankzij een uitgekiende pr-strategie met prins Hendrik (de broer van koning Willem III) en later de burgemeesters van Amsterdam als erevoorzitter, met notabelen in comités van aanbeveling, met de aandachttrekkende jaarlijks terugkerende collecte op Hemelvaartsdag en met culturele evenementen. Dat men zich behalve op de armen uit de onderklasse ook richtte op tijdelijk in financiële problemen geraakte middenstanders en ouden van dagen, vergrootte het draagvlak.

Ongezond werken

In het jaar van de (eerste) verhuizing naar Raamgracht 4 werden ook voor het eerst bezoldigde functionarissen aangetrokken, zoals een administrateur, drie armenbezoekers voor urgente en complexe gevallen en een bode. Zij hielden kantoor en spreekuur in het souterrain, waar ook de voorschotkas betaaldag hield. Deze ruimte voldeed echter niet aan de eisen. Het was er vochtig en benauwd omdat er geen of onvoldoende ventilatie was. Hier werken was ongezond. Uit het afkeurende rapport van directeur Jan Willem Tellegen van Bouw- en Woningtoezicht (de latere burgemeester) was maar één conclusie te trekken: dit kon niet veel langer doorgaan.

Een plan voor nieuwbouw ontstond. Aan de Kloveniersburgwal werden twee belendende percelen aangekocht en in 1912 samen met de oude panden Raamgracht 2 en 4 afgebroken om plaats te maken voor het grote nieuwe hoekpand Raamgracht 4. Ook nu werd het benodigde geld (f 100.000,-, waarde in 2012 ruim een miljoen euro) in een fondswervingscampagne opgehaald, onder aanvoering van een financiële commissie van de bankiers en zakenlieden Adriaan Floris van Hall, Heinrich Carl Rehbock, Johan Anton van Sonsbeeck en Jacob Dias Santilhano.
Wie was Louis Blankenberg (1852-1927), de man die gedurende 45 jaar de koers van het genootschap bepaalde? Hij groeide op in een onderwijzersgezin, maar verloor al jong zijn ouders.

Na de middelbare school maakte hij carrière bij het Onderling Levensverzekering Genootschap. Het bedrijf werd in 1880 overgenomen door de nieuw opgerichte Algemeene Maatschappij van Levensverzekering en Lijfrente met Blankenberg als directeur. In zijn vrije tijd was hij actief in de armenzorg en van 1899 tot 1907 gemeenteraadslid in Amsterdam. Hij bleef directeur totdat de Algemeene in 1921 failliet ging.

Tienergenootschap

Louis richtte op 1 januari 1871 samen met zijn broer en halfzus en een vriend het Genootschap Liefdadigheid naar Vermogen op. Het was een jeugdig genootschap: Louis was achttien, broer Willem zeventien, zusje Koos dertien en vriend Piet Verhoeve Kars zeventien. Jarenlang was de helft tot driekwart van de leden jonger dan 21 jaar. Ze stortten de helft van de contributie (25 cent per week) in een kas voor ‘hulpverlenen aan behoeftigen’. Het eerste jaar werd ƒ 50,50 uitgekeerd. De eerste gift ging naar het door tyfus geteisterde Egmond aan Zee, de tweede naar Noordwijkerhout voor arme weeskinderen. In 1871 telde het genootschap buiten de vier leden nog 41 donateurs, maar het aantal leden en donateurs groeide snel tot bijna 100 en daarna verder, ook buiten de vrienden- en familiekring.

Naast bijstand in nood moest er ook aandacht komen voor ‘preservatief’ werk: preventie van armoede, vooral door bevordering van onderwijs en werkverschaffing. Al in het tweede jaar werd een Commissie voor Armenverzorging en ter Verstrekking van Rentelooze Voorschotten ingesteld voor bezoek en begeleiding van armen. In 1874 trok de 22 jaar jonge Louis Blankenberg de stoute schoenen aan en vroeg hij prins Hendrik van Oranje-Nassau als beschermheer. Deze nam de uitnodiging aan en kwam ook in eigen persoon de jaarvergaderingen bijwonen. Zijn steun gaf het genootschap een enorme boost en het aantal donateurs groeide binnen enkele jaren naar 2000. Ook in latere jaren wist LNV de naam van Oranje aan zijn sociale werk te koppelen, tot en met de stage van prinses Beatrix in 1965.

Louis was vanaf het tweede jaar secretaris en bleef dat tot 1900. Daarna was hij tot 1916 voorzitter. Hij bepaalde 45 jaar lang de koers van het genootschap. Tussen 1871 en 1911 bedroegen de inkomsten f 4 miljoen, dat voor het overgrote deel aan steunverlening werd uitgekeerd (omgerekend naar onze tijd een bedrag van € 38,7 miljoen).

Decentrale organisatie

Het genootschap omarmde in 1892 het zogenoemde Elberfelder stelsel. In het Duitse Elberfeld was de armenzorg sinds midden 19de eeuw gedecentraliseerd van stadsniveau naar wijk of buurt. Vrijwilligers kregen de taak armen te begeleiden, te ondersteunen en op te voeden met als doel morele uitputting en moreel verval tegen te gaan. Een armenbezoeker zou twee tot vier gezinnen als cliënt kunnen hebben. Amsterdam werd in 30 districten verdeeld, met elk een voorzitter en gemiddeld vijftien armenbezoekers die samen de districtscommissie vormden. Deze commissie besliste over de steunaanvragen. Tot aan de Tweede Wereldoorlog waren de districtscommissies de ruggengraat van het genootschap.

Na de Tweede Wereldoorlog werd LNV omgedoopt tot Genootschap Zorg en Bijstand, dat geleidelijk aan geheel door de overheid werd gesubsidieerd als instelling voor maatschappelijk werk. De vereniging veranderde in een stichting en de vrijwilligers bliezen de aftocht. In 1970 veranderde GZB in Blankenberg Stichting en werd Raamgracht 4 (inmiddels grotendeels verhuurd aan Vrij Nederland, dat er al vanaf 1948 onderdak vond) ingeruild voor Kloveniersburgwal 43. Sinds 2010 is CentraM de naam, instelling voor maatschappelijke dienstverlening in Amsterdam Centrum. “De solidariteit met de armsten in de samenleving die de heer Blankenberg en zijn vrienden dreef, inspireert CentraM nog steeds”, vermeldt de website.

Beeld: Affiche van Liefdadigheid naar Vermogen.