Geachte Redactie,


Ik ben Martien Hesseling, geboren in de Johannes Verhulststraat 164 boven, in juni 1939. Het gezin bestond toen uit vader, moeder en zes kinderen. Ik had vier broers en een zus boven mij.

In het gezin is nooit (!) gepraat over de oorlog, wát zich ook bij ons heeft afgespeeld. Mijn moeder versprak zich één keer en liet toen blijken dat Theo, mijn oudste broer, iets verschrikkelijks had meegemaakt. Ik begreep later dat dat de executie was van 30 burgers op het Weteringplantsoen.

Navraag, veel later, bij een andere broer gaf de bevestiging van dit feit; weer een andere broer had het in zijn herinneringen opgeschreven. Vlak voor het overlijden van mijn vierde broer in Brazilië hoorde ik via mijn nichtje dat zij ‘een raar verhaal’ had gehoord van haar vader, over de Weteringschans. Voor mij was het verhaal rond: alle vier mijn broers hadden verplicht moeten kijken naar de executie, onder schot gehouden door Duitse soldaten. Vreselijk! Dit om aan te geven dat er absoluut niet over de oorlog werd gepraat bij ons thuis.

Het bovenhuis van nr 166 was een Jodenpension, waar vooral oudere mensen zaten.
Zelf ben ik als kleuter met mijn grotere zus enkele malen boven geweest. Ik herinner me een tafel met ouderen daaraan zittend. We kregen een snoepje of iets van dien aard en klauterden weer naar beneden. Toen mijn ouders dit hoorden kregen wij een zeer duidelijk verbod om niet meer naar boven te gaan.

Twintig jaar geleden draaide de film ‘Rosenstrasse’ in de Movies op de Haarlemmerdijk; daar ben ik met mijn vrouw naar toe gegaan. Ergens in de film draait een meisje zich in de gordijnen en kijkt naar buiten. Ik kreeg een vreselijke schok en zag een heel ander beeld voor mij, namelijk de Johannes Verhulststraat, eind 1944 of begin 1945. In de betrokken week was het onrustig bij ons thuis. Er was een voelbare spanning. Op een zaterdag werd ik met het dienstmeisje (dat vermoedelijk via de Vincentiusvereniging bij ons was) het huis uitgestuurd, naar haar moeder in de Quellijnstraat. Toen we tegen het donker worden aan weer thuiskwamen was er nog steeds spanning in huis. Ik trok mij terug en rolde mij in de gordijnen van het kleine kamertje. Ik zag dat er buiten een Duitse militaire auto stopte bij nr 166. Na enige tijd kwam een oude dame naar buiten. Ze werd geslagen en de vrachtauto ingeduwd. (Mijn beeld is ongetwijfeld bijgesteld door de filmbeelden).

Via het NIOD heb ik begrepen dat er veertien mensen (veelal marktkooplui ) zijn afgevoerd naar de kampen.

Hierna is mijn leven echt veranderd en ben ik mij bewust geworden dat ook ik een deel van de oorlog ben. Meerdere herinneringen uit die periode heb ik opgevist uit mijn geheugen, zoals het verplaatsen van een grote kast voor de branddeur van nr 166. Ons huis was via een houten branddeur op 4e verdieping verbonden met nr 166. Na het overlijden van mijn vader in 1975 heb ik hier heel veel over nagedacht. Mijn vader wist vermoedelijk wat er aan de hand was en heeft niet gehandeld. Hij had de verantwoording voor zijn gezin. Uiteindelijk begreep ik het wel. Zijn portefeuille met veel correspondentie is in mijn bezit.

Op vakantie gaan, later, was voor mij: naar Frankrijk. Ik ben nooit bewust naar Duitsland geweest. Nu heb ik twee heel lieve Duitse schoondochters en drie Duitse kleinkinderen.
Soms is dat moeilijk. De tijd heelt vele wonden, maar niet alle; voor mij is het nog steeds een schaduw in mijn leven.


Ik dank u voor het lezen van mijn brief,

Martien Hesseling