Samuel Jessurun de Mesquita was dol op planten en bloemen, hij schilderde en tekende ze veelvuldig. Net als zichzelf trouwens: er zijn talloze zelfportretten van hem bewaard gebleven. Op de wonderlijke houtsnede Cactus met zelfportret komen beide liefdes samen: boven zijn ernstige gezicht – borstelsnor, rond brilletje, achterovergekamde haren – bungelt een enorme bloeiende cactus, ondersteboven, als een grillig gevormde plafonnière. Voor inspiratie hoefde hij de deur niet uit: thuis (Linnaeuskade 24) was een kamer als kas ingericht, waarin zijn vrouw exotische planten kweekte.

De Mesquita stamde uit een grote Portugees-Joodse familie. Zijn vader was leraar Duits en Hebreeuws aan het gymnasium, zijn broer Joseph werd fotograaf, zijn zuster Anna kreeg een kunstopleiding en de beeldhouwer Joseph Mendes da Costa was zijn neef. Hij was in de eerste plaats graficus, een die vooral vanwege zijn houtsnijtechniek bewondering oogstte. Hij hield van contrastrijke, vereenvoudigde vormen. Mensen en dieren, die hij nóg liever afbeeldde dan planten, toonde hij steevast recht van voren of en profil– om de tweedimensionaliteit te benadrukken.

Maar principieel was hij allerminst. Zo schijnt hij gezegd te hebben (de anekdote is overgeleverd door Maurits Escher, zijn beroemdste leerling) dat een zebra van zichzelf al een houtsnede is – en dat je daar dus niet nog eens een houtsnede van moet willen maken. En toch was dat precies wat hij deed in 1918. Een zebra die in zijn stal in alle rust op wat hooi staat te knabbelen, een prachtig ding – De Mesquita’s dieren zijn minstens zo mooi als de bloemen van zijn wereldberoemde tijdgenoot Piet Mondriaan. Die schilderde prachtige chrysanten en amaryllissen omdat ze geld opbrachten.

Milieu

Grootse kunstschilderambities had De Mesquita – die zowel rechts- als linkshandig was – niet. Hij droomde niet van de Nieuwe Wereld, had geen ateliers in Parijs, Londen en New York, zoals Mondriaan: zijn hele leven werkte hij vanuit zijn huis aan de Linnaeuskade, in een klein, smal atelier op de eerste verdieping, waar verschillende drukpersen stonden. Zijn carrière had een lange aanloop. Nadat hij van zijn veertiende tot zijn zestiende bij een architect in de leer was geweest, volgde hij in de jaren 1880 een opleiding tot tekenleraar. Voor de kunstacademie was hij tot zijn grote teleurstelling afgewezen. Dat weerhield hem er niet van om loopbaan als zelfstandig kunstenaar na te streven. Uit die tijd, de laatste jaren van de 19de eeuw, zijn voornamelijk tekeningen bewaard gebleven: snelle schetsen van motieven uit het dagelijks leven in de grote stad: een stevige dienstmeid, een marktscène, een slapende man in de trein.

De Mesquita was Joods, maar erg religieus was hij niet, hij bezocht zelden of nooit de synagoge. Zijn Joodse achtergrond speelde vooral in culturele zin een rol. Moeder Judith was een Mendes da Costa, een in Amsterdam wijdverbreid geslacht, en hij was door verschillende familiebanden hecht geworteld in de Sefardische Amsterdamse gemeenschap, een milieu dat ook in latere jaren voor zijn contacten van belang was. Ook zijn echtgenote Elisabeth Pinédo behoorde hiertoe. Neef Joseph Mendes da Costa, de bekende beeldhouwer, was door zijn huwelijk met Anna Jessurun de Mesquita tevens zijn zwager.

Respons

Een van De Mesquita’s eerste houtsneden was Zelfportret met mantel en hoed(1897). Vanaf een brug kijkt hij uit over de Amsterdamse grachten, sigaar in de mond, een rol papier onder de arm: hier staat een zelfverzekerde kunstenaar. Met de Tachtigers, die op dat moment furore maakten, had hij nauwelijks contact. Maar via zijn oudere broer Joseph, een van de eerste kunstfotografen in Nederland, leerde hij schilder en etser Maurits van der Valk (1857-1935) kennen, een centrale figuur binnen de Tachtigers, die hem wegwijs maakte in de etstechniek.

Hij begon planten en bloemen te etsen, gebouwen uit Amsterdam en omgeving en boten in het water – het lievelingsthema van Van der Valk. Niet veel later ging hij aan de slag met houtsneden, op advies van kunstenaar en handelaar Carel Adolph Lion Cachet (1864-1945), in eerste instantie vooral om stoffen mee te bedrukken. Vrij werk maakte hij ook. Naast het zelfportretook figuren met maskers op en intieme taferelen van vrouwen in huis.

In Nederland keek niemand ervan op, maar in het buitenland kon De Mesquita op meer respons rekenen. Zo werden zijn houtsneden tentoongesteld in de vooraanstaande kunsthandel Maison de l’Art Nouveau van Siegfried Bing in Parijs en lovend besproken door het internationale tijdschrift L’Art Décoratif. Toch zette zijn internationale vlucht niet door. De eerste jaren na de eeuwwisseling zat er weinig anders op dan als toegepast kunstenaar aan de slag te gaan. Hij maakte batikstoffen en houtstempels om stoffen mee te bedrukken. Niet zonder succes: zijn ontwerpen voor gordijnen, dekens, kussens en theemutsen waren bij twee gerenommeerde Amsterdamse zaken verkrijgbaar, ’t Binnenhuis (eerst op het Rokin, later in de Raadhuisstraat) en De Woning. De stoffen van De Mesquita waren echter nogal arbeidsintensief om te maken en daardoor te duur. Hij kon er onvoldoende van leven en besloot dus maar les te gaan geven aan de Kunstnijverheidsschool in Haarlem. In 1904 was hij getrouwd, dat speelde ook mee.

Raadselachtig

Het lesgeven pakte wonderwel uit en legde De Mesquita creatief geen windeieren. De twee dagen per week dat hij als leraar werkte, boden hem genoeg tijd en armslag om zich vol overgave op zijn houtsnijwerk te storten. Het waren productieve jaren, ook omdat hij eindelijk, laatbloeier op zijn veertigste, had besloten dat hij in de eerste plaats grafisch kunstenaar was. Hij hoefde niet meer te zoeken, wist precies wat hij wilde. Steeds eenvoudiger en gestileerder werkte hij, met strakke, maar sierlijke vormen. Vooral in de vele houtsneden van dieren is dat goed te zien.

De Mesquita was vaak in Artis te vinden, ook met zijn leerlingen uit Haarlem. Zijn lievelingsdieren waren hoefdieren en vogels, met name uilen, papegaaien en reigers, sierlijke dieren met heldere, herkenbare silhouetten. Hij beeldde de dieren altijd geïsoleerd af, los van hun omgeving – in quarantaine als het ware. Ze verroeren zich niet, ze staan, zitten of liggen, er is niets dat de aanzet geeft tot een verhaal. Het zijn raadselachtige portretten, even liefdevol als afstandelijk, zowel streng als geestig.

Heel anders is een lange reeks tekeningen en grafische werk met fantasievoorstellingen, vol mensachtige wezens in vreemde situaties, die hij al vanaf 1889 begon te maken. Intuïtief, zonder vooropgezet plan zette hij ze tussen het drukken door op papier.Het zijn rare tekeningen, soms snelle karikaturen van popperige wezentjes met grote ogen en grote oren, soms meer dromerige exotische invallen.Onder de titel Sensitivistische tekeningenverscheen in 1904 een map met dertig reproducties, waarmee hij zich voor het eerst de reputatie van een modern kunstenaar verwierf. Bekende critici als Albert Plasschaert en de dichter Albert Verwey schreven erover. Tijdgenoten speculeerden uitvoerig over de betekenis van de prenten. De Mesquita zelf onthield zich van enige uitleg of toelichting.

Invloed

In het jaar van Cactus met zelfportret–1926 – moest de Kunstnijverheidsschool in Haarlem de deuren sluiten en kwam er een voorlopig einde aan zijn lerarenbestaan. Vanaf 1934 gaf hij uit geldnood weer les, nu aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam, tot kort voor zijn 70ste verjaardag, in 1937. Na de Duitse inval in mei 1940 verliet De Mesquita zijn huis bijna niet meer. Zijn laatste drukwerken maakte hij in dat jaar: het werk aan de drukpersen werd fysiek te zwaar. Tekenen deed hij nog wel, met de vulpen, meerdere schetsboeken vol. Zijn zoon Jaap (geboren in 1905), die kunsthistoricus was, noemde hem gekscherend “de Meester van het Schetsboek”. De dagelijkse werkelijkheid is in deze tekeningen bijna volledig verdwenen, ze worden bevolkt door vreemdsoortige mensfiguren en fantastische diersoorten. De laatst bekende tekening is gedateerd op 25 en 26 januari 1944.

In de nacht van 31 januari op 1 februari 1944 werden Samuel Jessurun de Mesquita, zijn vrouw Elisabeth en hun zoon Jaap door de bezetter weggevoerd. Samuel en Elisabeth stierven waarschijnlijk direct na aankomst in de gaskamers van Auschwitz, Jaap werd in Theresienstadt omgebracht. De atelierinboedel, die De Mesquita al die jaren zorgvuldig had gedocumenteerd, was na de inval één grote chaos. Veel van zijn oeuvre is verloren gegaan, gestolen of simpelweg aan de straat gezet. Slechts delen konden ternauwernood gered worden door vrienden en bekenden.

Een van die vrienden was Maurits Escher. Hij omschrijft zijn vroegere leermeester in de catalogus bij de eerste postume tentoonstelling van De Mesquita, in 1946 in het Stedelijk Museum, als eigenzinnig, koppig en oprecht: “Hij onderging slechts in geringe mate den invloed van anderen, maar oefende zelf een sterken invloed uit op het werk van vele jongeren en vooral op dat van zijn leerlingen.”

Beeld: Collectie Stadsarchief Amsterdam

ARJAN REINDERS IS JOURNALIST EN TEKENAAR.

Meinummer 2020