"Daar gaan we weer", antwoordde de Rotterdamse wethouder Adriaan Visser in 2014 op de vraag of Rotterdam een cultuurstad is, kort nadat hij de portefeuille cultuur onder zijn hoede had gekregen. "Daar gaan we weer", want hoeveel musea, kunstfestivals, broedplaatsen, beeldenroutes en debatten over cultuur Rotterdam ook te bieden heeft, steeds weer klinkt die vraag. Het betekent dat er twijfels zijn. Dat het niet vanzelf spreekt dat Rotterdam een cultuurstad is, ook al beweren nog zoveel mensen ten stelligste van wel. Veelzeggend is ook dat niemand ooit de vraag stelt of Parijs een cultuurstad is, of Londen, New York, Amsterdam.
Die permanente twijfel aan de status van Rotterdam op het gebied van cultuur, komt niet alleen doordat Rotterdam eenvoudigweg een minder groot cultureel aanbod heeft dan Parijs of aartsrivaal Amsterdam. Groningen bijvoorbeeld heeft óók minder cultuur dan Amsterdam en toch is de vraag of Groningen een cultuurstad is niet zo hardnekkig. De twijfel komt vooral doordat cultuur in de traditionele zin van het woord niet past bij de identiteit van Rotterdam. Rotterdam is immers in de eerste plaats een harde werkersstad, een havenstad, een zakelijke metropool, een multiculturele betonnen jungle – en niet een verfijnde, erudiete culturele oase. Toch vormt het Rotterdamse beton wel degelijk een perfecte bodem voor een bloeiende cultuur. Maar deze cultuur, die het zo goed doet in het harde Rotterdamse klimaat, is nét even anders. En vooral ook nét even anders dan de cultuur van Amsterdam, de stad waar Rotterdam zich nu eenmaal van oudsher aan spiegelt en tegen afzet.

Clichébeeld

Praat over cultuur in Rotterdam en het gesprek komt na een poosje steevast op Amsterdam. Daar kwam ik achter toen ik in de eerste jaren van het nieuwe millennium mensen interviewde over het Rotterdamse culturele klimaat tussen 1970 en 2000. Dat klimaat beschrijven was kennelijk vooral ook beschrijven wat het níét was. Het was zeker niet Amsterdam. En dat was goed, vonden mijn gesprekspartners, die in veel gevallen bewust hadden gekozen voor 'de woestijn' Rotterdam, zoals een van hen het formuleerde, en niet voor de comfortabele 'baarmoeder', zoals een ander Amsterdam typeerde. Wat vonden zij zo aantrekkelijk aan die Rotterdamse woestenij?
Amsterdam is zeer geliefd bij 'creatieven', zoals mensen werkzaam in de culturele sector meestal kortweg worden genoemd. De stad biedt voor hen de perfecte omgeving. Amsterdam is levendig en zijn bevolking divers, het culturele aanbod is overweldigend, overal zijn informele plekken om andere kunstenaars en cultuurondernemers te ontmoeten en de gemeente faciliteert huisvesting in zogenaamde broedplaatsen. De cijfers bevestigen dit. Bijna 20% van alle banen in de creatieve industrie in Nederland bevindt zich in Amsterdam; Rotterdam daarentegen ligt zelfs onder het Nederlandse gemiddelde.
Hoe kan het dan dat sommige kunstenaars, architecten en cultuurondernemers voor Rotterdam kiezen? Is het de behoefte aan luwte, aan afscherming van de hectische en competitieve kunstwereld? Dat lijkt niet het geval, want zij zijn niet in Rotterdam gaan zitten omdat ze bij wijze van spreken geen huis konden vinden op het Drentse platteland of in een Twentse provinciestad. Integendeel, de overtuigde Rotterdamse cultuurdragers dwepen met het zogeheten wereldse karakter van Rotterdam. De Maasstad is in hun ogen zelfs de enige échte grote stad van Nederland. Wat zij daarmee bedoelen is niet concreet, maar heeft te maken met het stereotiepe beeld van Rotterdam als een zakelijke, moderne en dynamische metropool en havenstad, waar de mensen 'niet lullen maar poetsen', geen nonsens verkopen en hard werken. Het werkt als een selffulfilling prophecy: dankzij het clichébeeld trekt Rotterdam mensen aan met een no-nonsense mentaliteit en wordt het cliché waar. Maar dat is niet het enige. Hun komst naar Rotterdam hangt ook samen met hun culturele voorkeuren.

Mooi van lelijkheid

Tot ongeveer 1850 was Rotterdam "een wondermooie zeventiende eeuwsche stad, minder weidsch dan Amsterdam, maar even karakteristiek", schreef H. Hollenkamp in zijn boekje Oud Rotterdam in 1914. Dat veranderde in de tweede helft van de 19de eeuw. Sneller en radicaler dan andere Nederlandse steden omarmde Rotterdam de moderne tijd. Oude stadspoorten en andere 'sta-in-den-wegs' werden gesloopt, singels gedempt en er kwam een treinspoor dwars door de stad, vlak achter de oude Sint-Laurenskerk, het zogenaamde luchtspoor. Zo kreeg Rotterdam de naam van een dynamische, moderne en grote, maar ook uitzonderlijk lelijke stad.
Er kwam meer waardering voor het moderne uiterlijk van Rotterdam toen verkeer, industrie en technologie aan het begin van de 20ste eeuw meer geaccepteerd raakten. Architecten en vormgevers ontdekten de schoonheid van de functionele producten van ingenieurs, zoals bruggen, machines en gebruiksvoorwerpen. Fotografen en filmers wisten die 'ingenieursesthetiek' in beeld te brengen. In 1928 maakte Joris Ivens zijn beroemde film over de hefbrug over de Maas. Een mijlpaal was ook de publicatie in 1938 van een fotoboek over Rotterdam in de serie De schoonheid van ons land door avant-garde fotografen als Paul Schuitema en Jan van Maanen. Hun onderwerpen waren ingenieursbouw (de Maasbruggen), scheepvaart, verkeer, stadslichten, moderne architectuur en de haven. Kortom, niet de overblijfselen van de wondermooie 17de-eeuwse stad, maar het moderne, technologische, tot voor kort 'lelijke' Rotterdam. Ook de doorsnee inwoner was inmiddels enthousiast geraakt over de niet-traditionele, andere schoonheid van het moderne Rotterdam.
Na het nazi-bombardement van mei 1940 kreeg de Rotterdamse moderniseringsdrift pas echt alle ruimte. Dat klinkt cynisch, maar het is nu eenmaal een feit dat in geen enkele andere Nederlandse gebombardeerde stad (er zijn meer dan 40 Nederlandse steden en dorpen gebombardeerd in de Tweede Wereldoorlog) het puin zo grondig en zo snel werd opgeruimd als in Rotterdam. Hoe vreselijk de ramp ook was, deze bood wel de gelegenheid om het centrum eens goed aan te pakken, zonder de onvolkomenheden van de oude stad, met zijn verkeersopstoppingen en onhygiënische woonomstandigheden. In de roes van het visioen van een ideale stad werden ook gebouwen gesloopt die nog makkelijk hersteld hadden kunnen worden, waaronder de geliefde Delftse Poort en de schouwburg. Het waren 'sta-in-den-wegs'.

Stadsgezicht

De radicale wederopbouw leverde een overtreffende trap van moderniteit op, waarbij de destijds als modern bestempelde vooroorlogse stad ouderwets afstak, zeker in de herinnering. Aanvankelijk kreeg het uit de as herrezen Rotterdam alom lof, mede dankzij de wederopbouwpropaganda van de gemeente, maar aan het eind van de jaren zestig was Rotterdam terug bij af: wéér stond de stad bekend als lelijk. Te koud, te zakelijk, te netjes, te groot, te kaal.
En weer, net als in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog, wisten de creatieven een draai te geven aan die lelijkheid. Terwijl de gemiddelde Rotterdammer steen en been klaagde over de ongezelligheid en bestuurders daarop inhaakten door knusse bouwsels neer te zetten tussen de strakke werderopbouwarchitectuur, beweerden Rotterdamse kunstenaars en cultuurondernemers doodleuk dat de stad prima was zo. Een van hen was Jules Deelder, die samen met de rebelse filmmaker Bob Visser (bekend van het tv-programma Neon) in 1977 in de televisie-uitzending Stadsgezicht het Nederlandse publiek een gefilmd en gesproken portret van Rotterdam presenteerde.
Deelder en Visser brachten een ode aan Rotterdam, zonder de stad mooier voor te stellen dan zij was. De documentaire laat juist de harde, ongenaakbare kanten van Rotterdam zien. Probleemplekken, zoals het kale Schouwburgplein, in de ongunstigste omstandigheden, in het donker, enkel verlicht door het koude witblauwe licht van straatlantaarns en totaal verlaten. Het plein is gefilmd als een plek waar een normaal mens zich voor geen goud zou willen begeven, maar Deelder vindt het "het hart van de stad" en voelt zich er "uitstekend thuis". Plannen om het plein 'gezelliger' te maken vindt hij flauwekul: "Dat gelul over die gezelligheid moet nou maar eens afgelopen zijn. Alleen al die uitspraak 'Hè gezellig', daar krijg ik de kouwe rillingen van over m'n rug." Alles wordt op z'n kop gezet: lelijk Rotterdam is mooi, een door God en iedereen verlaten plein is het kloppende hart van de stad en gezelligheid is huiveringwekkend.

Fout is goed

Deze omkering van waarden markeert de houding van veel kunstenaars en cultuurondernemers in Rotterdam. Niet alleen de stad vinden zij 'mooi van lelijkheid', ook in hun eigen werk hebben ze een voorkeur voor de wansmaak, het foute, het banale en het ongepaste. Neem het ontwerpbureau Hard Werken. Dat omarmde in de jaren tachtig behalve alle Rotterdamse clichés ook allerlei frivoliteiten die in de ogen van de gevestigde orde taboe waren, van gotische (connotatie: nazistische!) letters tot ondoelmatige verfraaiingen. Tegenwoordig verkent 75B op vergelijkbare wijze de grens tussen wat nog net wel en net niet meer kan in de grafische vormgeving, onder meer in hun affiches voor het Internationaal Filmfestival Rotterdam.
Het Atelier Van Lieshout is sinds jaar en dag een vrijplaats voor kunst die de uiterste consequenties laat zien van bepaalde maatschappelijke tendensen, bijvoorbeeld in het project Slave City, een denkbeeldige samenleving waar efficiëntie en winst de enige normen zijn en geen enkele menselijke waarde overeind blijft – mensen zijn slaven die na gebruik worden gerecycled. Erik van Lieshout (geen familie) maakt tekeningen en schilderijen waarin het ene na het andere maatschappelijke of seksuele taboe wordt geslecht. Toen Rem Koolhaas lang geleden Rotterdam als vestigingsplaats koos, was hij bekend als auteur van Delirious New York (1978), waarin hij zijn waardering uitspreekt voor stedenbouw en architectuur die vakgenoten afdeden als uit de hand gelopen rotzooi. Showroom Mama en Roodkapje zijn recentere voorbeelden van kunstclubs waar de scheidslijnen tussen goed en fout en hoog en laag vervagen.
Natuurlijk is het niet zo dat álle Rotterdamse kunst en cultuur het foute als het goede omarmt. Wel durf ik te stellen dat de uitgesproken liefhebbers van Rotterdam als culturele omgeving een voorliefde hebben voor het (een tikje) foute. Fout is in dit geval dat wat volgens de goede smaak niet kan en niet mag. Fout is dus vooral ook anti. Anti gevestigde waarden, anti kunst in de klassieke betekenis van het woord, anti hoge cultuur, anti establishment. En dus ook anti Amsterdam. Want Amsterdam is nu eenmaal cultureel toonaangevend.

Anticultuur

Amsterdam produceert natuurlijk ook anticultuur. Misschien nog wel meer dan Rotterdam, want Amsterdam heeft op cultuurgebied van alles méér. Maar de Rotterdamse cultuur lijkt in z'n geheel gekleurd te zijn door deze anticultuur. Bevestiging hiervoor vind ik in het recente cultuurhistorische boek van Auke van der Woud De nieuwe mens. Hij beschrijft hoe in Nederland aan het begin van de 20ste eeuw de verheven elitecultuur werd verdrongen door een nieuwe, materialistische massacultuur. In een hoofdstuk dat veelzeggend 'Lelijk, maar vol leven' heet, geeft hij Rotterdam een bijzondere positie. De nieuwe cultuur heeft Rotterdam veel eerder en sneller veroverd dan andere Nederlandse steden, schrijft hij. Dat betekent niet dat er een cultuurloze stad overbleef. Nee, er ontstond een nieuwe cultuur die behalve traditionele uitingen als schilderijen en poëzie ook de stedelijke bedrijvigheid omvat, het straatlawaai en de technologie van de haven. "In de nieuwe cultuur (...) is de gedachte niet vreemd dat techniek cultuurscheppend is, meestal zelfs met meer effect dan gedichten en schilderijen. Of beter: dat is geen gedachte, maar een alledaags feit."
Techniek is cultuurscheppend, die gedachte zal Rotterdamse kunstenaars, ontwerpers en architecten niet vreemd in de oren klinken. In het algemeen dwepen Rotterdamse creatieven met "het ritme van de rivier en de haven" (Adriaan Geuze). Voor velen is de haven zelfs de voornaamste reden om voor Rotterdam te kiezen als werkomgeving, níet Museum Boijmans Van Beuningen, níet Poetry International, níet De Doelen. Vreemd genoeg heerst op het stadhuis een sfeer waarin Rotterdam als cultuurstad en Rotterdam als haven- dan wel werkstad elkaar uitsluiten. Ook in beschouwingen van historici of sociologen over het culturele klimaat van de stad duikt deze tegenstelling keer op keer op. De historicus Willem Frijhoff bijvoorbeeld stelde ooit dat Rotterdam pas een cultuurstad kan worden als het "een authentieke stadscultuur" heeft ontwikkeld. En als hij uitlegt wat hij daarmee bedoelt, verwijst hij naar Amsterdam, waar "heel het cultureel handelen" deel is "van de stedelijke belevingswereld". Tja, het ligt denk ik anders. De eigen Rotterdamse stadscultuur heeft een totaal ander karakter dan de Amsterdamse. We zijn terug bij de vraag: 'Is Rotterdam een cultuurstad?' Het antwoord mag duidelijk zijn.