Het Lange Bleekerspad was een weggetje van ruim een halve kilometer dat de Buitensingel – nu de Nassaukade – verbond met de tolbrug over de Kostverlorenvaart, het noordelijkste punt van de gemeente Nieuwer-Amstel. Eeuwenlang was het land gebruikt door de textielindustrie om lakens te bleken, maar vanaf het midden van de 19de eeuw werd het Lange Bleekerspad een industriegebied.

Het was er druk; venters met handkarren, koetsiers, voetvolk dat van en naar het werk liep en ’s zondags veel wandelaars die naar uitspanning De Drie Baarsjes aan de overkant van de vaart gingen. Halverwege het pad was het zogeheten Pastoorsbruggetje over de Lange Bleekerssloot, dat gemaakt was door een bewoner die passanten één cent liet betalen.

Frans krijt

Aan het eind van het Lange Bleekerspad kwam in 1867 een perceel vrij met drie loodsen en een woonhuis, eerder verhuurd aan de lijmfabriek Blekking & Co. Op 1 oktober 1867 begonnen Vincent – ook wel ‘Finsent’ – Disselkoen, telg uit een grote familie uit De Lier, en Johannes de Kok daar in een houten loods op nummer 72 hun Stoom-Gips en Krijtfabriek, annex cementmalerij. De locatie aan de Kostverlorenvaart was ideaal voor de aan- en afvoer van materiaal en producten; al snel werd hun bedrijf een succes.

Zij maakten, maalden en brandden gips, dat veel toepassingen had in de landbouw en de bouw. Gips bestaat uit kalk (calciumsulfaat), zwavelzuur en water. In de landbouw levert het een hogere gewasopbrengst op, omdat het de bodemstructuur verbetert en de zuurgraad van arme grond verhoogt. Boeren konden er de stank van stallen en mestvaalten mee verdrijven.

Gips voor de woningbouw was bedoeld om gevels, ornamenten en woningen te pleisteren. De fabriek van Disselkoen en De Kok leverde daarnaast Portlandcement, dat gemaakt was van zandsteen en gips en in één dag uithardde, veel gevraagd in een tijd waarin huizen in Amsterdam als paddenstoelen uit de grond rezen. Ook Frans krijt, fijn talkpoeder dat toegevoegd kon worden aan lijm en zand, kwam uit de fabriek.

Olieslagerij

Midden op het terrein lieten de ondernemers een flinke schoorsteen bouwen om er een stoomketel onder te plaatsen. Zij exploiteerden verder een korenmolen en een houtzagerij. Na vijf jaar draaide het bedrijf naar tevredenheid en konden de twee mannen, inmiddels dertigers, zich met hun gezinnen in de buurt van de fabriek vestigen.

Disselkoen ging in oktober 1872 met zijn vrouw Jannetje Roodenburg, twee zonen, twee dochters, een nicht en een huishoudster op het fabrieksterrein wonen, eerst tijdelijk in de houten loods op nr. 78 tot het woonhuis op nummer 76 klaar was. De Kok betrok in datzelfde jaar het benedenhuis van Rozengracht 60 met zijn vrouw Elisabeth Schnell. Dit echtpaar had vijf dochters en drie zonen.

In het voorjaar van 1881 dienden Disselkoen en De Kok twee verzoekschriften in bij de gemeente. Zij vroegen toestemming om in de loods op nummer 78 een olieslagerij te beginnen, een stoomindustriemolen om olie te persen uit raapzaad, koolzaad, aardnoten en lijnzaad. Simon Disselkoen, Vincents oudste zoon, zou de olieslagerij leiden. Om in te spelen op de enorme groei van de diamantindustrie in Amsterdam wilden zij bovendien op nr. 76 een diamantfabriek starten.

De toestemming kregen ze, op voorwaarde dat het gebouw in steen werd opgetrokken vanwege brandgevaar. In 1886 startte diamantslijperij De Transvaal, met op twee verdiepingen 42 door stoom aangedreven diamantmolens. Al een jaar later was voor de diamantfabriek een extra stoomketel nodig.

Tuberculose

De fabriekseigenaren kochten op de diamantbeurs ruwe diamant en verkochten de geslepen stenen aan juweliers. Bij diamantslijperijen waren de stokers en schijvenschuurders in loondienst. De tafels werden verhuurd aan slijpersbazen, zelfstandige ondernemers, voor 1 gulden 80 per dag, inclusief de steenkool voor het stoken. Voor een slijpersbaas werkten slijpers en ‘verstellers’, die de diamanten in de goede positie voor het slijpen plaatsten.

De portier van de fabriek verkocht aan de poort carborundumpoeder, dat werd gebruikt voor slijpen en polijsten. Er werkten bij Disselkoen en De Kok 110 arbeiders, van wie 38 jongens tussen de 12 en 16 jaar oud waren. Er waren geen vrouwen in dienst: de arbeiders beschouwden die als ‘onderkruipsters’ die de mannen het brood uit de mond stootten.

De werkomstandigheden waren slecht. Er was gaslicht maar geen verwarming, de lonen waren laag, de dagen lang, en de werkplaatsen waren een bron van besmetting vanwege het gebrek aan hygiëne en frisse lucht. Tuberculose greep om zich heen.

Henri Polak, medeoprichter van de diamantwerkersvakbond, hield op 26 september 1892 een toespraak in Lokaal Concordia aan het Lange Bleekerspad. De vakbondsman sprak over sociale onrechtvaardigheid in een langwerpig zaaltje bij gaslicht, op een toneeltje zonder katheder. Een bestuurder van de Sociaal-Demokratische Bond met de toepasselijke naam Fortuijn vroeg 5 cent entree voor het onderwerp: ‘Waarom lijdt ge armoede en hoe kunt ge dat verhelpen?’

De meeste bewoners aan het Bleekerspad waren inderdaad arm. Voor schoolkinderen die geen warm eten kregen liet de parochie De Liefde over de Bleekerspaden een soepkar rijden. De overwegend christelijke arbeiders bij Disselkoen legden in november 1892 het werk neer, maar echte verbeteringen zouden nog decennia op zich laten wachten.

Verzekeringsgelden

In de vroege ochtend van 27 januari 1895 brandden de gipsfabriek, de houtzagerij en het kantoor af. In de zagerij lag net op dat moment een grote partij hout. Er moesten vier stoomspuiten, getrokken door brandweerpaarden, aan te pas komen om de brand te blussen, en omdat er in de polder geen vaste leiding lag duurde het blussen lang. Het woonhuis en de diamantfabriek bleven gespaard, net als de diamanten die elke nacht in een brandkast in het woonhuis werden opgeborgen.

Van de uitgekeerde verzekeringsgelden en met eigen kapitaal lieten Disselkoen en De Kok de gebouwen nu in steen herbouwen door architect Roelof Kuipers, een ingenieur en architect uit ’s Gravenhage, voor 9.874 gulden.

Disselkoen en De Kok noemden zich niet zonder trots ‘stoomgipsfabrikanten, korenmolenaars en verhuurders van diamantslijpmolens’. Zij verkochten in 1901, aan het eind van hun werkzame leven, hun firma aan Jan Boissevain en Johan Ferdinand Dombach, een Duitse ingenieur die zich in 1897 in Amsterdam had gevestigd en directeur was geweest van de Stoom-Meelfabriek Holland NV.

Boissevain was een koopman uit een familie van commissionairs die Disselkoen nog kende uit Zuid-Holland. De firma ging met een kapitaal van 150.000 gulden verder als NV Hollandsche Gipsfabriek. De Disselkoens waren echter nog niet weg uit het bedrijf: zoon Simon, de olieslager, kreeg de leiding over de diamantslijperij en zijn broer Jan werd commissaris.

Opheffingsverkoop

Ondertussen rukte de stad op. De Bleekerspaden en de Vinkenbuurt vielen onder blok IV van het uitbreidingsplan van 1877. In 1903 was de De Clercqstraat doorgetrokken tot aan de Kostverlorenvaart; de houten Tolbrug daar werd afgebroken om vervangen te worden door de Wiegbrug, een basculebrug voor trams met zowel breed als smalspoor.

Een aanzienlijk deel van de bouwgrond was eigendom van de gemeente. Voor de terreinen in particulier bezit moest onderhandeld worden over aankoop of ruil, het langst met de Hollandsche Gipsfabriek. De eigenaren hadden duidelijk geen zin in een vertrek. De fabrieken stonden grotendeels op eigen grond, draaiden goed en waren zelfs met toestemming van de gemeente uitgebreid en gemoderniseerd. De gemiddelde winst over drie jaar bedroeg één miljoen gulden. Dat moest dan ook de verkoopprijs aan de gemeente worden. Uiteindelijk ging de grond in 1927 naar de gemeente voor slechts 175.000 gulden. Dat leek een goede prijs, maar de gemeente leed toch verlies; de grond van de gipsfabriek was namelijk waardeloos geworden omdat de Kostverlorenvaart verbreed moest worden.

Op 24 februari 1928 stond een advertentie voor de opheffingsverkoop van de machines en inventaris van de N.V. Hollandse Stoomgipsfabriek en Diamantslijperij De Transvaal in de krant. Een makelaar leidde de verkoop in café De Arend aan de Bilderdijkstraat. De fabrieksgebouwen aan de Kostverlorenvaart werden in augustus 1929 gesloopt.

De eigenaren en commissarissen van de fabriek hadden overigens niet stilgezeten. Zij begonnen met firma Rouendal & Co een bouwmaterialenhandel onder de naam N. V. Gipsroudal v/h Hollandsche Stoomgipsfabriek & Van Rouendal en Co. Het kapitaal van 250.000 gulden werd onder andere door de familie Disselkoen gestort; kleinzoon Vincent Disselkoen, de ingenieur, werd tot mededirecteur benoemd.

Header: De gipsfabriek in 1917, gezien vanaf de Kostverlorenvaart. Foto J. van Eck/Stadsarchief Amsterdam