Koppertjesmaandag werd van oudsher vooral gevierd door de gilden. Overdag gingen de ambachtslieden langs de deuren, en met het opgehaalde geld werd ’s avonds een feestmaal aangericht. Een Utrechter beschrijft de situatie in zijn stad als volgt: ‘Het volk [liep] op stelten door de straten, vermomd en verkleed, en vroeg bij ‘de goede luyden’ giften, die ’s avonds met groot rumoer verteerd werden.’ Uit de feestdag kwam zelfs een nieuw werkwoord voort: ‘kopperen’, wat zoveel betekent als ‘smullen, drinken en pretmaken’.

In Amsterdam mochten ook de leprozen kopperen. Deze ene dag in het jaar verlieten zij het Leprozenhuis (in de jaren ’60 gesloopt om plaats te maken voor het Mr. Vissersplein) en liepen in optocht richting de Dam. Vermomd en verkleed waren zij niet; allemaal droegen zij het voor leprozen verplichte kostuum van ‘een vlieger [omslagdoek] opte borst, een klappe in de hant, en een hoet op 't hooft bekleet met eenen witten bandt’. Voorop gingen de ‘moeders’ van het Leprozenhuis. Zij zamelden geld in voor de opvang en verzorging van de zieken.

Het schrijver van het versje ‘De Sieckgens zijn zeer verblijt / Als sij sien den Coppertijt’ had het waarschijnlijk bij het rechte eind. Toch werd de optocht in 1604 verboden, omdat deze overlast zou veroorzaken. Daarna hebben de zieken nog enkele jaren kleinere ommegang gemaakt. Zij gingen niet langer de stad in, maar liepen slechts een rondje om het Leprozenhuis.

Beeld: Adriaen van Nieulandt, De Dam in 1604 tijdens de laatste Leprozenommegang op Koppertjesmaandag, 1633.