Hoe anders is dat nu! Je hebt mensen die zich in deodorant wassen, denk ik. Zo ruikt het in ieder geval. Hoe snel ze ook voorbijfietsen, als argeloze passant sla je steil achterover van de stank en als er een in de tram zit, wacht ik liever een kwartier op de volgende dan met hem of haar mee te trammen.

Geuren in de stad, ze zijn er nog wel, maar zelden als aangename verrassing. Een enkele keer ruik ik patat, en op de markt ruik ik soms leer, dat komt van de jassen en tassen. Maar de tijd dat je voor de kaaswinkel bleef staan om een hartgrondig ‘stink maar op’ te laten horen, is voorbij. Ze verkopen overal kaas, maar of het ook kaas is, waag ik te betwijfelen.

Als jongen werd ik in de stad omringd door allerlei geuren, waarvan ik me de meesten nog goed kan herinneren. De geur van versgemalen koffie bij de Gruijter bijvoorbeeld, daar kon zelfs hun snoepje van de week niet tegenop. Het was de geur die je proefde als je de koffieboon doormidden beet die je van je moeder je had gekregen als ze zich aan de koffiemolen zette, ‘of wil jij malen vandaag? Doe maar drie loodjes dan’. Later kwam ik de geur van koffiebonen weer tegen als we over de Javakade struinden, waar we merkwaardig genoeg niet op zoek waren naar koffie maar naar cacaobonen, en hoopten op Russische sigaretten (die ook zo hun eigen geur hadden, maar daar ging het ons niet om).

Als ik mijn ogen sluit ruik in de cacaofabriek aan de Sloterkade, de Maggi aan de Haarlemmerweg en de drop en pepermunt van Klene aan de Looiersgracht, een geur die er nog jaren na het sluiten van de fabriek gehangen heeft. Hoe rook verse waar, en hoe roken de kolen die door de zwarte mannen met de witte ogen de trap op werden gedragen? Als mijn vader uit zijn werk kwam, rook hij naar benzine, en eenmaal thuis stak hij een sigaret op, waarmee hij, de deur op een kier, op de wc ging zitten.Oh heerlijke geuren van langer geleden.