Van de Italiaanse immigranten uit de vroege vorige eeuw wordt vaak gedacht dat zij weinig contact met Nederlanders hadden. De hier neergestreken ambachtslieden, artiesten, kooplieden, ijsmakers en dienstmeisjes zouden vooral met streekgenoten optrekken. Uit een studie van Margaret Chotkowski blijkt echter dat de Italiaanse nieuwkomers in de late 19de eeuw en het Interbellum wel degelijk contact hadden met de lokale gemeenschap, hoewel zij zich daarbij wel op geloofsgenoten richtten. In de onderzochte steden Amsterdam en Rotterdam waren geen echt aparte Italiaanse wijken ontstaan, zoals in de Verenigde Staten steden waar dit verschijnsel little Italy wordt genoemd. Wel kropen uitoefenaars van bepaalde beroepen bij elkaar. In Amsterdam kwamen de Italiaanse schoorsteenvegers in de jaren 1860-1880 vooral terecht aan de rand van de oude binnenstad aan de Nieuwe Zijde. Italiaanse kooplieden kozen voor een chiquere woonomgeving, zoals de grachtengordel, terwijl beeldenmakers vanwege de lagere huren in de Jordaan belandden.
De ijsbereiders die in het Interbellum naar Nederland kwamen, staan doorgaans model voor de Italiaanse immigrant. Hoewel nog geen 10 procent van de nieuwkomers zich met deze koude delicatesse bezighield, hadden zij vanwege hun beroep uiteraard veel contact met Nederlanders. In de koude maanden tijdens de crisisperiode zochten de ijsmakers naar alternatieve inkomstenbronnen zoals de verkoop van koffie en limonade. In de winter van 1951 hield een ijssalon in Amsterdam zelfs een grote uitverkoop van bontjassen. De grootste groep Italiaanse ‘blijvers’ bestond niet uit ijsmakers maar uit ‘terrazzowerkers’, die granito vloeren maakten. Zij woonden vooral in de Oosterparkbuurt, waar alle Italianen op zondag in optocht naar de mis gingen. Toch was hun aantal verhoudingsgewijs te gering om van een ‘klein Italië’ te spreken.

Margaret Chotkowski, Vijftien ladders en een dambord. Contacten van Italiaanse migranten in Nederland, 1860-1940 (Amsterdam 2006).

Maarten Hell

Januari 2007