De Westelijke Tuinsteden staan aan de vooravond van een grootscheepse vernieuwing. Het plan is om in vijftien jaar 13.300 woningen te slopen en 24.000 nieuw te bouwen. In de afgelopen 50 jaar is er al het nodige veranderd, maar er zijn ook opmerkelijke constanten: nog steeds krijgen veel nieuwkomers hier hun eerste echte woning, zijn het de meest kinderrijke wijken van Amsterdam en is het aantal kerken er uitzonderlijk hoog.

Slotermeer, 1 december 1951: na ruim twintig jaar voorbereiding wordt met de bouw van de Westelijke Tuinsteden begonnen. Na de aanleg van Slotermeer, volgen de wijken Geuzenveld, Overtoomse Veld, Slotervaart, Osdorp en wordt het vooroorlogse Bos en Lommer afgebouwd. In twaalf jaar tijd verrijzen 40.000 woningen.

Wanneer minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting, Joris in ’t Veld, de eerste paal slaat, woont de familie Van Koppen nog in Brabant, het boerengezin Staphorsius in Friesland. De familie Van Bel in Indonesië en de familie Pam in de Pijp. Een paar jaar later zijn ze de eerste bewoners van de splinternieuwe tuinwijken.

Waarom willen ze in dit nieuwe stukje Amsterdam komen wonen?

Chris van Koppen komt als pas afgestudeerd natuurkundige naar Slotermeer om zijn carrière bij Werkspoor te beginnen. Hij betrekt er met vrouw en kind een driekamerflat.

Voor de familie Staphorsius levert het boerenbestaan in Friesland te weinig op om van te leven. Vader Staphorsius trekt naar de stad en vindt werk bij de tram. Een jaar later komen de overige gezinsleden naar Amsterdam. Omdat een echte verhuiswagen te duur is, rijdt de familie met huisraad en al mee op een vleestransport: eerst moet de vervoerder in de haven de varkenspoten lossen en dan pas worden de laatste kilometers naar de eengezinswoning in Geuzenveld afgelegd. Voor zoon Jitze Johannes is de overgang te groot. Door zijn taalproblemen kan hij op school niet meekomen. “Mijn mengeling van Fries met plat-Amsterdams leek van geen kanten op het abn.”

Dat probleem heeft Peggy van Bel niet. In afwachting van de verhuizing naar Nederland worden de kinderen van de Indische Nederlanders op school intensief voorbereid. “Op school gebruikte we precies dezelfde boekjes als de kinderen in Nederland en ik was zelfs vóór toen ik in Nederland aankwam.” Twee en een half jaar brengt het gezin door in verschillende pensions. Dan kunnen ze eindelijk hun eigen huis betrekken in Slotervaart.

De familie Pam woont in een vervallen woning in de Pijp wanneer het bericht komt dat zij kunnen verhuizen naar een gloednieuwe flat in Overtoomse Veld. “Alleen al het woord flat deed mijn ouders duizelen van geluk.(…) Een flat was geen gewoon huis. Wel zeker niet! Een flat was een huis, een huis van alle gemakken voorzien!” herinnert zoon Max zich.

Opa verdeelt

De bewoners van de nieuwe tuinwijken komen uit alle windstreken en niemand weet hoe het samenleven van die verschillende mensen zal gaan. Er zijn wel ideeën. Tijdens de oorlogsjaren heeft een groep vooraanstaande architecten, stedenbouwkundigen en sociografen - verenigd in de zogenaamde groep-Bos - zich gebogen over de vraag hoe na de oorlog in de huisvesting van grote groepen mensen in de steden moet worden voorzien. Duidelijk is dat er veel gebouwd moet worden, want de trek naar de steden zal niet zijn tegen te houden. De groep-Bos vreest een onbeheersbare mensenstroom, met als gevolg vervreemding van de arbeider, verwildering van de jeugd en onzedelijk gedrag van door de oorlog en de bevrijding losgeslagen jonge mannen en vrouwen.

Bos en de zijnen vinden de oplossing in de wijkgedachte. Centraal staat het begrip ‘gemeenschap’. Gebrek aan gemeenschap wordt gezien als een van de grote bedreigingen van de stedelijke cultuur en het streven naar ‘eenheid en overzichtelijkheid’ wordt de toverformule: “De nieuwe stad zal het beeld moeten vertonen van een gecentraliseerde eenheid, een geheel van duidelijk van elkaar afgescheiden wijken, elk met een eigen karakter en een eigen sociaal-culturele werkingssfeer. Eerst in een stad, die aldus zal zijn samengesteld uit een aantal kleinere, overzichtelijke levensgemeenschappen, zal de bewoner de sfeer vinden, waarbinnen zijn sociale en culturele streveningen zich kunnen ontwikkelen, en pas daarna zal zich een eenheid van levensstijl kunnen ontwikkelen die de grondslag kan zijn voor een nieuwe stedelijke cultuur”, schrijft de commissie-Bos in 1946. De uitvoering van de wijkgedachte vereist een centrale regie. In Amsterdam neemt de gemeente het initiatief uit naam van de vijftien woningbouwverenigingen en het Gemeentelijke Woningbedrijf. De basis is het Algemeen Uitbreidingsplan Amsterdam (aup) uit 1935.

Het aup gaat uit van herkenbare en van elkaar te onderscheiden woonwijken van 10.000 inwoners met eigen voorzieningen als scholen, winkels, buurthuizen en kerken. In iedere wijk is ruimte voor alle maatschappelijke klassen en voor alle gezindten. In de praktijk komt het erop neer dat ieder woningbouwproject in overleg met de Federatie van Amsterdamse woningbouwverenigingen naar evenredigheid wordt verdeeld over de Amsterdamse woningbouwverenigingen. Deze zijn op levensbeschouwelijke grondslag georganiseerd en de uitslag van de gemeentelijke verkiezingen is de maatstaf voor de verdeling. In bestuurskringen heet het dat “opa verdeelt”. Opa staat voor de katholieke woningbouwvereniging Het Oosten, het protestantse Patrimonium en de sociaal-democratische Algemene Woningbouwvereniging (awv).

Zuilen en kerken

In de jaren vijftig is Nederland nog geheel verzuild. Als rooms-katholiek sta je niet alleen ingeschreven bij een katholieke woningbouwvereniging en gaan de kinderen naar een katholieke school of voetbalclub; je koopt ook als het even kan je brood bij een katholieke bakker en vlees bij een katholieke slager. Uiteraard stem je kvp, ben je lid van de kro en lees je de Volkskrant en de Beatrijs. Zo blijft ook de socialist trouw aan zijn eigen zuil en staat dus ingeschreven bij de sociaal-democratisch getinte awv, verzekert zich bij de De Centrale en betrekt de boodschappen van de gebruikerscoöperaties.

Voor zoveel verzuilde voorzieningen is de wijk eigenlijk te klein, zeker wanneer de zogenaamde ‘kinderwagenafstand’-norm wordt gehanteerd; de norm die voorschrijft dat alle wijkvoorzieningen voor moeders met kinderwagens gemakkelijk bereikbaar moeten zijn.

Wat geldt voor de wijkvoorzieningen geldt ook voor de kerken. De wijkgedachte sluit naadloos aan op de ontwikkelingen in kerkelijke Nederland. Niet alleen vindt men de grote stad met al zijn verlokkingen geen goed milieu voor een gezond gezinsleven, men is ook beducht voor een verdergaande secularisatie. Organisaties op wijkniveau moeten tegenwicht bieden. Eén grote kerk in het centrum van de stad past niet langer bij de opbouw van de kerk. De wijkgemeente wordt het uitgangspunt, “die is de werkelijke gemeente!” schrijft de hervormde kerkorde in 1951.

In de Westelijke Tuinsteden krijgt uiteindelijk iedere wijk zijn eigen kerkgebouw. Vóór het zover is, moet er natuurlijk al wel gekerkt worden: garages, winkels, bouwketen, (nood)schoolgebouwen en kantines bieden gemeenten en parochies tijdelijk onderdak. Alles is beter dan een kerk buiten de buurt.

In de eerste naoorlogse jaren heerst er een enorme geest- en bouwdrift. Er wordt geld ingezameld voor liefst 40 kerken. Maar als de laatste kerken worden opgeleverd is de ontkerkelijking al in volle gang. In de jaren zestig verlaten de hervormden massaal de kerk. Tien jaar later zijn het de rooms-katholieken en in de jaren tachtig de gereformeerden. Hierdoor zijn de meeste kerken al snel na de oplevering te groot en te duur. Vanaf de jaren zeventig worden de eerste verkocht; meestal aan andere gezindten, maar soms krijgt de kerk een heel andere bestemming. We geven een aantal voorbeelden.

De Sint Catharinakerk

(Slotermeer, bouwjaar 1956, architect: Hardeveld, Sarlemijn en Evers)

De familie Van Koppen behoort tot de Catharinaparochie en kerkt de eerste maanden van haar verblijf in Slotermeer in de kelder van kruidenier Kramer, Johannes Poststraat 15, “tussen de zeep en de thee”. De kerk krijgt de bijnaam: “Onze lieve Heer in de kelder”. Het is een noodoplossing, net als de houten noodkerk waar de parochie vervolgens bijeenkomt. In 1955 wordt de eerste steen gelegd voor de Catharinakerk plus pastorie; een jaar later zijn ze voltooid. De kerk biedt plaats aan ruim 900 kerkgangers.

De pastorie is in 1974 te groot en verhuist naar een veel kleiner onderkomen in de Johannes Poststraat: de voormalige winkel van kruidenier Kramer! De oude pastorie krijgt een sociale bestemming. Zij biedt onderdak aan ontheemde mannen en vrouwen. Eigenlijk is ook de kerk zelf dan al te groot, maar pas begin jaren negentig gaan de drie katholieke parochies in Geuzenveld en Slotermeer samen in Het Nieuwe Verbond. Ze vestigen zich in de voormalige Onze Lieve Vrouwe van Lourdes, ontworpen door Granpré Molière, aan de Noordzijde (nu Granpré Molièreplein). De Sint Catharinakerk wordt in 1993 verkocht aan de Syrisch Orthodoxe kerk. Deze doopt de kerk om tot Sint Sharbil en organiseert er enkele keren per week een kerkdienst voor de 200 aangesloten gezinnen. De kerk is niet langer buurtgebonden, want de nieuwe kerkgangers komen uit heel Amsterdam. Naast de diensten wordt er onderwijs in de eigen taal en cultuur gegeven.

Onze Lieve Vrouwe van Zeven Smarten

(Geuzenveld, bouwjaar 1956, architect: H.J.P. de Vries)

Deze rooms-katholieke parochie begint halverwege de jaren vijftig in een garage aan de Pieter van der Werfstraat. Daarna wordt de mis een paar jaar opgedragen in een houten noodgebouwtje in de Aalbersestraat, op hetzelfde terrein waar in 1960 de nieuwe kerk zal verrijzen. Met ruim 1000 zitplaatsen is het een grote wijkkerk. Tot begin jaren negentig is zij als kerk in gebruik. Dan koopt woningbouwvereniging Het Oosten het gebouw en bouwt er 35 wooneenheden en een kinderopvang.

De Olijftak

(Geuzenveld, bouwjaar 1956, architect: K.L. Sijmons.Dzn)

De naam De Olijftak is ontleend aan het bijbelverhaal over Noach uit een gedicht van Vondel en verwijst niet toevallig naar de nieuwe wereld. Wanneer na de zondvloed de duif met een vers olijftakje in zijn bek terugvliegt naar de Ark van Noach, is dat het bewijs dat het land weer droog staat en Noach aan wal kan.

De Olijftak (275 zitplaatsen), in 1956 gebouwd door de Doopsgezinde gemeenschap, wordt in 1969 verkocht aan de gereformeerden. In 1994 koopt de stichting El Hijra het gebouw en verbouwt het tot moskee. Sinds 1998 worden hier gebedsdiensten gehouden voor moslims van verschillende etnische achtergrond. El Hijra is met ruim 1000 bezoekers de grootste moskee van de Westelijke Tuinsteden.

De Opstandingskerk

(Bos en Lommer, bouwjaar 1956, M.F. Duintjer)

De Opstandingskerk, beter bekend als de “Kolenkit”, markeert de overgang van de oude naar de nieuwe stad. Oorspronkelijk is de Kolenkit van de Nederlands Hervormde gemeente West. Onder de kerkzaal bevinden zich een toneel- en bioscoopzaal met 400 stoelen en een buurt- en jeugdcentrum. Voor de wat oudere jongeren zijn er danslessen en dansavonden. Aan de bijkomende functies hecht de kerkgemeente veel waarde, omdat meer dan 60% van de buurtbewoners jonger is dan 25 jaar.

In de loop van de jaren zeventig lopen zowel de kerk als de jeugdsoos leeg. De stichting Hulp in Nood neemt het gebouw over en organiseert er sinds 1978 evenementen. Vanaf dat jaar houdt de Pinkstergemeente er haar bijeenkomsten. De kerk telt 200 leden. Na een inzamelingsactie in 1995 wordt de kerk gerenoveerd.

Het Open Hof

(Slotervaart, bouwjaar 1965, architect: G. Westerhout)

In 1957 zijn de gereformeerden in Slotervaart de wekelijkse tocht door weer en wind naar de Woestduinkerk in Overtoomse Veld beu. De groep dient bij de kerkeraad een ‘keetplan’ in, dat al snel wordt ingetrokken wanneer een definitieve kerk ook haalbaar lijkt. Als tegemoetkoming aan de ouderen houdt men diensten in de kantine van een rusthuis in aanbouw. Die diensten worden zo goed bezocht, dat de kerkeraad wel moet instemmen met de bouw van een houten noodkerk. Deze doet veel langer dienst dan verwacht, omdat de financiering van de nieuwbouw niet vlot. Het zit de gereformeerde gemeente niet mee. De januaristorm van 1960 blaast hun noodkerk bijna geheel weg. Opnieuw opgebouwd, doet zij nog vijf jaar dienst tot in 1965 een stenen kerkgebouw wordt opgeleverd. Maar na zo’n vijftien tot twintig jaar verlaten ook de gereformeerden massaal de kerk. Na een periode van leegstand wordt de kerk in 1987 verkocht aan kledingbedrijf Salty Dog. De kerk is alleen aan de binnenkant ingrijpend verbouwd.

El Oumma El Islaminia

(Slotervaart/Overtoomse Veld, bouwjaar 1992, architect: onbekend)

Voordat de islamitische gemeenschap op het August Allebéplein in 1992 de eerste nieuwe moskee in de Westelijke Tuinsteden opent, zijn moslims - evenals de nieuwkomers in de jaren vijftig - aangewezen op noodvoorzieningen. Vanaf 1989 is de El Oumma moskee gevestigd in een oud winkelpandje in de Jan Evertsenstraat. De moskee wordt gebruikt door zo’n 50 families. Er worden gebedsdiensten voor mannen en onderwijs in eigen taal en cultuur voor kinderen georganiseerd. Vrouwen bezoeken de moskee niet. Dat is inmiddels anders. In de moskee op het August Allebéplein zijn juist de vrouwen erg actief. Meer dan 150 vrouwen komen er regelmatig voor taallessen, naailessen en voorlichtingsbijeenkomsten. Verder is er een naschoolse opvang en een winkel in levensmiddelen. De opbrengsten van de winkel worden gebruikt voor het onderhoud van de moskee.

De nieuwste bewoners

In de jaren tachtig en negentig vestigen zich in de Westelijke Tuinsteden groepen mensen uit weer andere windstreken dan in de jaren vijftig en zestig. Het merendeel komt uit Suriname, Marokko en Turkije. Ook voor hen is de woning in Nieuw-West vaak een grote vooruitgang. Abderrahim Arrihani komt als 20-jarige eind jaren zeventig met zijn moeder en twaalf broers en zusters in het kader van de gezinshereniging uit Marokko naar Nederland. Zijn vader woont en werkt hier dan al bijna vijftien jaar. De familie Arrihani krijgt een vijfkamerwoning in Bos en Lommer. Abderrahim vindt werk bij een dropfabriek. “Ik wilde verder leren, maar in onze collectieve cultuur moet iedereen meewerken.” In de avonduren volgt hij een lerarenopleiding Arabisch aan de Universiteit van Amsterdam en start met een aantal andere vrijwilligers in de moskee aan de Jan Evertsenstraat een opleiding die later “onderwijs in eigen taal en cultuur” gaat heten. Momenteel woont hij met zijn vrouw en drie kinderen in Overtoomse Veld en werkt hij als beleidsadviseur minderhedenvraagstukken bij een particulier bureau.

Evenals Jitze Johannes - inmiddels Hans - Staphorsius hebben de kinderen van de nieuwste bewoners taalproblemen en evenals de familie Van Koppen houden de huidige bewoners inzamelingen voor de bouw van hun gebedshuizen. Inmiddels zijn er tien moskeeën in de Westelijke Tuinsteden, merendeels gevestigd in bestaande kerken. De kerkendichtheid in de Westelijke Tuinsteden is hierdoor nog steeds uitzonderlijk hoog.

Anno 2001 komt bijna helft van de bevolking oorspronkelijk niet uit Nederland en evenals in de jaren vijftig en zestig wonen in de Westelijke Tuinsteden de meeste kinderen. Kerken en kinderwagens bepalen daardoor nog steeds het straatbeeld.

Tekst: Nanne Koot en Ineke Teijmant

Mei 2001

I. Teijmant is docente stadssociologie aan de Universiteit van Amsterdam. N. Koot is studente stadssociologie. Ineke Teijmant schreef ook Goed wonen in Nieuw-West (met foto’s van Jan Versnel en Bart Sorgedrager), uitgeverij Bas Lubberhuizen, ISBN 9076314810.

Bronnen & Literatuur

A. Bos e.a, De stad van de toekomst. De toekomst der stad. Een stedebouwkundige en sociaal-culturele studie over de groeiende stadsgemeenschap, Rotterdam 1946.

C. Schuyt en E. Taverne, 1950 Welvaart in zwart-wit, Den Haag 2000.

I. Teijmant en F. Martin, Nieuw West; een buurt van goede bedoelingen, Amsterdam 1994.

Beeld: Architecten: Z.D.J.W. Gulden (1875-1960) en Isaac Blomhert (1879-1956). Slaan van de eerste paal van tuinstad Slotermeer en daarmee tevens van de Westelijke Tuinsteden, door minister J.J. in 't Veld van Volkshuisvesting. 1 december 1951. Collectie Beeldbank Archief Amsterdam.