Van 1804 tot 1847 (uitgezonderd 1837-1839) hadden N. Sieburg en M.W. van der Aa het as en het vuil (gesubsidieerd) in pacht. Een slimme pachter kon, als hij de wind meehad, flink verdienen aan het vuil. Veel vuilnis uit Nederlandse steden werd na 1800 uitgevoerd naar Vlaanderen en Noord-Frankrijk en daar als mest uitgestort over de schrale akkers. Deze lucratieve handel kende echter ook tegenslagen. Door de oorlog stokte de uitvoer tussen 1812 en 1814. Na de Belgische Opstand van 1830 berekenden de Belgen hoge invoerrechten aan de Hollandse vuilpachters. Stagnerend werkten ook cholera-epidemieën als die van 1831/1832. uit vrees voor besmetting wilde niemand toen de mest meer afnemen.

De concessie voor Sarphati

De ideeën over vuil en hygiëne veranderden, vooral door toedoen van geneeskundige commissies en individuele hygiënisten, onder wie artsen, ingenieurs, scheikundigen en architecten. Hoe het precies zat wist men nog niet, maar er was een verband tussen het uitbreken van ziekten en verontreiniging van lucht, water en bodem. Op 6 augustus 1847 kreeg de arts-hygiënist dr. Samuel Sarphati toestemming “alle de haardasch, vuilnis, poortaarde, rioolspeciën en afval der vilderij, vallende binnen de stad Amsterdam en derzelve jurisdictie” op te halen. Sarphati droeg die concessie, geldig tot 1883, direct over aan de door hem opgerichte Maatschappij ter bevordering van Landbouw en Landontginning. Deze had tot doel: bevordering van de openbare reinheid en volksgezondheid, verbetering en aanwinning van landbouwgrond, en het scheppen van werkgelegenheid. Nadelig was wel dat de Maatschappij, die in 1875 ter ziele zou gaan, alleen afval inzamelde en niet de straten schoonhield. Pas in 1854 werd daarin voorzien door de juist opgerichte Maatschappij tot Verbetering van den Werkenden Stand. Haar afdeling Straatreiniging heeft 25 jaar de straten geveegd en gespoten. Wie een abonnement had, hoefde niet meer de eigen stoep en straat te schrobben. Grachten schoonmaken bleef lang een stedelijke zaak, maar in 1864 kreeg de Amsterdamsche Landbouw- en Mestcompagnie, ook een particulier initiatief, vergunning de grachten uit te baggeren en op diepte te houden. Op 29 september 1875 besloot Amsterdam, in navolging van Groningen, Deventer, Maastricht en Leeuwarden, dat de reiniging een stedelijke taak moest worden. Op 14 juni 1876 presenteerden B&W hun voorstel inzake de reinigingsdienst. Per 1 oktober 1877 werd de concessie van de Maatschappij ingetrokken en ging de Stadsreiniging van start. Een klein jaar daarvoor was A.A. Voorvoorn alvast benoemd tot directeur, voor een jaarsalaris van ƒ 3000. De reinigingsdienst zamelde alleen afval in; vegen en baggeren deden derden. De dienst moest praktisch opnieuw worden opgebouwd, want het materieel en personeel van de concessiehouder waren ontoereikend. Maatschappij-arbeiders met een bewijs van goed gedrag konden bij de Stadsreiniging in dienst komen: een volwassene kreeg per week tien gulden, een jeugdige arbeider zes gulden. In 1880 beschikte de Stadsreiniging over 167 werklieden, 44 vuilniswagens en 23 vuilnisschuiten.

Jodenbuurt als vuilnisvat

De reinigingsdienst begon in december 1876 in bepaalde wijken op proef, waarbij Maatschappij-mannen geacht werden mee te werken. Voorvoorn noteerde nauwgezet de tekortkomingen. In juni 1877 constateerde hij dat er overal ‘snorders’ waren, mensen die vuilnisbakken doorzochten op bruikbare waar. Dat schaadde de exploitatie en gaf rommel op straat. Met kracht bestreed Voorvoorn de “verwarring” die ontstond door concurrerende particuliere instanties. Zo opereerde sinds 1861 op en rond het Waterlooplein de ‘Vereeniging tot rein en zindelijk houden van de Rapenburgerstraat en ’t Plein’, die betaald werd door de buurtbewoners. Van het overschot van de jaarlijkse bijdragen organiseerde men een verloting voor de armen. Het comité ‘Reinheid bevordert gezondheid’ maakte al jaren de Valkenburgerstraat met zijstegen en sloppen schoon. Men had eigen vuilnisbakken in de straat geplaatst, met toestemming van een oud-burgemeester. Maar wie dat was, konden ze niet vertellen. Het comité bleek bereid mee te werken met de Stadsreiniging-in-oprichting en staakte per 1 april 1877 zijn werk. Soms moest ook Stadreinigings-personeel tot de orde worden geroepen: G. de Blauw, in maart 1877 ontslagen wegens drankmisbruik en het ophalen van drinkgeld, bleef op eigen houtje vuilnis ophalen.
Begin 1878 klaagde Voorvoorn dat de Joden Houttuinen en de Batavier-, Uilenburger- en Valkenburgerstraat vrijwel onbegaanbaar waren door as, afval, potten en pannen met vuil en visresten. Door te weinig politietoezicht was de jodenbuurt nu een openbaar vuilnisvat. Stadsreinigings-personeel werd vijandig bejegend en deed vervolgens maar niets. Voorvoorn wilde dat de politie orde op zaken stelde. Vlak voor het joodse paasfeest was de buurt smeriger dan ooit: de woningen waren naar religieus gebruik gereinigd, waarbij het vuil op straat terechtkwam. Rond Pesach stond ook vaak vis, veelal gekocht van straatventers, op het menu. Nota bene de buurten die eerder een eigen vuilnisdienst hadden, waren in de problemen geraakt. In december 1879 besloot de raad dat de Stadsreiniging ook de straten zou gaan vegen. De Maatschappij tot Verbeterin van den Werkenden Stand had het vegen al per 1 januari 1878 gestaakt. Brandweercommandant V.C. Dijckmeester kreeg opdracht een ‘veegplan’ te ontwerpen en daarop een jaar toezicht te houden. Daarmee raakte Vervoorn op een zijspoor. Hij was in 1876 voor vier jaar benoemd, maar geen “in alle opzichten geschikte persoon” gebleken. De verslonzing van de jodenbuurt werd hem zwaar aangerekend. In november 1880 liet Dijkckmeester weten dat hij de directie van de reiniging en de brandweer wilde combineren en op 1 april 1881 werd hij inderdaad benoemd tot directeur.
Dijckmeester trok de touwtjes meteen strak aan. Al in mei 1880 verzocht hij om herinvoering van het door Voorvoorn geschrapte artikel 49 van de Algemene Politieverordening: “Asch en vuilnis moeten aan de voerders van karren en schuiten gescheiden worden afgegeven. Dit voorkomt dat het vuilnis op straat geplaatst, wordt onderzocht en er onreinheid op straat ontstaat.”

Inferieure Amsterdamse mest

Vuilnis en as vermengd met fecaliën kon goede mest opleveren. Helaas vonden afnemers het Amsterdamse vuilnis onder de maat. Eind 1879, dus nog onder Voorvoorn, was onderhandeld met het proefstation van de Landbouwschool te Wageningen, “ten einde de bereiding der mest-specie uit de verschillende in de gemeente opgehaalde ingrediënten meer stelselmatig te doen plaatsvinden”. In juli 1880 constateerde het proefstation dat de kwaliteit van de mest zwaar tegenviel. De meeste huishoudens en fabrieken in Amsterdam verstookten steenkool of cokes en de as daarvan had geen mestwaarde, maar was zelfs schadelijk. Verder bevatte de mest veertien procent steenachtige voorwerpen. Gescheiden opslag in de vuilniswagens van de soorten vuilnis kon de kwaliteit verhogen.
Stadsmest bestond vooral uit menselijke uitwerpselen, oftewel beer, dat verzameld werd in beerkuilen. Onder de Maatschappij hadden de kuilen jaarlijks ƒ8000 opgeleverd. De opbrengst liep terug omdat er sinds 1875 steeds meer particuliere ‘legers’ actief waren. Gemiddeld leegde de Stadsreiniging per nacht twee kuilen, maar in 1878 was dat nog maar anderhalve kuil per nacht (goed voor ƒ 6000 per jaar) en in 1879 1¼ kuil (ƒ 4000) . Particulieren dreigden de ‘beermarkt’ over te nemen. Behalve dat de kwaliteit omhoog moest, was ook een betere organisatie nodig. Daarom werd M.C. Voorbeytel eind 1880 als aparte directeur mestbereiding en –verkoop aangesteld.
Bij de start van de Stadsreiniging moest, zoals gezegd, nog van alles worden geregeld. In maart 1878 viel het besluit een nieuwe plek te zoeken voor de askarrenpaardenstal, die tot eind april 1880 op de Zieseniskade stond. De nieuwe stal (met dienstwoning) moest plaats bieden aan zo’n 40 paarden en er moest een loods bij komen voor twaalf veegmachines, vijftien vuilniswagens, twintig kruiwagens, één fournagewagen en twaalf sproeiwagens. Verder stonden een wagenmakerswerkplaats, een smederij en een zadelmakerij op de verlanglijst. Het ging om éénderde van de totale capaciteit van de Stadsreiniging. Buiten de Singelgracht, naast het Vondelpark, leek een geschikt terrein (nu de Helmersbuurt) te liggen.
Begin 1880 wilde men ook de stal bij de Zeeburgerdijk sluiten, wegens gebrek aan duinwater en de ongunstige ligging. Op een terrein in het verlengde van de Laagte Kadijk kon de nieuwe stal voor 30 paarden komen, plus een loods voor tien veegmachines, vijftien vuilniswagens, vijftien handkarren, twintig kruiwagens en tien sproeiwagens. Naast deze locaties was er nog een tal met loodsen op het Karthuizerkerkhof in de Jordaan. Begin 1881 bleek dat de grond bij het Vondelpark inmiddels veel te duur was voor de Stadsreiniging. Pas in 1888 kon aan de Kostverlorenvaart een groot terrein als ‘Centrale Belt’ in gebruik worden genomen.

Storten en verbranden

Afval werd gestort op de belt in Oost, op het latere Zeeburgerpad, en op de belt aan de Kattensloot in West. Met de aanleg van de Zeeburgerbelt in 1862 (door Sarphati’s Maatschappij) was de Weesperbelt opgeheven. De fecaliën gingen eerst alleen naar de Kattenslootbelt met zijn gemetselde beerput, maar vanaf 1885 beschikte ook Zeeburg over een beerloods. In de Maatschappij-tijd mochten de arbeiders vodden uit het vuilnis vissen en die verkopen. Na 1877 werd het bij de belten aangevoerde vuilnis direct door de schippers overgenomen. In 1884 besloot men “het recht van uitzoeken van lompen, beenderen, papier, glas, oud ijzer, koper, lood en tin uit de (…) aangevoerde vuilnis” te verpachten aan de meest biedende. De pachter moest ook stenen, sintels, scherven, blik en ander onbruikbaar materiaal uitsorteren. Het was blijkbaar intensief werk, want in 1885 was er een vaste pachter alleen voor de lompen. Hoe de Zeeburgerbelt, waar ook vuil verbrand werd, er uitzeg weten we niet.
Op het nieuwe terrein aan de Kostverlorenvaart, bij de huidige Visseringstraat, bleef de vuilstort een probleem. Binnen de stad was compostering vrijwel onmogelijk en daarom opperde directeur J.D. de l’Epinasse (1902-1906) in 1904 het idee het Naardermeer met vuilnis te dempen. De stad werd zo van een grote last bevrijd én het leverde vruchtbare landbouwgrond op. Natuurminnaars onder aanvoering van Jac.P. Thijsse verijdelden dit drieste plan. Amsterdam week uit naar de onrendabel geachte Volgermeerpolder en Diemerzeedijk, tot in de jaren zestig de officiële vuilstortplaatsen.
De Stadsreiniging boekte tussen 1906 en 1928, onder directeur A. de Groot, grote vooruitgang. De Groot had na het behalen (in 1887) van zijn ingenieursdiploma in Delft enkele jaren in Nederlandsch-Indië gewerkt en daarna lang in China en Japan verbleven. Deze man van de wereld introduceerde in Nederland de elektrische was- en keermachine van wisseltonnen. Hij stelde voor vuilnis te verbranden en de vrijkomende energie te gebruiken. Resterende slakken konden dienen als bouwmateriaal. De eerste raadsbespreking hierover was in 1911 en in 1913 volgde het besluit een grote vuilverbranding te bouwen. Niet gehinderd door de oorlog begon in 1916 een Duits bedrijf met de bouw van de Amsterdamsche Vetbrandingsinstallatie (AVI) in Noord. Na proefnemingen kwam de installatie in 1919 in bedrijf en zoud at een halve eeuw blijven. Toen de AVI ging draaien, werd de Centrale Belt gesloten.
Gedenkwaardig was het jaar 1927: de Stadsreiniging bestond 50 jaar en De Groot nam afscheid als directeur. Al in 1924 werden plannen gemaakt voor een groot feest. “De brandweer kan wel meer pronken, maar aan de burgerij zou kunnen worden getoond dat ook de reiniging een zeer nuttige dienst is.” Om dat te laten zien, besloot men een fanfarekorps en een zangkoor op te richten, naar voorbeelden uit Utrecht en Rotterdam. In 1926 konden het koor Harmonie en het muziekkorps Luctor et Emergo gaan oefene. Naast muziekuitvoeringen en een voetbalmatch zou er een optocht komen van rollend en drijvend materieel. Vijf praalwagens vertoonden achtereenvolgens: de werking van de gesloten vuilnisbak; slechte en goede bestrating; stofbestrijding (met het symbolische beeld Moloch); sneeuwruimen (met de Stedemaagd gehuld in watten) en het rioolwerk (waarbij een draak opduikend uit een riool werd bestreden). Omdat men het ongepast vond dat een (jonge)man de stedemaagd zou uitbeelden, werd de directeur van de Was-, Schoonmaak-, Bad- en Zweminrichtingen gevraagd om een van zijn werkvrouwen ter beschikking te stellen. Zo geschiedde.

IJzeren emmers en Faunwagens

In 1927 was de gesloten vuilnisbak nog geen gemeengoed. Vuil werk werd vaak los of in kistjes en bakjes aangeboden. Van najaar 1932 tot begin 1937 kregen alle wijken uniforme bakken: de verzinkt ijzeren, afsluitbare emmer. Gewone emmers hadden een inhoud van 33 liter, winkelemmers 55 liter en voor ouderen die hoog woonden waren er kleinere van twintig liter. Elk adres kreeg een eigen emmer. Werklozen voorzagen ze van huisnummers, tegen een vergoeding van tien cent op de grachten en vijf cent in de volksbuurten.
In 1932 begon ook de modernisering van het transport. Sinds 1877 werd het vuilnis met paard en wagen opgehaald. In 1881 kregen die wagens afneembare bakken (wisselbakken) van drie kubieke meter. Volle bakken werden overgeladen op een van de tien schuiten, die elk tien bakken konden bergen. Een schuttinkje bij de losplaats voorkwam overlast voor de omwonenden. De schepen vervoerden hun lading sinds 1919 naar de AVI, waar ze per takel gelost werden.
Op 7 mei 1932 verscheen het rapport van de ‘Commissie ter bestudeering van het vuiltransport in de gemeente Amsterdam’. In Noord werd een nieuw type vuilniswagen (merk Faun) met een kantelbare bak getest. De Faunwagen had een capaciteit van
6,4 m3, ruim drie m3 meer dan de wisselbak van de paard-en-wagens. De auto werd aan de achterzijde geladen, wat veiliger was voor het personeel en minder verkeershinder opleverde. Stouwen was bovendien niet meer nodig, want door het kantelen ontstond er steeds nieuwe ruimte. Volle wagens reden aar de vuilverbranding en stortten hun vracht direct in de bunker, waardoor veel tijd en moeite werd bespaard. De inzameling van vuilnis anno 1932 lijkt nog erg op die van nu. Wat er in de afvalverwerking wel veranderde, komt later aan bod.

Drs. G.N.M. Vis is historicus en publicist.

September 1998

Header: Foto van een gemotoriseerde vuilniskar van de Stadsreiniging, afkomstig uit de Beeldbank van het Stadsarchief van Amsterdam.