De aanleiding van het tumult over de (on)betrouwbaarheid van historicus Jan Wagenaar was tamelijk futiel. Hij had op verzoek van het stadsbestuur een lijvig verslag geschreven over het officiële kennismakingsbezoek van de jonge stadhouder Willem V (20) en zijn echtgenote Wilhelmina van Pruisen (17) aan de stad van 30 mei tot 4 juni 1768. Dat bezoek ging met veel pracht en praal gepaard, alles werd uit de kast gehaald om Willem met strijkages onder de kin te kietelen. De jonggehuwden mochten zelfs in het stadhuis op de Dam slapen, waartoe de hele bovenverdieping tijdelijk was ontruimd. Over de marmeren vloer van de Burgerzaal was voor de gelegenheid een parketvloer gelegd, waarop een gezelschap van 1400 mensen pirouettes draaiden op het galabal dat de stad aan het Oranjepaar aanbood.
Willem en Wilhelmina brachten op eigen verzoek een bezoek aan de Stadsschouwburg, het gebouw op de Keizersgracht dat vier jaar later zou afbranden. Er was een prinselijke loge gecreëerd, waarvoor vijf loges moesten wijken. Het was een vorstelijke tent, schreef Wagenaar, met rood fluwelen gordijnen. "In de Tente stonden twee zeer pragtige en nog eens vier en twintig mindere Armstoelen, ook allen met rood zijden damast bekleed. Dit pragtige gevaarte was gebouwd, door den Meester Timmerman Jan Smit, naar eene teekening, door den konstschilder Andries van der Groen, en door hem vervaardigd."
De lofprijzing was echter in het verkeerde keelgat geschoten bij Smit, de vaste timmerbaas bij de Stadsschouwburg. Hij had net de vererende opdracht gekregen om in Haarlem het Diaconieweeshuis aan het Spaarne te ontwerpen (tegenwoordig het Hoofdbureau van Politie) en vreesde waarschijnlijk prestigeverlies nu zijn naam in een adem genoemd werd met een in zijn ogen tweederangs decoratieschilder. In Haarlemse kranten liet hij een advertentie zetten, waarin hij schreef dat Wagenaar de plank volkomen misgeslagen had. Het ontwerp van de loge was helemaal van hemzelf.

Afkomst

De grote Jan Wagenaar (1709-1773) kon dit niet over zijn kant laten gaan. Hij had naam gemaakt als auteur van de vijfdelige Vaderlandsche Historie, waarna zijn loopbaan een enorme vlucht had genomen. Hij was in 1756 door het stadsbestuur benoemd tot hoofdredacteur van de Amsterdamsche Courant en was begonnen aan een stadsgeschiedenis gebaseerd op bronnen waartoe anderen nog nooit toegang hadden gekregen. Hij kreeg de titel 'Historieschrijver der Stadt' en zijn driedelige werk Amsterdam in zyne Opkomst, Aanwas, Geschiedenissen (...) beschreeven was tussen 1760 en 1768 verschenen (in drie edities). Ook dat werk verkocht buitengewoon goed en was juichend ontvangen.
Dat zijn waarheidsgetrouwheid in twijfel werd getrokken door Jan Smit nam hij buitengewoon ernstig op. Hij had zijn informatie gekregen van een regent van de Stadsschouwburg. Nu Smit beweerde dat Van der Groen vier ontwerptekeningen had gemaakt die door hem als waardeloos van de hand waren gewezen, moest hij die maar eens ter vergelijking naast die van hemzelf leggen. "Laat hij ze tonen, als hij durft."
Jan Smit (1726-1807) was geboren in de Pijlsteeg en was van eenvoudige komaf, net als Wagenaar die de zoon was van een schoenmaker. Als timmermansleerling stond hij aan de schaafbank en doorliep daarna de stadstekenschool. Hij werd assistent van de timmerbaas van de Stadsschouwburg Jan van der Streng, die hij in 1762 na zijn overlijden opvolgde. In dat jaar werd hij tevens rooimeester (later bouwopzichter genoemd), een functie die hij tot zijn tachtigste zou bekleden. Smit handelde daarnaast in hout en bezat later ook twee houtzaagmolens aan het Zaagmolenpad (waar nu de Albert Cuypstraat is). Hij was in goede doen geraakt en bewoonde een fraai huis aan de Herengracht (nu nr. 451). Ook Wagenaar was houthandelaar geweest, maar terwijl die inmiddels als intellectueel aanzien genoot en op goede voet stond met de regenten – die hij dagelijks zag omdat hij ook een baantje als 'eerste klerk' op het Stadshuis had – bleef men hem beschouwen als een handwerksman. Dat stak.

Eerzucht

"Men zal niet voorbij kunnen gaan aan een zekere benepenheid in zijn karakter. Een gemakkelijk mens zal hij niet geweest zijn", oordeelde Smits biografe, Elisabeth Lottman, over zijn karakter. In het pamflet waarmee hij reageerde op het stuk van Wagenaar vond hij het bijvoorbeeld ook nodig de uitgevers van de historicus zwart te maken. Jacob Yntema leek op een reizende kermisdokter die deftig probeerde te zijn en zijn compaan Jacob Tiboel blies te hoog van de toren want die was begonnen aan de schaafbank. Zo was Smit ook begonnen, maar die had zich opgewerkt tot "meester boven meester". "Ik ben de lessen der hoogste teekenschool al vroeg ontwassen geweest." Uitlatingen die zijn zaak niet goed deden. Er verschenen hekeldichten tegen hem. Bijvoorbeeld: Jantje, houd je bij de Schaaf/ Wat doe je aan het schrijven?/ Gij word nu der Poëten slaaf/ men spot met uw bedrijven.
Eerzucht was het die Jan Smit dreef, wist Wagenaar. Hij sloeg de spijker op de kop, maar vergat dat hijzelf ook kwaad reageerde omdat zijn eer en goede naam werden aangetast. In deze tijd was eer en schaamte immens belangrijk. Een vechtpartij ontstond al snel bij ruzies waarin woorden als 'schelm', 'hoer' en 'dief' vielen – de justitiële archieven staan er vol van. De elite onttrok zich overigens gedeeltelijk aan de burgerlijke erecodes, de kloof met de gewone burgerij was immers duidelijk genoeg was. Een corrupte bakker was infaam en eerloos, een regent niet. Althans, dat vond hijzelf. Bij de oploop voor de boekhandel en uitgeverij van Yntema en Tiboel op Kalverstraat 22 bij de Jonge Roelensteeg, was tot vermaak van het publiek nog een schertsrechtspraak gehouden, waarbij een 'à la cacquetou' uitgedoste persoon Smit veroordeelde wegens zijn eerloze aanval op Wagenaar.

Brand

Het boekhandelspand staat er al lang niet meer. In 1880 gingen de nummers 22-26 tegen de vlakte voor Hotel Suisse, dat negen jaar later deels herbouwd moest worden na een noodlottige brand. Op 10 januari 1983 brandde het hotel, dat al jaren leegstond, geheel af. Nu is er op die plek een modezaak.

BRANDENBÜRGER TOR
Andries van der Groen was ontwerper en schilder van decors van de Stadsschouwburg. Hij overleed in 1787 op 72-jarige leeftijd, kort voor de Pruisische inval, die een einde maakte aan de patriottische beweging. De hoop van de staatsgezinde stadsbestuurders in 1768 om de jonge stadhouder met gevlij tot een marionet van hun politiek te maken, was overigens al snel in rook vervlogen. Hij hechtte te zeer aan het stadhouderlijke pluche. In Berlijn was koning Frederik Willem II bijna twintig jaar later zo content over de militaire operatie waarmee hij zijn zwager Willem V weer aan de macht had geholpen, dat hij een erepoort liet bouwen: de Brandenbürger Tor.

Beeld: Tientallen pamfletten met Wagenaars boze tekst dwarrelen naar de menigte beneden vanuit het pand van de boekverkopers Yntema en Tiboel. Stadarchief Amsterdam/Kok.