Als hij nu had geleefd was Jan David de Vries ongetwijfeld een verwoed twitteraar geweest, met talloze volgers. Elke dag schreef hij dan in z’n eentje een onlinekrant vol. Hij zou GeenStijl in de schaduw stellen met zijn taal en beledigingen en linkser zijn dan Joop.nl. Maar Jan de Vries was een dwarse 19de-eeuwse journalist.

Helaas voor hem werd Jan David de Vries een dikke anderhalve eeuw te vroeg geboren om van de zegeningen van internet te kunnen profiteren. In zijn korte leven heeft hij alle beschikbare publiciteitsmogelijkheden gebruikt om zijn veelal rebelse standpunten naar buiten te brengen: vlugschriften, brochures, pamfletten, weekbladen en boeken. Vanwege belediging van het koningshuis en van ministers werd hij regelmatig veroordeeld tot boetes en zelfs een langdurige gevangenisstraf.
Niet alleen met autoriteiten lag hij overhoop, ook met vrienden en collega-schrijvers. Jan de Vries was geen gemakkelijk heerschap. Maar hij heeft een boeiend oeuvre nagelaten. Hij was journalist, pamflettist, roman- en toneelschrijver, auteur van historische boeken en vertaler. De Vries was een liefhebber van satire, scherts, spot en ironie en mocht zijn pen graag dopen in “slangen- en drakenbloed”. Hij groeide uit tot een van de felste en meest gevreesde polemisten van zijn tijd.
De Vries behoorde tot een groep van radicale journalisten die in de jaren veertig van de 19de eeuw naar buiten traden en zich het lot aantrokken van de vele armen en werklozen in vooral de grote steden. De laksheid van koning en politici die zich nauwelijks om deze omvangrijke onderklasse bekommerden, was voor hen een steen des aanstoots. Zij presenteerden zich als de ware vrienden van het volk of “volksmannen”, schrijft Dennis Bos in zijn proefschrift Waarachtige volksvrienden.

Ongeduldig

Over het rumoerige leven van Jan de Vries is lang niet alles bekend. We weten dat hij in de tweede helft van 1819 is geboren, waarschijnlijk 21 oktober. Naar eigen zeggen stond zijn wieg in Amsterdam (en was zijn voornaam Johannes), maar dat wordt in andere bronnen in twijfel getrokken. Zeker is dat hij later in Amsterdam heeft gewoond en gewerkt, aan de Recht Boomssloot en de Lauriergracht, en dat zijn diverse geschriften in de hoofdstad werden uitgegeven.
De ouders van Jan de Vries waren welgesteld. Kort na zijn geboorte stierf zijn moeder. Ook zijn vader, ritmeester der cavalerie in het leger, verloor hij op jonge leeftijd, waardoor zijn grootouders – ook niet onbemiddeld – de opvoeding van hun kleinzoon op zich namen. Toen hij de puberteit bereikt had, stuurden ze hem naar een pensionaat in Vianen. Daarna ging hij naar Amsterdam, waar hij onder de hoede kwam van een oom en een opleiding tot kerkleraar volgde.
Jan de Vries was begin twintig toen hij naar Leiden verhuisde om theologie te gaan studeren. Maar aan die studie deed hij niets, volgens biograaf Pierre Vinken (in een artikel in Tirade uit 2005) omdat hij het geduld niet kon opbrengen “voor het aanhoren van colleges over onderwerpen die hij al beheerste”.
Theoloog of dominee is hij dan ook nooit geworden. De Vries ging zich steeds meer toeleggen op het schrijven. Begin 1847 – hij was toen 27 – begon hij een satirisch tijdschrift, Satan geheten, met als ondertitel: “verhalende wat er bij dag, avond en nacht in Neerlands hoofdstad voorvalt, benevens kunst- en toneelkritiek”.

Leve De Hydra

Vier maanden later was zijn eerste periodiek alweer ter ziele. Maar in augustus van dat jaar richtte hij het satirisch weekblad De Hydra op dat veel meer succes zou hebben. Drukker N.W. van Nifterick in de Koestraat in Amsterdam, vlakbij de Nieuwmarkt, was de uitgever. Het blad wilde “een heftige voorstander zijn van het welzijn der Natie, van het Vaderland en den Koning” en zou zijn stem verheffen “zoodra de Grondwet geschonden, onze vrijheid aangerand en onze regten verguisd worden”. Niets zou de redactie tegenhouden, “geene vervolging, geen kerker”. Woorden die blijk gaven van een vooruitziende blik.
Jan de Vries richtte zijn pijlen in De Hydra vooral op één man die hij zelf “een gehaat wezen” noemde: Floris Adriaan baron van Hall, telg uit een befaamd Amsterdams bankiersgeslacht die in de jaren veertig minister van Justitie en van Financiën was. Daarna zou hij het nog tweemaal schoppen tot ‘voorzitter van de ministerraad’; de titel minister-president bestond in die tijd nog niet. Als minister van Financiën wist hij via drastische maatregelen de torenhoge staatsschuld terug te brengen en zelfs om te buigen naar een overschot. De bezuinigingen en belastingverhogingen die Van Hall doorvoerde, troffen volgens Jan de Vries vooral de kleine man. Hij ging ongehoord fel tegen de minister tekeer: hij noemde hem “de leugenaar die de natie bedrogen heeft”.
Jan de Vries was een meester in het schelden. “Het is jammer dat Floris van Hall ook geen vrije kost en inwoning heeft, evenals Harmen Bakker en Govert Verploegh”, schreef hij in De Hydra. Die laatste twee waren bekende criminelen die achter slot en grendel zaten.
Van Hall liet het er niet bij zitten. Hij daagde De Vries en diens uitgever Van Nifterick voor de rechter op beschuldiging van “hoon, laster en opruiing”. Aanhangers van de beklaagde scandeerden in de rechtszaal: “Leve De Hydra”. De rechtbank veroordeelde schrijver en uitgever voor een deel van de tenlastelegging tot drie maanden cel en een boete, het gerechtshof deed in hoger beroep hetzelfde, maar de Hoge Raad sprak het tweetal in cassatie vrij vanwege een vormfout.

Revolutionair vuur

De rechtszaken vonden plaats in de eerste maanden van 1848 – een rumoerige tijd van demonstraties en rellen. Frankrijk was zelfs in de greep van een revolutie, die dreigde over te slaan naar Nederland. Op vele plaatsen in het land was het onrustig, er vielen gewonden en zelfs een dode.
Jan de Vries volgde de ontwikkelingen op de voet en deed er in De Hydra uitgebreid verslag van. Politie en justitie hielden hem voortdurend in de gaten, bang als ze waren dat hij met zijn scherpe pen het revolutionaire vuurtje verder zou opstoken. De Vries wist dat hij grote invloed had. Hij schreef: “Ik gevoelde dat ik eene ontzettende macht bezat, in het Volk, dat ik slechts een paar woorden had toe te spreken, om ongeregeldheden te verwekken, die de verschrikkelijkste gevolgen zouden gehad hebben, of voor het Volk zelve of voor de Regering.”
Tot opluchting van de autoriteiten sprak hij die woorden niet. Sterker: hij distantieerde zich krachtig van rellen in de hoofdstad toen een demonstratie van zo’n tweeduizend man (vooral werklozen) uit de hand liep: “De 24e Maart 1848 zal in de geschiedenis van Amsterdam met eene zwarte kool staan aangetekend. Op dien dag grepen er ongeregeldheden plaats, die door ieder, welke eenige regtschapenheid bezit, verfoeid moet worden.”

De ware volksstem

De situatie bleef gespannen in dat voorjaar. Pamfletten met nieuwe oproepen voor een betoging op de Dam gingen rond. In De Hydra waarschuwde De Vries: “Beeft gij allen, die iets te verliezen hebt. Beeft, want de uitgehongerde menigte vraagt niet naar rang of stand. Zij wil harer honger stillen, zij is razend, zij plundert zonder onderscheid, zij rooft.” Maar de rellen bleven uit. Het revolutionaire tij verliep (“Het volk wil geene verandering, ik verzeker u zulks”, constateerde De Vries later), ook door slim optreden van koning Willem II, die een paar flinke concessies deed en daarvoor door de journalist uitbundig werd geprezen.
Inmiddels had De Vries samen met Adriaan van Bevervoorde, een andere bekende radicale journalist, het initiatief genomen tot oprichting van een Nederlandse afdeling van de Association Démocratique. Deze beweging was in Frankrijk en België ontstaan om langs democratische weg hervormingen af te dwingen en de persvrijheid en vrijheid van meningsuiting veilig te stellen. Het plan voor een Democratische Hoofdvereeniging liep door onderlinge ruzie uiteindelijk op niets uit.
In 1850 fuseerde De Hydra met het geestverwante blad De Burger van Van Bevervoorde. Die schreef de bovenkant vol, De Vries de onderkant. De naam Hydra verdween, want die sloeg eigenlijk nergens op: hydra betekent namelijk monsterdier. Daarmee werd de regering bedoeld, die in het blad juist fel werd aangevallen. De titel werd nu De Volksstem, en toen De Vries en Van Bevervoorde na een jaar toch weer uiteengingen, heette het nieuwe blad De Ware Volksstem. Ook voor trouwe lezers was het bijna niet meer bij te houden.
Weer een jaar later verkocht De Vries zijn blad aan een Haagse uitgever. Hij ging zich toeleggen op het schrijven van brochures en vlugschriften, over de meest uiteenlopende onderwerpen, onder de schuilnaam Asmodée. De rode lijn bleef dat hij ook daarin de vloer aanveegde met ministers en (vooral) het koningshuis. In een vlugschrift beschreef hij de geschiedenis van de Oranjes onder de veelzeggende titel ‘Prinsen van Oranje gewogen maar te licht bevonden’. Zij hadden alleen maar oorlogen, twisten en verdeeldheid gebracht. Onder de naam Asmodée begon De Vries in 1854 ook weer een nieuw tijdschrift, waarin eveneens koningshuis en ministers het moesten ontgelden.

Opgepakt

Twee brochures die in die tijd van zijn hand verschenen, deden hem de das om. Daarin dreef hij de spot met de gang van zaken rond een standbeeld dat in Den Haag voor koning Willem II was opgericht. Het hoofd van de vorst was maandenlang onzichtbaar want er hing een zak overheen. De Vries hekelde de onverschilligheid van zoon Willem III die het standbeeld ook nog nooit had bezocht. De koning sleepte de auteur wegens ‘hoon en laster’ voor de rechter.
De Vries kreeg drie jaar cel. Hij vluchtte naar België, waar hij echter werd opgepakt wegens een openstaande schuld. In het voorwoord van een postuum verschenen roman liet De Vries doorschemeren dat zijn geliefde spotobject Floris van Hall achter deze actie zat – want die schuld had hij allang betaald.
In zijn Antwerpse cel bleef hij artikelen schrijven. Op 10 oktober 1855 kwam hij vrij. Drie dagen later stierf hij in een logement in de Scheldestad aan de longtering (tbc), 35 jaar jong.

Beeld: Jan de Vries, geportretteerd door Johan Haak.