Verscholen in de roef van een trekschuit vluchtte Jan Bernd Bicker op 15 oktober 1787 's morgens in alle vroegte uit Amsterdam. Onderweg naar Rotterdam en verder richting Antwerpen werd overal gevochten en geplunderd en was hij zijn leven niet zeker. Bicker was een van de voormannen van de patriotten, die in de voorgaande jaren democratische hervormingen hadden proberen door te voeren en nu het onderspit moesten delven. Uit ware vrijheidsliefde en uit bezieling voor de belangen van het volk had hij alles opgeofferd, krabbelde hij niet veel later op een paar velletjes papier.
Niet lang daarvoor was hij nog een gerespecteerde jurist en bestuurder. Jan Bernd Bicker was op 27 augustus 1746 geboren als telg van een van de voornaamste en rijkste families van Amsterdam. Het was een tijd van sociale onrust. Zijn vader Henrick was in 1748 na een half jaar als schepen door de stadhouder verwijderd uit het stadsbestuur. Voor zijn zoon had hij daarom vooral een rol in het familiebedrijf in gedachten, de gerenommeerde (bankiers)firma Andries Pels en Zonen.
Maar Jan Bernd zelf – slim, scherp en vol idealen – wilde na zijn studies filosofie en rechten in Utrecht niets liever dan de politiek in. De zes jaar oudere schrijfster Belle van Zuylen, die bij zijn promotie in 1767 een elegant diner hield, had hoge verwachtingen: "Hij is een jongeman van wie veel gehoopt mag worden, zowel voor de literatuur als voor de staat." Een jaar later bekleedde hij als 'commissaris van kleine zaken' zijn eerste post in het Amsterdamse stadsbestuur. Weer een jaar later trouwde hij met een dochter uit een al even aanzienlijk Amsterdams geslacht: Catharina Six.

Idealist

Gestaag maakte hij carrière, dankzij het elitaire bestuurssysteem dat hij later zou bestrijden. In 1772 was hij schepen, eind 1774 kandidaat om bewindhebber bij de West-Indische Compagnie te worden. De stadhouder steunde zijn benoeming, die daarmee zo goed als rond was. Maar Bicker ontdekte dat hij voorrang had gekregen boven de Nicolaas Warin, aan wie al eerder een plek in het bestuur was toegezegd, en stelde alles in het werk om deze Amsterdamse jurist alsnog eerst benoemd te krijgen. Uiteindelijk trok Warin zich maar terug. Bickers rechtlijnige streven naar rechtvaardigheid zou als een rode draad door zijn leven lopen.
In februari 1781 trad hij toe tot de Amsterdamse vroedschap. Oud-burgemeester Egbert de Vrij Temminck had hem voorgedragen. Bicker liet Temminck meteen weten dat de voordracht misschien wel een vergissing was geweest. Hij was namelijk niet van plan blindelings met de burgemeesters mee te stemmen, zoals de gewoonte was. Nee, hij wilde goed op de hoogte zijn van alles wat er speelde en dan naar eigen inzicht en geweten zijn stem uitbrengen.
Hij sloot zich aan bij een groepje idealistische jonge vroedschapsleden die streefden naar bestuurlijke hervormingen en dan vooral naar meer inspraak voor de burgers. Patriotten noemden ze zichzelf, omdat ze het beste voorhadden met het vaderland. Heel anders dan bijvoorbeeld de stadhouder en de aristocratische bestuurders. Die stelden volgens de patriotten hun eigen belangen voorop en maakten misbruik van hun macht door lucratieve en invloedrijke posten onderling te verdelen.
Bicker raakte goed bevriend met een van de patriottenleiders, Balthasar Elias Abbema. Regelmatig leverde hij Abbema een theoretische onderbouwing bij zijn vurige betogen. Over hoe de eigenlijke macht bij de burgers lag, bijvoorbeeld. Zij hadden die macht slechts tijdelijk afgestaan aan de bestuurders, die daarom hun belangen dienden te vertegenwoordigen en aan hen verantwoording schuldig waren. Om die reden moesten de burgers zorgvuldig zijn met wie ze benoemden op belangrijke posities.

Nieuwigheden

Bicker was een man van zijn woord. Begin 1786 vroeg zijn (verre) neef Nicolaas Geelvinck hem om hulp bij zijn herbenoeming tot lid van de Gecommitteerde Raden* in Den Haag. Niet zozeer voor zichzelf, aldus Geelvinck, maar omdat zijn vrouw graag in Den Haag wilde blijven wonen, dicht bij haar oude en bijna blinde moeder. In plaats van Geelvinck te steunen, zoals dat nu eenmaal altijd zo gegaan was, pleitte Bicker in de vroedschap met een hele reeks argumenten tégen de benoeming: Geelvinck bekleedde al een belangrijk ambt in Amsterdam, er zou sprake zijn van belangenverstrengeling, hij kon niet tegelijk in Amsterdam en Den Haag zijn – ga zo maar door. We zijn toch niet zomaar bezig met het invoeren van nutteloze nieuwigheden, betoogde hij: we willen juist dit soort misstanden de wereld uit helpen.
Geelvinck kreeg zijn benoeming wel. Maar het jaar daarop was de invloed van de patriotten verder toegenomen. De voortdurende onenigheid tussen de patriotten, de aristocraten en de aanhangers van de stadhouder legde de vroedschap volledig lam. Op instigatie van de patriotten eisten de Amsterdamse schutters daarom in april 1787 het ontslag van een tiental conservatieve vroedschapsleden. In een heuse en vrijwel geweldloze revolutie namen Jan Bernd Bicker en de andere patriotten daarna de macht in het stadsbestuur over. Die was van korte duur. Al in het najaar maakte de stadhouder met militaire steun uit Pruisen een einde aan de opmars van de patriotten. De leiders werden ontslagen. Een van de eersten die moest vertrekken was Bicker, volgens een tegenstander "de vinnigste van alle zogenaamde patriotten".

Schrikbewind

Net als duizenden andere patriotten ontvluchtte Bicker in oktober 1787 de Republiek. Samen met Abbema trok hij eerst naar Antwerpen en daarna verder naar Brussel, waar zijn vrouw Catharina en hun inmiddels negen kinderen zich bij hem voegden. Ook door de rest van Europa waarde nu de geest van de revolutie. Begin mei 1789 reisde Bicker af naar Versailles om er de eerste bijeenkomst van de Franse Staten-Generaal bij te wonen. Daar eisten de burgers meer zeggenschap en een grondwet – de aanzet tot de Franse Revolutie.
Terug in Brussel brak eind dat jaar een opstand uit tegen het gezag van de Habsburgerse monarchie. Bicker ontsnapte maar net aan een verdwaalde kogel, die zijn huis trof vlak naast het raam waar hij zat te lezen. Voorjaar 1790 verhuisde het gezin Bicker naar Sèvres bij Parijs, maar de onstabiele politieke situatie dreef ze het jaar daarop alweer terug naar Brussel. Daar overleed Catharina Six, op 14 februari 1793, 40 jaar oud. Ze waren 24 jaar samen gelukkig geweest, schreef Jan Bernd Bicker in een rouwbericht. Korte tijd later vestigde hij zich met zijn kinderen in het Franse Nantes.
Nu kreeg hij direct te maken met de zuiveringen van het schrikbewind dat volgde op de revolutie. Toen Abbema in Parijs gevangengezet werd ondernam Bicker, vermomd in lompen en op klompen, de hachelijke reis naar de hoofdstad om zijn vriend te helpen. Eenmaal in Parijs belandde hij als buitenlander bijna zelf achter slot en grendel. Abbema kwam vrij, maar de terugtocht van Bicker naar Nantes verliep verre van gemakkelijk. Onderweg zag hij zich gedwongen zijn pistool te trekken tegen de postiljon – die prompt zelf een pistool op Bicker richtte – en belandde hij in een rijtuig zonder paarden op een open vlakte terwijl rondom de kanonnen bulderden. Zijn gedachten waren op dat moment verre van opgeruimd, gaf hij later toe.

Hoofdrol

Met kinderen en al week hij nu uit naar Zwitserland. Bij de grens moesten ze bijna al hun bezittingen achterlaten en te voet verder. Als politieke asielzoekers kwamen ze aan in Neuchâtel. Ze kregen geen toestemming om er te wonen, en evenmin in Lausanne, Yverdon of St. Blaise, allemaal vanwege Bickers betrokkenheid bij de patriottenopstand van 1787. Uiteindelijk mochten ze zich in Biel vestigen.
Daar in Biel bereikte Bicker ten slotte het bericht dat op 19 januari 1795 onder druk van Franse troepen de revolutie toch nog had plaatsgevonden in Amsterdam. Op de Dam was onder het motto 'vrijheid, gelijkheid, broederschap' de Bataafse Republiek uitgeroepen. Het eeuwenoude bestuurlijke systeem dat Bicker van binnenuit had willen hervormen, ging nu helemaal op de schop. In mei was hij terug in Amsterdam en werd hij vrijwel direct via een ingewikkeld (min of meer) democratisch proces gekozen tot een van de representanten van het volk van Amsterdam, die de stad moesten gaan besturen. Ze bleken vooral veel tijd kwijt te zijn aan onderling gebakkelei en het pareren van kritiek van de rest van de Amsterdammers. Jan Bernd Bicker verhuisde al snel naar Den Haag, om in maart 1796 deel te gaan uitmaken van de Nationale Vergadering, het allereerste gekozen parlement van Nederland, dat de eerste grondwet moest gaan opstellen.
De verdeeldheid binnen de Nationale Vergadering was groot: de radicaalste leden streefden naar een totaal gecentraliseerde staat, terwijl hoofdrolspeler Bicker – die plots tot de moderaten behoorde – een deel van de macht bij de steden en de gewesten wilde laten. Op 22 januari 1798 pleegden de radicalen een staatsgreep. Bicker lieten ze arresteren en na een kort huisarrest gevangen zetten in Wijk bij Duurstede en vervolgens Leeuwarden, waar een dreigende meute hem uitmaakte voor landverrader. Na een nieuwe omwenteling in juni kwam hij op vrije voeten. Even leek hij genoeg te hebben van de politiek, maar in 1802 was hij terug in Den Haag. Hij werd er lid van het Staatsbewind, dat nu aan het hoofd van de Republiek stond.

Napoleon

Frankrijk stelde steeds zwaardere financiële en militaire eisen aan de Bataafse Republiek. In juli 1803 reisde Bicker samen met twee andere afgevaardigden af naar Brussel om erover te onderhandelen met de Franse eerste consul, Napoleon Bonaparte. Die benoemde hem in 1804 tot ridder in het Legioen van Eer, maar verder hadden de besprekingen weinig resultaat. Napoleon wilde de Franse invloed in Nederland juist vergroten en wees de Nederlandse gouverneur in Parijs, Rutger Jan Schimmelpenninck, aan als nieuw staatshoofd.
De uitnodiging van Schimmelpenninck af om deel uit te maken van zijn regering, sloeg Bicker af. Hij was te oud, had al te veel meegemaakt en wilde zich nu terugtrekken uit het openbare leven om zich te richten op zijn familie en zijn belangen "voor dit en voor een toekomstig leven". In een laatste toespraak riep hij Schimmelpenninck op de rechten van het 'Bataafse volk' te beschermen en de onafhankelijkheid van het land en de vrijheid van de inwoners te herstellen. Het mocht niet baten. Napoleon maakte in 1806 zijn broer Lodewijk koning van een nieuw koninkrijk Holland en vier jaar later lijfde hij Nederland helemaal in bij het Franse keizerrijk.
Jan Bernd Bicker trok zich terug op het landgoed Oosterbeek bij Den Haag. Hij leefde er met zijn dochter Catharina. Na een ziekbed van bijna twee maanden overleed hij op 16 december 1812 aan waterzucht in zijn benen. Hij maakte net niet meer mee dat Nederland zich bevrijdde van de Fransen en evenmin dat het land een koninkrijk werd met een Oranje – de zoon van de stadhouder die hij zo verfoeide – op de troon.