Er zijn maar een paar Joodse schilders bekend uit het Amsterdam van de 17de en 18de eeuw. In 1637 kocht Samuel d’Orta, ‘Portugees schilder’, een etsplaat met daarop Abrahams verstoting van Hagar en Ishmael van zijn buurtgenoot Rembrandt. D’Orta kocht hem op voorwaarde dat Rembrandt er zelf geen afdrukken meer van zou verkopen. In 1639 was de geboren Amsterdammer van Portugees-Joodse afkomst Abraham Mendes actief, maar van beide mannen is geen werk bekend.

Rembrandts vriend en concurrent Jan Lievens had in 1669 twee Portugees-Joodse leerlingen, Aron de Chavez en Jacob Cardoso Ribero. De Chavez vertrok in 1674 naar Londen, waar hij in 1675 een schilderij maakte van Mozes en Aaron en de Tien Geboden. Het hing boven de ark in de eerste Portugese synagoge in die stad aan Creechurch Lane en bevindt zich nu in de Bevis Marks synagoge uit 1701. Ten slotte was kunstschilder Jacob Carpi actief in Amsterdam in de eerste helft van de 18de eeuw.

De familie Carpi had zich aan het eind van de 17de eeuw in Amsterdam gevestigd. Pater familias was Salomon Carpi. Hij had ten minste zes kinderen: Abraham, David, Moses, Belitje (Bella), Jacob en Colomba. Colomba trouwde in 1694 met Moses Giron, boekhouder in de Weesperstraat, en Belitje trouwde in 1698 met tabakskoper Aaron Marsilie. Beide mannen kwamen uit het Italiaanse Padua, dicht bij Venetië. Carpi is een stad in de provincie Modena; bij de huwelijksaankondigingen van Belitje en Colomba wordt vermeld dat zij ‘van Verona’ zijn.

Van Salomons zonen is geen huwelijk bekend. Moses Carpi hield zich bezig met handel in kostbare stoffen en Jacob (die ook Jacob da Carpi wordt genoemd) ging in de leer bij de Dordtse portretschilder Arnold Boonen die zich rond dezelfde tijd in Amsterdam vestigde. Waarschijnlijk ontmoette hij daar jonge talenten als Cornelis Troost en Jacob de Wit, die later naam zouden maken in Amsterdam.

Beiden zouden Jacob Carpi portretteren. In de collectie van het Rijksmuseum is een prachtige krijttekening door De Wit van Carpi in de bloei van zijn leven, mogelijk getekend rond 1720, en een prent door Elisabeth van Woensel naar een schilderij van Cornelis Troost uit 1743, met Carpi op een stoel met een pijp in de hand. Dat schilderij is verloren gegaan, of in een onbekende collectie terecht gekomen.

Carpi zou zichzelf zijn hele leven ‘konstschilder’ blijven noemen, maar van hemzelf zijn geen werken bekend. Een postume tekening door Cornelis van Noorde vermeldt dat hij ‘Pourtraiten, Historien, enz.’ schilderde, en een groot kenner en liefhebber ‘van Papierkonst en Schilderij’ was. Hij legde zich in de loop van de tijd vooral toe op de handel in schilderijen, in het bijzonder Italiaanse en Vlaamse meesters. Wie door de Amsterdamse kranten uit de 18de eeuw bladert stuit regelmatig op een verkoping door Carpi.

Op 7 april 1734 werden in het Oudezijds Heerenlogement geveild ‘een kabinet schilderijen, alle van de eerste soort, waaronder is de vermaarde Osse-Drift van Poulus Potter’, een schilderij dat mogelijk bij de bombardementen op Dresden verloren is gegaan. In 1737 taxeerde Carpi de schilderijen in de boedel van Maria Agnes Barbou, weduwe van Joan Occo. In haar woning aan de Herengracht 584 zag hij diverse werken van Italiaanse meesters als Rafael, Veronese, Titaan en Michelangelo. Het duurste schilderij was De aanbiddende dry Koninge van Casper Crayer, geschat op 400 gulden. Ook trof Carpi een ‘Leander’ door Rembrandt aan – waarde 63 gulden, een schilderij dat verder nergens beschreven wordt. Het is bekend dat Rembrandt in 1637 een Hero en Leander van Rubens kocht en tien jaar later met winst verkocht. Het is mogelijk dat hij zelf een schilderij met hetzelfde thema maakte.

Financieel ging het Carpi goed. In 1746 kocht de eerste generatie migrant op de veiling voor 1500 gulden een huis en tuin in de Nieuwe Plantage, achter de hortus. Hier ging hij niet alleen wonen en bracht hij zijn eigen collectie onder, maar hij hield er ook veilingen en kunstverkopingen. Carpi adverteerde bijvoorbeeld in de Amsterdamsche Courant van 24 oktober 1750 dat hij ‘uyt de hand’ had alle prenten te koop had ‘van Raphaël d’Urbino, door Markantoio en Vensesiani gesneeden, welkers weerga nooit beeter gezien zyn’.

Fysiek kreeg de schilder het echter zwaar. Dat blijkt uit de handtekeningen onder verschillende notariële akten die hij in de laatste jaren van zijn leven tekende. Toen hij in 1746 zijn testament opmaakte had hij nog een redelijk vaste hand, al was die al een stuk minder overtuigend dat tien jaar eerder. In 1750 maakte hij ‘eenigsints beroerd zijnde’ een nieuw testament op. Het is aangrijpend te zien dat hij zijn handen toen kennelijk niet meer stil kon houden. Twee jaar later was het handschrift nog aanmerkelijk verslechterd. Was het jicht? Of zou hij de ziekte van Parkinson hebben gehad?

Carpi’s handtekening in 1738, 1746, 1750 en 1752. Hij kan zijn handen steeds moeilijker stil houden.

Ook in de laatste fase van zijn leven werd Carpi getekend door Jacob de Wit, als een oude broze man lopend met een stok, ondersteund door een vrouw. Dat zal zijn huishoudster Bartha Holmer zijn geweest, wier naam we kennen dankzij het testament uit 1750. Jacob Carpi scheelde tien jaar met zijn collega De Wit, ze stierven kort na elkaar. Jacob de Wit werd op 19 november 1754 begraven in de Oude Kerk, 59 jaar oud; Jacob Carpi overleed tweeëneenhalve maand later op 70-jarige leeftijd. Op 3 februari 1755 werd hij begraven op de Portugees-Joodse begraafplaats in Ouderkerk aan de Amstel.

Aktenproject
Het project Alle Amsterdamse Akten is in volle gang. Vrijwilligers hebben inmiddels al meer dan 400.000 akten geïndexeerd. U kunt meehelpen: www.alleamsterdamseakten.nl.