Johan Leonard Lang (1869-1952) was een geboren en getogen Amsterdammer met een goede neus voor zaken. Als zoon van een redelijk bemiddelde kantoorbediende woonde hij op het Singel en de Keizersgracht. Op zijn 23ste nam hij een rijwielzaak over aan de Nicolaas Witsenkade (nr. 45), op de hoek van de Huidekoperstraat. Eigenaar Willem Esser droeg ook het agentschap van het Britse fietsmerk Humber aan hem over. Algauw stond Lang bekend om zijn goede service: terwijl zijn voorganger weleens vier uur aan een lekke band zat te plakken, klaarde hij het klusje binnen een minuut dankzij een obturateur (spuitbus), “de talisman van de luchtbandrijder”.

De rijwielspecialist – Amsterdam telde er enkele tientallen – zocht de publiciteit. Hij sponsorde wielerwedstrijden, adverteerde in kranten en het ANWB-blad De Kampioenen publiceerde geïllustreerde catalogi met zijn koopwaar, zoals driewielers, tandems en safety-bikes– vergelijkbaar met de huidige stadsfiets. Tweedehandsjes had hij ook. Een noviteit was rond 1892 het windscherm voor de fiets. De handel liep goed. Lang kon zijn rijwielzaak aan de Witsenkade uitbreiden op de begane grond van de panden op 39 en 40.

In 1893 stond hij met twee anderen aan de wieg van de Nederlandsche Vereeniging ‘De Rijwielindustrie’, om meer aandacht te wekken voor hun fietsen. Na de toetreding van autofabrikanten ging de naam later over in ‘Rijwiel- en Automobiel-Industrie’, waarvan de afkorting voortleeft in de RAI. Als lid van de tentoonstellingscommissie organiseerde Lang evenementen in het Paleis voor Volksvlijt aan het Frederiksplein, vlak om de hoek. De allereerste, in 1895, was een sof, deels vanwege de barre kou. De circa 600 fietsen in de slecht verwarmde expositieruimte trokken dagelijks slechts een handjevol bibberende bezoekers. Maar Lang liet zich niet uit het veld slaan. De volgende winter organiseerde hij een ‘Vélodrôme d’hiver’: een show met wielerfeesten, wedstrijden figuurrijden of ‘langzaam rijden’ in het Paleis.

Gezellig voertuigje

De tweede grote wielertentoonstelling, in maart 1899, was een doorslaand succes. Behalve fietsen in allerhande soorten en maten waren daar namelijk ook auto’s te zien. En die waren in die dagen nog een bezienswaardigheid. Jos Bogaers-Swagemakers, gemeenteraadslid en wollenstoffenfabrikant te Tilburg, reed in 1895 als eerste Nederlander in zo’n ‘automobile’, een Benz Victoria. De eerste auto die Amsterdam zag, was de gloednieuwe Daimler Victoria van notaris Johan Backx uit de Wieringerwaard (zie Ons Amsterdam, oktober 1996, blz. 246), op 7 oktober 1896. Aan het stuur zat een monteur van de Daimler-fabriek, die het gevaarte naar zijn nieuwe eigenaar moest rijden. De vroegste sporen van een Nederlandse automobielindustrie dateren van een jaar later, toen de broers Menno en August Eysink in Amersfoort hun eerste auto in elkaar zetten.

Ten tijde van de Rijwiel- en Automobieltentoonstelling in maart 1899 bezaten niet meer dan veertig Nederlanders een automobiel. Fabrikanten toonden er hun nieuwste modellen. Een van hen was Décauville. De Franse machinefabriek was bekend vanwege locomotieven en treinstellen, maar maakte ook fietsen, motoren en automobielen. Décauville had onder meer een wagentje meegenomen, “dat er elegant en veilig uitziet, met vier lage wielen en twee bankjes, een gezellig voertuigje”. Gemiddeld ging het voertuig twintig kilometer per uur – de in Nederland geldende maximumsnelheid – maar “zoo nodig” haalde het zelfs de dertig. De aandrijving kwam van een watergekoeld 5 pk-motortje met drie versnellingen, en technisch bijzonder was de onafhankelijke wielophanging. Een van de modellen had een zonnescherm, “een sierlijk tentje, in den vorm van een parasol”. De Décauville kostte f 1890,-. De overige automobielprijzen varieerden van f 900,- tot bijna f 3000,-.

Aangehouden

Johan Leonard Lang exposeerde zelf ook, maar nog geen auto’s. Hij had in zijn stand een uit Duitsland geïmporteerde motordriewieler staan, een goedkoop karretje, en “invalidenwielen voor mismaakten”. Fietsen was immers een “versterkenden sport”. Tijdens of kort na de tentoonstelling kocht hij een Décauville. Waarschijnlijk is dit het exemplaar dat fotograaf Jacob Olie in de Huidekoperstraat op de gevoelige plaat zette. Bij zijn proefrit werd Lang aangehouden, maar – zo wil de anekdote – de politieagenten wisten niet goed wat ze met de situatie aan moesten. Ze begeleidden hem met voertuig en al naar huis. Via de hoofdvertegenwoordiger van Décauville was de rijwielhandelaar inmiddels ook handelsagent geworden van de Franse automobielproducent. Vanaf april 1899 verkocht hij ze vanuit zijn winkel aan de Witsenkade, “compleet met pomp, gereedschappen, en een extra ontstekingskaars” – je-weet-maar-nooit. In De Telegraaf adverteerde hij dat de voertuigen in zijn etalage te bezichtigen waren; de herstelplaats voor rijwielen verhuisde naar Witsenkade 41.

De kersverse auto-importeur bleef nog lang de drijvende kracht achter de RAI-tentoonstellingen. Rond 1905 verhuisde hij zijn zaak naar de voormalige rijtuigfabriek van de Gebroeders Spijker (Stadhouderskade 114). Hij importeerde buitenlandse merken, zoals het Belgische Dechamps, het Amerikaanse Oldsmobile en het Franse Delaunay-Belleville. Spijkers verkocht hij er ook. De Eerste Wereldoorlog maakte een abrupt eind aan die Franse en Belgische import. In 1916 tekende hij een contract met de Fiatfabriek in Turijn. Met de import van dat Italiaanse automerk maakte Lang furore. De hoge invoerrechten en transportkosten wist hij sinds 1950 te omzeilen door in Boskoop – en even later in de voormalige Zuidergasfabriek in Amsterdam – Fiats in elkaar zetten. Twee jaar later overleed hij op 83-jarige leeftijd. Bij de opening van het huidige RAI-complex in de Rivierenbuurt in 1961 kreeg J. Leonard Lang een borstbeeld in de hal.

kader

NETTE WIELERSCHOOL

Johan Leonard Lang organiseerde ook fietslessen in het Paleis van Volksvlijt. Het jaarlijks terugkerende evenement was een slimme zet, want zo kreeg hij er heel wat nieuwe klanten bij. In de gemeenteraad klonk gemor: er zouden onfatsoenlijke lieden op zulke “wielermanèges” afkomen. Lang reageerde met een ingezonden brief in het Algemeen Handelsblad (7-2-1897). In zijn wielerrijschool kwam niemand “wiens verschijning in eene fatsoenlijke buurt niet gewenscht zou zijn”. Het waren allemaal nette mensen. Sterker nog, onder zijn leerlingen zaten ook gemeenteraadsleden “en andere hooggeplaatste ingezetenen”.

Beeldverantwoording: Johan Leonard Lang met zijn gloednieuwe Décauville in de Huidekoperstraat, 1 juni 1899. Op de hoek van de straat had hij zijn rijwielzaak. Fotograaf Jacob Olie woonde er op nummer 19. Collectie Stadsarchief Amsterdam