De belangrijkste bedevaartsplaatsen in de middeleeuwen waren Jeruzalem, Rome en Santiago de Compostella. Drie steden waar jaarlijks vele duizenden pelgrims naar toe trokken om vergeving te vragen voor hun zonden en te bidden op de plekken waar de belangrijkste heiligen hadden geleefd en voor hun geloof waren gestorven. Ook vanuit de Nederlanden ondernamen velen de lange tocht naar een dezer steden, een hachelijke onderneming vol ontberingen die bovendien vaak jaren kon duren. Niet iedereen had echter de moed, de tijd of de conditie (men liep de afstand) om een dergelijke tocht te ondernemen. Gelukkig waren er alternatieven.

Binnen ieders bereik lag wel een plek waar ooit een wonder gebeurd was. Soms kon men daarheen een dagtochtje maken, maar vaak was men langer onderweg. Een dergelijke korte pelgrimstocht had een devoot karakter, maar daarnaast speelde ontspanning een belangrijke rol. Een bezoek aan een bede- vaartsoord met zijn markten en allerlei ontspanningsmogelijkheden vormde een welkome afwisseling in het harde en grauwe bestaan van de middeleeuwse mens. Na 1345 ontwikkelde Amsterdam zich tot een centrum voor het middeleeuws toerisme in de Nederlanden. Een niet alledaagse gebeurtenis was hiervan de oorzaak.

Het Amsterdamse hostiewonder

In 1264 stelde paus Urbanus IV het Heilig Sacramentsfeest in. De verering van de aanwezigheid van Christus in het heilig sacrament (de geconsacreerde hostie) kreeg hierdoor een grote stimulans. Deze devotie kwam onder andere tot uiting in de vele wonderen die zich in het laat-middeleeuwse Europa afspeelden waarbij een gewijde hostie centraal stond. Talrijk zijn in de 13de, 14de en 15de eeuw de verhalen van doorstoken hosties die bloedden en vlekten op smetteloos witte kelkdoekjes, van gestolen hosties die op wonderbaarlijke wijze werden teruggevonden en van hosties die, in het vuur geworpen, toch niet door de vlammen werden verteerd.
Tot deze laatste categorie verhalen behoort de geschiedenis rond het Mirakel van Amsterdam zoals dat zich zou hebben afgespeeld in een huis in de Laen (Kalverstraat) in de nacht van 15 maart 1345. Een zieke man ontving de laatste sacramenten. Even later moest hij overgeven, waarna het braaksel in het vuur gegooid werd. De volgende ochtend vond zijn vrouw de nog geheel gave hostie in de haard. Ze legde deze in een kist en waarschuwde de priester. Die nam de hostie mee naar de Oude Kerk, maar het sacrament keerde twee keer terug naar de woning van de zieke man. De priester raakte er van overtuigd dat hij hier met een wonder te maken had en besloot dit in de openbaarheid te brengen. Het spreekt voor zich dat deze gebeurtenis op allen grote indruk maakte.

Kort hierna, op 31 maart, werd het wonder door de baljuw van Amstelland en het Amsterdamse stads- bestuur officieel erkend. De magistraten en de geestelijken waren zich er terdege van bewust dat een erkend mirakel voor hun stad van grote religieuze en economische betekenis zou kunnen zijn: hogere inkomsten, een toenemend prestige van stad en haar kerken en dergelijke waren aantrekkelijke bijkomstig- heden.
In 1346 verleende de bisschop van Utrecht de pelgrims die de "Heilige Stede" bezochten een aflaat van 40 dagen. Dergelijke privileges hadden een gunstige uitwerking op het aantal pelgrims. In 1347 werd een kleine kapel ingewijd, gebouwd "ter Heiligher Stede", dus op de plek waar het huis had gestaan waarin het mirakel zich had voltrokken. De muur met de schouw nam in de nieuwe kapel een centrale plaats in; hier omheen zou de devotie zich concentreren. Wat er gebeurde met de zieke man en zijn familie die in dit huis gewoond hadden, is niet bekend. Zij verdwenen spoorloos, zelfs hun namen kennen we niet met zekerheid.
In de Mirakelkapel werd de wonderbaarlijke hostie in een kristallen monstrans aan de gelovigen
getoond. De pastoor van de Oude Kerk (de toenmalige parochiekerk van Amsterdam) had van de bisschop van Utrecht toestemming gekregen om steeds een nieuwe hostie te wijden als de oude verteerd zou zijn. Het ging immers niet om deze hostie maar om de waarachtige aanwezigheid van Christus in het heilig sacrament.

Voor het gerief van de gelovigen

Nadat de burgerlijke en kerkelijke autoriteiten het wonder hadden erkend en er ter plaatse een kapel was verrezen, moest aandacht worden besteed aan het ontvangen van de pelgrims. Voor het gerief van de vele gelovigen die vanuit het zuiden (uit de richting van Amstelveen en Sloten) naar Amsterdam reisden, werd na 1371 de Heylighen Weg aangelegd. De weg begon bij de Kostverlorenwetering en voerde langs Overtoom en Leidsestraat tot aan het huidige Koningsplein, waar men door de Heylighe Poort de stad binnenkwam. Het laatste deel van de route (richting Kalverstraat) heeft de oude naam bewaard en heet nog steeds Heiligeweg.

De Mirakelkapel stond tussen Kalverstraat en aan het Rokin. Een aanlegsteiger ter hoogte
van de kapel vergemakkelijkte het bezoek van zieken en invaliden aan het heiligdom. In de omgeving van de Heilige Stede ontstonden gasthuizen, waar armlastige pelgrims en invaliden onderdak vonden en zieken verpleegd konden worden. Rijkere bedevaartgangers namen hun intrek in de vele herbergen die de stad
telde.

Talrijke handelaren, strategisch opgesteld in de omgeving van de kapel, probeerden hun waren aan de pelgrims te slijten en natuurlijk ontbraken de bedelaars niet, die van de devote stemming van de bedevaartgangers gebruik maakten om aalmoezen te krijgen. Het ging er levendig aan toe.

De sacramentsmarkt: religie en negotie

Volgens de bronnen vond het hostiewonder plaats op 15 maart. Ter herinnering hieraan werd jaarlijks op de woensdag na de feestdag van paus Gregorius de Grote (12 maart) het Mirakelfeest gevierd. Veel pelgrims woonden de plechtigheden bij, waaronder de grote sacramentsprocessie. Zeker zo belangrijk was de sacramentsmarkt die in deze periode gehouden werd: een grote markt die ongeveer veertien dagen duurde, te weten zeven dagen voor en zeven dagen na het Mirakelfeest.

Het stadsbestuur, zich bewust van de economische betekenis van dergelijke drukbezochte markten, stimuleerde deze door handelaren die van buiten de stad kwamen in deze periode een vrijgeleide te geven. Om de economische opbloei van Amsterdam, haar "eer ende opcomen", alleen te herleiden tot de sacramentsmarkten en andere handel in de schaduw van de Heilige Stede is te eenzijdig. Veel andere factoren speelden in dit proces een rol.

Amsterdam als bedevaartsstad

Tijdens de grote stadsbrand van 1452 ging ook de Mirakelkapel in vlammen op. Als door een wonder bleef de ciborie (zilveren of gouden kelk met deksel) met daarin de hostie ongeschonden. Zelfs de zijden doek die de ciborie tegen het stof moest beschermen zou niet door het vuur zijn verteerd. Ook dit tweede vuurwonder miste zijn uitwerking niet. Van heinde en verre stroomden de pelgrims toe en hun giften maakten een snelle herbouw van de kapel mogelijk. Ze werd rijk ingericht met mooie altaren, fraaie schilderijen en beelden. In 1456 werd de nieuwe kapel in gebruik genomen. De pelgrims konden zich vergapen aan deze schoonheid. Het was dit bouwwerk dat in 1908 gesloopt zou worden.

Bedevaartgangers op zoek naar genezing kwamen na 1452 niet tevergeefs naar Amsterdam, maar de woorden die Willem Jacobs in 1500 in dit verband schreef moeten we met een korreltje zout nemen. Hij zegt namelijk dat dagelijks vele en grote wonderen geschiedden "in persoonen van binnen der stadt, ende oock van buyten der stadt, als seylende ende reysende oost ende West, van Spanien, Vranckrijk, barbarien, Pruyssen, bremen ende anderen".

We kunnen hier dus spreken van internationaal bedevaartstoerisme, dat nauwelijks onderdoet voor de huidige toeristenstroom. Het Mirakel van Amsterdam had dan ook heel wat te bieden: blinden die hun gezicht terugkregen, genezing van wonden, het vin- den van verloren voorwerpen en onverwachte vrede
tussen twistenden.

De Heilige Stede werd een trekpleister voor allen die hulp en steun in hun levensmoeilijkheden kwa- men zoeken. Merkwaardig is wel dat de meeste wonderen die ons bekend zijn, plaatsvonden tussen 1452 en 1520. Deze periode kan beschouwd worden als de bloeitijd van Amsterdam als bedevaartsstad. Uit oude notities weten we dat jaarlijks ruim 30.000 pelgrims Amsterdam bezochten. Voor het grootste deel waren zij afkomstig uit het graafschap Holland en, in mindere mate, uit andere delen van de Bour- gondische Nederlanden. Amsterdam was een bede- vaartsstad van regionaal belang; het aantal pelgrims dat van buiten Bourgondische landsgrenzen kwam zal dan ook te verwaarlozen zijn geweest. Vaak speelde de handel hierbij een even belangrijke rol als de religie. Exacte gegevens ontbreken echter.

Een koninklijke pelgrim

In 1484 bracht Maximiliaan van Oostenrijk, echtgenoot van hertogin Maria van Bourgondië en Rooms- Koning, een bezoek aan Amsterdam. Volgens de overlevering hield dit bezoek verband met een gelofte die de prins kort daarvoor gedaan had. Tijdens een verblijf in 's-Gravenhage werd de prins overvallen door zware koortsaanvallen. Hij beloofde plechtig de Heilige Stede te zullen bezoeken als hij zijn gezondheid zou terugkrijgen. Dit gebeurde ter- stond en Maximiliaan hield woord.

De toekomstige keizer zou bij zijn bezoek aan Amsterdam de kapel verrijkt hebben met kostbare giften zoals een gouden kelk, een stel misgewaden en een buitengewoon grote waskaars. Volgens de katholieke geschiedschrijving zou ook het Amsterdamse voorrecht om haar stadswapen met de keizerskroon te mogen sieren te danken zijn geweest aan deze wonderbaarlijke genezing. Ook het gebrandschilderde raam dat tot 1832 in de Heilige Stede te zien was, zou als herinnering aan deze genezing door Maximiliaan geschonken zijn. Dit venster kan echter niet voor 1512 aangebracht zijn.

Heilig Jaar als publiekstrekker

Het jaar 1500 was een Heilig Jaar of Jubeljaar. Om dit te vieren hoefde men niet zoals gebruikelijk naar Rome te reizen. De paus stelde de gelovigen namelijk in de gelegenheid om dichter bij huis, onder andere in Amsterdam, een bijzondere aflaat (kwijtschelding van straf in het hiernamaals) te verdienen. In het jaar 1501 vond daarom een bijzondere Mirakelviering plaats en wel tussen 16 maart en 18 april. Om een aflaat te kunnen verdienen, moest men de Heilige Stede bezoeken. Bedevaartgangers van buiten de stad kregen een vrijgeleide. Voor Amsterdam werd het jaar 1501 een topjaar voor het pelgrimtoerisme. Evenals de hedendaagse toeristen had ook de middeleeuwse 'toerist' behoefte aan een souvenir of bewijs van zijn bezoek aan een andere plaats. Meest- al waren het insignes, gemaakt van was of pijpaarde, die als bewijs golden van een bezoek aan een bedevaartsplaats. Ook in Amsterdam moet een dergelijk insigne (met het 'logo': de gave hostie in het vuur) bij de Mirakelkapel te koop zijn geweest. Was en pijp-aarde zijn echter uiterst vergankelijke materialen en geen enkel exemplaar is bewaard gebleven. Het vroegste souvenir dat we kennen is de houtsnede van Jacob van Oostzanen uit 1518. Eveneens uit de 16de eeuw stammen verschillende boekjes waarin de geschiedenis van het Mirakel uitgebreid wordt beschreven.



Mirakeldevotie na de Alteratie

De Reformatie maakte een einde aan de bloei van Amsterdam als pelgrimsstad. Na 1525, onder invloed van het opkomende protestantisme, kwam de mirakeldevotie steeds meer onder druk te staan. In 1567 probeerden calvinisten de Heilige Stede, symbool voor de "roomsche superstitien", binnen te dringen maar ze werden tegengehouden door vrouwen van het Sacramentsgilde. Met de Alteratie in 1578 kwam een abrupt einde aan de openbare devotie van het heilig sacrament van het Mirakel in Amsterdam. De protestanten confisqueerden de kapel, verwijderden alle altaren en versierselen en richtten haar in tot een stal voor de trekpaarden van de prins van Oranje. Daarna gebruikte men de Heilige Stede als opslagplaats, onder andere voor turf.

Het voorstel de kapel af te breken werd snel verworpen, maar wel werd haar naam officieel gewijzigd in Nieuwezijds Kapel. De katholieken bleven natuurlijk vasthouden aan de oude benaming. Vanaf 1590 werd de kapel voor de protestantse eredienst gebruikt. Het openbare gebouw was voor iedereen toegankelijk. Katholieken bleven de kapel bezoeken om op de plek waar het wonder zich zou hebben afgespeeld te bidden. Tevergeefs probeerde men hieraan een einde te maken door in 1624 de laatste restanten van de haard te verwijderen. De devotie bleef.

Begijnhof als nieuw devotiecentrum

Al snel werd de rooms-katholieke kapel op het Begijnhof het centrum voor de sacramentsdevotie in Amsterdam. Geheiligde voorwerpen afkomstig de Heilige Stede waren op het Begijnhof in veiligheid gebracht. Ook de jaarlijkse herdenking van het mirakel zou voortaan op het Begijnhof plechtig gevierd worden. De gelovigen trokken dan na de dienst naar de Kalverstraat en liepen drie keer op blote voeten rond de oude en eerbiedwaardige kapel. Natuurlijk was dit roomse 'bijgeloof' een door in het oog van de protestantse overheden, doch men schijnt hier nauwelijks tegen opgetreden te hebben.

De Mirakeldevotie werd een typisch Amsterdamse aangelegenheid. In de 17de eeuw bezochten nog groepjes Haarlemse pelgrims de plechtigheden in het Begijnhof, maar ook hieraan kwam in de 18de eeuw een einde. Pas in 1845, toen het vijfde eeuwfeest van het Mirakel in grote luister gevierd werd, herleefde de devotie die nog steeds tot uiting komt in de jaarlijkse Stille Omgang. Tijdens deze nacht is Amsterdam weer even bedevaartsstad en kunnen we opnieuw spreken van religieus toerisme.