Het verleden bestaat nog door de kracht van herinnering en verbeelding. En vanzelfsprekend bij de gratie van geschreven of gedrukte bronnen die ons soms prachtige literatuur aanreiken. Toneelstukken uit de 17de eeuw halen de geluiden en sfeer van die periode dichterbij. De wereld van Gerbrand Adriaensz. Bredero (1585-1618) was vol toneel dat zich afspeelde in het Amsterdam van zijn tijd. Met recht noemt hij zich een ‘Amsterdammer’: hij was er geboren en getogen, aan de Oude Zijde, en kende de stad van binnen en van buiten.
Gerbrands geboortehuis stond in de Nes, op de hoek van de Sint Pieterssteeg. Zijn vader had het een jaar eerder gehuurd, in 1584. Acht jaar later verhuisde de familie naar de Oudezijds Voorburgwal bij de Varkenssluis. Vader was van huis uit schoenmaker en hield zich tevens bezig met het verhandelen van onroerend goed en het pachten van de wijnimpost (accijns). Na de Franse school werd Gerbrand literair gevormd door de voorname, cultureel onderlegde dichters en kunstenaars van de oude Amsterdamse rederijkerskamer De Eglentier, die in een zaal op de bovenverdieping van de Vleeshal in de Nes zetelde.
Toevallig valt het moment waarop deze kamer rond 1610 haar deuren opende voor het brede publiek, dat tegen betaling van tweeënhalve stuiver de voorstelling van toneelstukken mocht bijwonen, samen met het begin van Bredero’s literaire carrière. Precies 400 jaar geleden schreef hij zijn beroemde kluchten die er met groot succes werden opgevoerd. Door de grenzeloze populariteit van Bredero’s stukken kon De Eglentier binnen een jaar een winst van meer dan f 2000,-incasseren, een gigantisch bedrag in die tijd.

Handige prater

Die populariteit kwam voort uit Bredero’s talent om het toneel met ‘levende’ mensen te bevolken. Elk van zijn vele toneelfiguren kreeg een eigen persoonlijkheid, met name door rake en karakteristieke uitspraken. Een simpele en korte anekdote groeide zo uit tot een rijke klucht die de auteur door sfeertekening, karakterisering en couleur locale van zijn handtekening voorzag. Van die kluchten was de Klucht van de koe de eerste. In dit stuk steelt een uit Keulen afkomstige dief midden in de nacht de vette melkkoe van een boer in Ouderkerk die hem onderdak heeft verschaft. Hardop overweegt de dief waar hij de gestolen koe zo snel kan verbergen:

’t Zio, ’tzio, ’tzio, kom myn Biest, so myn biesje! so gaat voort,
Ick sel je gaen brengen al stilletjes op een ander oort.
Jouw Miester die mach wel snorcken, wel slapen, wel dromen,
Wy sullen, dus doende, wel te Cost-verloren komen.
De Boer die praette my so veel van dese verweende [vette] Koe,
So haest [snel] as ick hem sach kreegh ick er groote sin toe.
(…)
Ick wil ’t Lood-veld opgaen, so ben ick t’ Amsterveen terstont.
Neen, daer liep ick de schouwt met zyn hond inde mont.
Ick sal de Koe hier ande Hoy-bergh vast maken.

In het holst van de nacht wordt het beestje naar het huis Kostverloren in de buurt van Ouderkerk gebracht en aan een hooiberg gebonden. De dief keert terug naar de boerderij. De volgende morgen vroeg gaat hij samen met de boer op pad richting Amsterdam. Bij Kostverloren aangekomen zegt de dief dat hij daar nog wat zaken te regelen heeft. De handige prater haalt de koe op en ze gaan gedrieën naar de stad, waar de boer zijn eigen beest voor de dief zal gaan verkopen. Ze spreken af elkaar na de verkoop te ontmoeten in de Amsterdamse herberg Het zwarte paard.

Schildersoog

De klucht brengt opvallend veel realistisch aandoende elementen en de expressieve kracht is enorm. Gerbrand was opgeleid tot schilder en hij moet ook de vele details met een schildersoog hebben waargenomen om ze vervolgens beeldend op papier te zetten. Hij zegt ergens: “Ik heb als een schilder de spreuk gevolgd die luidt: ‘Het zijn de beste schilders die het leven het meest nabij komen.’” Inderdaad doet de klucht door zijn uitbundige en bonte realisme nog het meest aan de schilderijen van Frans Hals, Jan Steen of Jacob van Ruisdael denken. Dat blijkt ook goed in de scène waarin de boer en de dief samen naar Amsterdam lopen, achter elkaar in één spoor, over de Amsteldijk, met aan een touw de vette koe.

De gauwdief
By godt, Huysman, gy kent wel lustig anstooten [flink doorstappen],
Ick ben me wel een goet looper, (...) treed vry louter voor, [ga maar vooruit]
Ick set myn voeten strix strax in jouw spoor.
Maer hoe vaertet Oom [hoe gaat het, baas], willen de maets [knechten] hier wat vechten?
De boer
By go jase [Verdorie ja] Maatje, je hebt hier sulcke besuchte kittige [verduiveld pittige] knechten.

De dief stelde de vraag om de boer af te leiden, omdat deze het beest in het ochtendgloren als zijn eigen bezit dreigde te herkennen. Even verder op de Amsteldijk lijkt dat weer te gebeuren en dan wijst de dief snel op het vergezicht: de nieuwbouw van Amsterdam.

Hoe vreemd loopt deze dijk, wat zeilt hier menige schuit,
Hoe varen deze witte-broods Keieren [rijkeluiszoontjes] met hun Jachten uit!
Hoe heerlijk doet hem de stad op [vertoont zich], met al die nieuwe huizen.
Dit hele land, hoor ik, werd gehouden met dijken en met sluizen.
t’ Is wonder, niet waar? Hoe fraai ziet men de Zuider-kerk
Met die witte stenen toren, ’t is wel een treflijk [voortreffelijk] werk!
Hoe flikkert de Son met weer-lichtend geschimmer
Op die verglaasde daken, en op dat nieuw getimmer.

Onvervalste tongval

Het noemen van de Zuiderkerk, die net in 1611 was voltooid, verraadt Bredero’s hang naar actualiteit en schilderachtige details. Met het exacte aanduiden van dergelijke locaties moet het realiteitsgehalte van de klucht voor het Amsterdamse publiek sterk zijn vergroot. Toch is het fictionele karakter van de plot evident. Het verhaal bestond immers al eeuwen. Bredero gebruikte als bron een 16de-eeuws kluchtboekje waarin de lotgevallen van de boer en zijn koe in anderhalve bladzijde waren neergeschreven. Hij kleedde het verhaaltje op onovertroffen wijze aan met komische overdrijving en andere literaire middelen om de lach te stimuleren.
Hoewel de dialogen op rijm en metrum waren gezet en daarom in onze ogen misschien niet zo realistisch klinken, zorgde juist de taal voor herkenbaarheid. Via de personages in het stuk – de boer, een waardin, een simpele herbergbezoeker – kon Bredero de rijkheid van “de oude Aemsteldamsche en Waterlandsche Taal” in het lage spraakregister onverbloemd demonstreren. Ook in zijn blijspelen Moortje en Spaanschen Brabander laat hij een lagere klasse van volkse Amsterdammers aan het woord. De nieuwtjes uit de kroegen en hoerententen worden er voluit verteld, marktkooplui die hun waren aanprijzen, koppelaarsters en snollen die klagen en zeuren. Aan het roepen en vloeken van knechten en meiden lijkt geen eind te komen. En dat alles in een onvervalste tongval.
Bredero’s realisme betreft vooral de taal en de milieuschildering. Het intensieve gebruik van dialect was iets nieuws en nodigde uit de stof en de karakters als ‘eigen’ te accepteren. Het stimuleerde de toeschouwers als het ware tot herkenning. Maar de identificatie mocht de auteur niet op kritiek van zijn stadsgenoten komen te staan! Dat de dommige boer niet een van hén was, werd vanaf het begin duidelijk. Die kwam uit Ouderkerk, de dief uit Keulen.

Kale jonker

Die truc paste Bredero vaker toe, zoals in de Spaanschen Brabander, waar de bedrieger een uit Antwerpen afkomstige landloper was. Deze weet de Amsterdammers met mooie praatjes geld uit de zak te kloppen. Meteen in de openingsmonoloog hoort en ziet de toeschouwer de confrontatie tussen Amsterdam en Antwerpen in smeuïg Brabants dialect:

t ’Is wel een schoone stadt [Amsterdam], moor ’tvolcxken is te vies [slordig]: In Brabant sayn de liens ghemaynlijck exkies,
In kleeding en in dracht, dus op de Spaansche mode,
Als kleyne konincxkens of sienelaycke [zichtbare] goden.

De verwaande hoogmoed van deze kale jonker moet het Amsterdamse publiek bepaald op de lachspieren hebben gewerkt. Ze kenden die Zuid-Nederlanders wel, want een belangrijk deel van de bevolking in die tijd, misschien wel een derde deel, kwam uit het Zuiden. In de Klucht van de Molenaer (1613) is er eveneens een confrontatie tussen eigen en vreemd, nu tussen een fatsoenlijke Amsterdamse en een hitsige molenaar. Bij de opening van het stuk komt Trijn Jans, die met de trekschuit uit Leiden naar Amsterdam terugkeert, buiten adem bij de net gesloten stadspoort aan:

Ick heb geloopen dat ick sweet, o mijn! ick ben soo moe:
En nou ick uyter weer gegaen ben [niet meer kan] nou is juyst de poort toe:
Ja wel ick ben uyt mijn aem [adem], so geweldich heb ick geloopen.
Ja wel op andere plaetsen kan men de poort met een pijntjen [biertje] op [open] koopen.
Dit is te byster [erg] voor de reizende man, en burgers verdriet.
Wat sal ick doen, in een herbergh gaen? dat durf ick niet,
En ick heb hier geen kennis waer ik slapen kan of vernachten.
Ick weet niet wat ick wil, ick heb wel duysent ghedachten…

Boerse vermommingen
Uiteindelijk kiest ze voor een nabijgelegen molen om te overnachten. Slechts met veel moeite weet ze daar de erotische toenaderingen van de molenaar te ontlopen door met de molenaarsvrouw van kleding te wisselen. Ze spreken ’s nachts af, maar in plaats van de stadsvrouw ontmoet de molenaar in het pikkedonker zijn eigen vrouw. De molenaar, opgewonden over zijn ‘nieuwe’ ervaringen, moedigt zijn knecht aan zijn voorbeeld te volgen. Dat mislukt want de molenaarsvrouw moet niets van de knecht hebben.
Kijken we naar de precieze locaties in deze klucht, dan is er de tegenstelling tussen de stad en een buitenstadse molen. De gang die Trijn Jans buiten adem bracht was die van de Kostverloren Vaart, waar ze uit de trekschuit moet zijn gestapt, langs de Heiligewegse Vaart (die later Overtoomse Vaart en Overtoom werd genoemd) en de Heiligeweg, de huidige Leidsestraat, tot aan de Heiligewegspoort. De molen zal ergens langs de Heiligewegse Vaart hebben gestaan.
Waarom kwamen de bedriegers en domoren steeds van buiten de stad, uit Keulen, uit een buitendijkse molen of uit Brabant? Voor een belangrijk deel omdat de verhaaltjes daar om vroegen vanuit de brontekst. Maar het kwam Bredero ook wel heel goed uit. Boeren konden in zijn toneelstukken en liederen ook wat ‘dommig’ zijn omdat ze nu eenmaal niet tot de stadsbewoners behoorden. Zijn nieuwe realisme was namelijk niet zonder risico. Om de tekortkomingen van de stedelingen uit zijn directe omgeving te schetsen en er tegelijk voor te zorgen dat deze zich niet in de personages herkenden, hulde hij de misdragingen en gebreken van de Amsterdammers soms in een boerengewaad . Bredero zegt dat zelf met zoveel woorden in het voorwoord bij zijn liedboekje (mijn vertaling):

Veel dingen heb ik op z’n boers geformuleerd, die echter voor rekening van sommige stedelingen zijn. Die heb ik zo moeten behandelen aangezien ik hun ziekte, krankheid en schurft kende. Ik weet namelijk dat het anders al te kribbig, bitter en scherp bijten zou. Opdat het me niet door veel mensen kwalijk zou worden genomen, lopen zij alle vermomd in de gedaante van boeren met veranderde namen en kleren rond.

Nydige babokken

Waarom koos Gerbrand Bredero kluchten met zondaars van elders? Misschien wel mede om zijn stadsgenoten recht in de ogen te kunnen blijven kijken. Om die reden ook heeft hij zijn latere grote blijspelen de Spaanschen Brabander en het Moortje veertig jaar eerder laten spelen. En liet hij boeren en molenaars de zwakheden van zijn stadsgenoten verbeelden. Er schijnen namelijk “nydige babokken” (hatelijke lomperds) te zijn geweest die de auteur “met laster en achterklap” bestookten. En daar wilde Bredero zo min mogelijk aanleiding toe geven.
Van Bredero’s leven weten we niet veel. Er zijn nauwelijks brieven, oordelen van tijdgenoten of andere documenten die ons inzicht in zijn persoonlijke omstandigheden en drijfveren geven. We moeten het vooral doen met zijn eigen literaire getuigenissen. Op 23 augustus 1618 overlijdt hij geheel onverwachts, 33 jaar oud, ongetrouwd en kinderloos. Die donderslag dreunde na in de lijkdichten van meer dan twintig dichters, onder wie Samuel Coster en Joost van den Vondel.
Zijn oude schoolvriend Cornelis Lodewijckz. vander Plasse, die in die tijd een boekwinkel vlakbij de beurs had aan het huidige Rokin, behartigde Bredero’s literaire nalatenschap. Slechts acht jaar had deze schrijverscarrière geduurd. Wat hij in die korte tijd tot stand heeft gebracht, is zonder meer indrukwekkend. De veelheid en veelzijdigheid van Bredero’s literaire activiteiten laat ons in ieder geval weinig ruimte hem te beschouwen als de ‘zorgeloze losbol’ voor wie men hem decennia lang hield en die Marsman in 1930 nog beschreef in zijn bekende gedicht met de openingsverzen:

Breero is moe, / hij heeft de hele dag door Amsterdam gelopen / geslenterd en gedagdiefd, rondgelopen / langs de kaden met het wijde glinsterende water / en de snelle boten…