Toen Heymen en Suze Westerveld in 1958 werden gevraagd het beheer van de Oude Kerk op zich te nemen, wist Heymen goed wat dat betekende. Als zoon van de koster van de vroegere Koepelkerk aan het Leidsebosje (op de plek van het tegenwoordige Marriott Hotel) hoefde je hem dat niet uit te leggen. Maar dat de kerk het kosterspaar dag en nacht in beslag zou nemen, daar hadden ze toen nog geen idee van.

Heymen was opgegroeid in de kosterij in de Tesselschadestraat. Daar bestierde zijn vader tevens een aannemersbedrijfje voor restauratiewerk dat Heymen uiteindelijk zou voortzetten. In 1954 had hij de Oude Kerk voor het eerst van binnen gezien: “De kerk was totaal verpauperd. Het was één grauwe, vieze bende. De ramen waren half dichtgemetseld, er kwam bijna geen licht binnen, alles was bruin uitgeslagen. Wat zou het fantastisch zijn als die kerk eens gerestaureerd werd, dacht ik toen.” De restauratie vond inderdaad plaats en zou in totaal 24 jaar in beslag nemen, het grootste gedeelte van de periode dat het kostersechtpaar de kerk beheerde. Dat konden ze toen nog niet voorzien, maar dat het beheer geen sinecure was, daar kwamen ze snel achter toen ze met hun gezin eenmaal in de kosterij waren getrokken.

Er was in de Oude Kerk altijd wat te doen. De diensten werden drukbezocht en er waren zo’n drie tot zes concerten per week, soms zelfs twee op een dag. Verder waren er geregeld radio- en tv-opnamen, organisten moesten studeren en er waren congressen, tentoonstellingen en zelfs galadiners. Al die tijd gingen de restauratiewerkzaamheden gewoon door. Voortdurend kwamen er mensen aan de deur en de telefoon stond niet stil. Om ’s avonds rustig te kunnen eten moest de telefoon soms maar even van de haak. Al vrij snel werd duidelijk dat de werkzaamheden voor de kerk niet te combineren waren met die van de aannemerij en Heymen Westerveld verruilde zijn bestaan als zelfstandig ondernemer voor een baan als leraar bouwkunde aan een lbo. Van het beheer van de kerk alleen konden ze immers onmogelijk rondkomen, want de stichting de Oude Kerk vergoedde alleen hun woonkosten, met daar bovenop nog een bescheiden bedragje.

In de jaren dat het echtpaar de kerk beheerde, heeft het drie huizen rond de kerk bewoond. Het eerste bevond zich voor de sacristie. Heymen: “Dat was een fantastisch huis met ontelbare kamers en ten minste twintig kasten. Dwars er doorheen liep een open goot, waardoor het water uit de door ons gebouwde douche zo naar buiten stroomde. Toen dat huis werd afgebroken, verhuisden we naar nummer 13, links naast de hoofdingang van de kerk. Donker en vochtig was het daar. Als je van de straat kwam, was het net of je een konijnenhol binnenging. Uiteindelijk trokken we in de huidige kosterij aan de zuidkant van de kerk. Daar hadden we goed zicht op iedereen die langskwam en waren we zelf beter bereikbaar.” In 1985 ging Heyman Westerveld met pensioen en kwam een einde aan de kosterwerkzaamheden. Het gezin betrok een nieuwbouwwoning tegenover de kerk. Hun oudste dochter heeft hun werk daarna nog vijf jaar voortgezet, maar het jonge gezin dat daarna de kosterij betrok, hield het al na twee jaar voor gezien. Sindsdien zijn er geen kosters meer in de Oude Kerk. Tegenwoordig houdt de Stichting de Oude Kerk er kantoor.

Verboden terrein voor nette mensen

Eind jaren vijftig, toen het kostersgezin naar het Oudekerksplein kwam, was de buurt voor ‘nette mensen’ verboden terrein. “Onze familie vond het maar niets en vroeg zich af wat er van de kinderen terecht moest komen,” vertelt Suze Westerveld, die haar vierde kind in de kosterij kreeg. “Wij antwoordden dan steevast dat wij niet bang hoefden te zijn dat onze kinderen de buurt ingingen, want ze woonden er al. Van hun eigen kinderen moesten ze dat nog maar afwachten. Er was toen overigens nog niet zoveel herrie, zoals nu van dronken Britten en hordes toeristen en dagjesmensen die door de rosse buurt trekken. Er zaten ook veel minder vrouwen achter de ramen dan nu. Meestal woonden de prostituees toen ook in het huis waar ze hun beroep uitoefenden.”

“Pal naast de hoofdingang van de kerk zaten twee oudere vrouwen achter het raam en in een souterrain tegenover de kerk zaten Geert en Dikke Mien, de vrouw van Haring Arie, die tegen iedereen beweerde dat zijn vrouw tegen zijn zin voor het raam zat. Ondertussen profiteerde hij toch maar mooi van haar verdiensten. Dikke Mien vroeg altijd aan ons wanneer er kerkdiensten en concerten waren, want dan ging ze niet voor het raam zitten. Die gemoedelijke omgang is tegenwoordig verdwenen, alleen al omdat het gros van de prostituees geen Nederlands spreekt en er steeds weer nieuwe meisjes achter de ramen zitten. Indertijd konden onze kinderen ook rustig op het plein spelen, want er werd door de dames achter de ramen goed op ze gelet. De kinderen deden ook wel eens boodschappen voor hen. Dan vroegen de vrouwen eerst aan ons of wij dat goed vonden. Maar van ons mochten de kinderen geen geld aannemen, want die meisjes waren veel te gul, ze gaven zó een tientje. En wij wilden niet dat onze kinderen met zakken vol geld rondliepen.”

Heymen: “Vroeger was het plein echt een ontmoetingsplek. In de melkzaak waar nu een koffiehuis annex verhuurkantoor voor prostitutieruimtes zit, kwam je elkaar tegen en maakte je een praatje. Op nummer 56, nu een café, zat een smid, die al het smeedwerk voor de restauratie van de kerk deed. Hij trok altijd veel bekijks als hij op straat stond te smeden. In 1980 is hij vertrokken omdat hij na de voltooiing van de restauratie zonder werk zat. Op nummer 60 bevond zich de opslag van wijnhandel Verbeek met daarnaast de timmermanswerkplaats van Eigendorp. Op de hoek, naast de melkzaak, woonde dokter Groothuyse, een van de weinige artsen in de buurt bij wie prostituees terecht konden. Hij was zeer geliefd omdat hij altijd voor iedereen klaar stond. Naast zijn praktijk studeerde hij ook nog wijsbegeerte en schreef hij studies over de achtergronden van prostituees en souteneurs.”

“De buurt trekt van oudsher een mengeling van allerlei soorten mensen: middenstanders, prostituees, kunstenaars, schrijvers, gewone gezinnen, vage figuren met onduidelijke inkomsten, van alles. Dat is nog steeds zo en dat maakt het leven hier zo boeiend.”

Parkeerwachter als inval-dominee

De zondagsdiensten in de Oude Kerk werden in de jaren vijftig en zestig geleid door dominee W.A. Smit en over publiek was in die tijd niet te klagen. De kerk zat nagenoeg iedere zondag stampvol. Smit was zijn religieuze loopbaan begonnen als zendeling in Atjeh en hij beschouwde na zijn terugkeer naar Nederland de rosse buurt in Amsterdam als zijn ‘zendingsveld’. Samen met de pastor van de Nicolaaskerk trok hij iedere zaterdagavond de buurtkroegen in, waar hij gesprekken voerde met de mensen die hij daar tegenkwam. Hij ging vaak op huisbezoek en op zijn spreekuur kon iedereen terecht. Eens liet hij een parkeerwachter van het Beursplein een preek houden, om aan te tonen dat wat deze te zeggen had, net zo belangrijk was als wat hij als dominee te berde bracht. Die actie leverde hem nog aardig wat problemen op met het kerkbestuur. Maar het resultaat was dat mensen die anders nooit een voet in de kerk zetten, nu wel kwamen, onder wie ook Zwarte Lola uit de Stoofsteeg, de eerste en lange tijd de enige zwarte prostituee in de buurt. Omdat dominee Smit vanwege zijn drukke bezigheden bijna nooit thuis was, kreeg hij te eten bij de familie Westerveld. In hun keuken vingen ze tijdens de zondagsdiensten ook de jonge kinderen op die met hun ouders meekwamen.

Na het vertrek van dominee Smit wisselden verschillende predikanten elkaar af. Heymen Westerveld: “Wij hebben toen het bezoekersaantal drastisch zien dalen tot dertig à veertig mensen per keer. Maar vanaf 1986, sinds de komst van dominee Sytze de Vries, komen er weer meer bezoekers, onder wie ook veel jonge mensen. Het zijn heel andere diensten dan vroeger, bijna alles wordt gezongen. De Sweelinck Cantorij zingt prachtige motetten van bekende componisten, maar ook composities van de eigen dirigent Christiaan Winter op teksten van Sytze de Vries. De Oude Kerk kun je tegenwoordig haast beschouwen als een laboratorium voor nieuwe kerkmuziek.”

De kostersfamilie kon door de jaren heen de kerk maar moeilijk de kerk laten. Dag in dag uit, de hele dag door, kwamen mensen aan de deur van de kosterij. Spullen voor tentoonstellingen werden gebracht en gehaald, bezoekers moesten rondgeleid, organisten werden binnengelaten, het orgel moest gestemd. Voor de concerten, congressen en kerkdiensten moesten stoelen versleept en kachels neergezet, en er moest voor koffie en thee gezorgd. Dan was er nog het schoonmaakwerk van de immense ruimte. Je zou het niet zeggen, maar de Westerkerk past wel tweeënhalf keer in de Oude Kerk. Soms vonden radio- en platenopnamen pas na middernacht plaats omdat het dan volkomen stil was. Ook dan waren koster en kosteres in touw en lagen ze pas tegen de ochtend in bed.

De Oude Kerk heeft een lange muziektraditie, die teruggaat tot de vermaarde Jan Pieterz Sweelinck, die van 1577 (hij was toen 15 jaar oud) tot 1621 het orgel bespeelde dat in 1726 door een geheel nieuw exemplaar werd vervangen. Toch is iets van die glorietijd altijd aan deze plek verbonden gebleven. “Jarenlang kwamen mensen uit heel Nederland af op de orgelconcerten. In de zomer hadden we vier avonden in de week én op zondagmiddag concerten, zoals van de Amsterdamse Cantorij, de Bachvereniging, Studio Laren, Feike Asma, noem maar op. Sommige mensen bezochten wel drie concerten in de week. Eens speelde wijlen Han Lammers, voormalig wethouder in Amsterdam en commissaris van de koningin in Flevoland, hier in de kerk op het orgel. Zijn publiek bestond uit vrienden en kennissen, onder wie Joop den Uyl, Wim Duisenberg, Marcel van Dam, Reinbert de Leeuw, Peter Schat en nog zo wat ministers. Toen hij tot slot Een vaste burcht is onze God speelde, stond Den Uyl op en riep: ‘En toch zullen we overwinnen!’ Sinds de kerk geen kosters meer heeft, zijn er veel minder concerten. Dat is spijtig, ja.” Wel is nog steeds een vaste organist aan de stichting de Oude Kerk verbonden, de Italiaan Matteo Imbruno.

Een gigantische klus

Het kosterschap van het echtpaar Westerveld stond, zoals gezegd, geheel in het teken van de grote restauratie van de kerk, die in 1955 begon onder leiding van de architect C. Wegener Sleeswijk. Vier jaar eerder werd de kerk vanwege bouwvalligheid gesloten. Om het gebouw in oude luister te herstellen werd daarna de Stichting de Oude Kerk opgericht, die officieel bestaat sinds 25 mei 1955 en met ingang van die datum voor ƒ 1 het eigendom van de kerk overnam van de Hervormde Gemeente. Een week later werd al begonnen met de gigantische klus. Daarbij werden niet alleen de oorspronkelijke (veelal 16de-eeuwse) schilderingen weer blootgelegd en gerestaureerd, ook werden panden gesloopt die sinds de 17de eeuw (toen de begraafplaats verdween) tegen de kerk waren aangebouwd en er de oorzaak van waren dat een aantal kerkramen was dichtgemetseld. Die ramen konden dus weer open, zodat er weer daglicht op de kerkvloer kon schijnen.

De restauratie was dus al voor de komst van de Westervelds van start gegaan en vooral Heymen genoot van begin af aan met volle teugen van de ambachtelijke manier van werken. Hij keek zijn ogen uit: “Bijna alles wat nodig was voor de restauratie werd ter plekke gemaakt; de stenen bijvoorbeeld werden gehakt in een speciale steenhouwerij tegenover het Noorderportaal. Het moet er met al die steigers ongeveer zo hebben uitgezien als in de Middeleeuwen, toen de kerk gebouwd werd. De timmerlieden hakten de bochten van de grote spanten, net als de profielen, met de hand uit. De oudste timmerman was tachtig jaar, maar tegen hem kon niemand op. Zo plaatste hij een oude schildering uit een verrotte balk weer in een nieuwe balk, zonder dat de naden zichtbaar waren, zelfs niet met een vergrootglas. Nieuwe balken werden van een hele boom op maat gemaakt door de disselaar, die werkte met een korte beitel aan een steel, een dissel. Verder moesten alle zerken stuk voor stuk worden opgenomen en schoongemaakt. Het was een gigantisch werk.”

De restauratie duurde tot 1979. Tot op de dag van de officiële heropening op 14 maart werd er nog keihard gewerkt. “’s Ochtends lag ik nog in de ijskoude kerk op mijn knieën zerken te schrobben,” zegt Suze Westerveld, “en ’s middags stond ik in vol ornaat klaar om Beatrix en Claus met alle genodigden te ontvangen. Het was trouwens niet de eerste keer dat we hoog bezoek kregen. Juliana woonde meerdere keren incognito kerkdiensten bij.”

Toen het kostersechtpaar eenmaal het besluit had genomen weg te gaan bij de Oude Kerk, zochten Heymen en Suze elders in de stad naar een geschikte woning. Uiteindelijk viel de keuze toch weer op het Oudekerksplein. Het blok nieuwbouwflats tussen de Warmoesstraat, Wijde Kerksteeg en het Oudekerksplein werd in 1985 opgeleverd. Ze konden er terecht in een flat, met, jawel, uitzicht op de Oude Kerk. “Ergens anders konden we niet meer aarden. Alle andere plekken die we hebben bekeken vonden we saai, vergeleken bij dit plein. En in de kerk komen we bij concerten en ’s zondags bij de kerkdienst natuurlijk veel bekenden tegen. Dan is het weer net als vroeger. We blijven dus in de ban van de kerk.”