Koning Willem III vierde in 1887 zijn zeventigste verjaardag in de hoofdstad. De feestelijkheden duurden een week: tussen 12 en 18 april was er overal in de stad wat te beleven. In elke buurt was een erepoort opgetrokken, Naatje op de Dam had een feestbetimmering gekregen, er was vuurwerk boven het IJ, er waren concerten, tentoonstellingen, roeiwedstrijden op de Amstel, oudhollandse spelen op het Museumterrein en overal waren de straten versierd en met elektrisch licht geïllumineerd. In de Herengracht lag de speciaal voor de viering gebouwde galjoot Willemijntje, een imitatie van een 17de-eeuws zeilschip van 28 meter, ontworpen door Izak Gosschalk en betaald door de bewoners van de Gouden Bocht. Het waaide hard die week en het was koud voor de tijd van het jaar, maar dat mocht de pret niet drukken: de Amsterdammers gingen en masse de straat op.

De uitbundigheid van de koningsviering vormde een schril contrast met het wantrouwen in socialistische kring. Voorman Ferdinand Domela Nieuwenhuis zat dat jaar een gevangenisstraf uit wegens majesteitsschennis, nadat de koning in Recht voor Allenwas uitgemaakt voor “iemand die zo weinig van zijn baantje maakt”. En kort na de feestelijkheden verscheen het smaadschrift Uit het leven van Koning Gorilla – waarin Willem III werd neergezet als een hoerenloper.

In Amsterdam telde dat duidelijk niet; bovendien was Willem III in gezelschap van zijn jonge echtgenote, koningin Emma, en het kleine prinsesje Wilhelmina, zes jaar oud. Zij waren zeer populair. Toen zij de galjoot in de Herengracht bezochten, was de belangstelling zo groot, dat het er even gevaarlijk werd, “zoodat men hoorde gillen en schreeuwen, huilende kinderen en weenende vrouwen uit het gedrang een weg zich zag banen met behulp van krachtiger armen”.

Het hoogtepunt viel op vrijdagmorgen 15 april: 5000 schoolkinderen brachten de koning om negen uur ’s ochtends een aubade voor het paleis op de Dam, begeleid door vier militaire muziekkorpsen. De kinderen zongen een Marschliedvan Cornelis Brandts Buys, De Nederlandsche vlagvan zijn zoon Ludwig, een Jubelgroet van Cornelis’ tweede zoon, Henri, en tot slot een drietal aangepaste coupletten van het Wilhelmus.

De aubade was “ontegenzeggelijk de meest indrukwekkende, maar bovendien de meest aandoenlijke hulde, in de jubeldagen, die wij thans vieren, aan onzen Koning en Zijn gezin gebracht”, schreefHet Nieuws van den Dag. De koningin stond met het prinsesje voor het raam en “ook de Koning volgde, vooral toen ’t Wilhelmus weerklonk, met de meeste aandacht de lieflijke klanken”. En “betooverend” was het “vaderlandsch gevoel”, waar de kinderen “flink uit de borst” lucht aan gaven. “Er waren er, flinke mannen, anders niet spoedig uit het veld geslagen, die nu toch, en dit niet door de gevoelige ochtendlucht, met tranen in de oogen stonden.”

Koen Kleijn

Aprilnummer 2020

Beeld: Stadsarchief Amsterdam