Op 28 december 1941 noteerde Géza Frid in zijn agenda: ‘Utrecht, met Alma Rosé, sonatenmiddag.’ Op 19 februari 1944: ‘bij de fam Correa met M. Erb, mevr. Correa en E. v. Hall, ensembles’. Zo sloeg de Hongaarse immigrant zich de oorlog door: hij gaf meer dan veertig keer concerten bij particulieren, in ruil voor geld of levensmiddelen.   

Eén van zijn muzikale partners was zijn echtgenote Ella van Hall, zangeres en pianiste, met wie Frid zang-piano en quatre-main speelde. Hij trad ook meer dan eens op met Alma Rosé, een wereldberoemde Weense violiste, nichtje van Gustav Mahler, totdat zij zomer 1942 via Frankrijk naar Zwitserland vluchtte, een poging die mislukte.  

Mimi Erb was een Amsterdamse zangeres die in 1939 in de Kleine Zaal had gedebuteerd, en ‘mevr. Correa’ – die mee musiceerde en tevens haar huis ter beschikking stelde – was (alt)violiste Etiennette Alvares Correa. Zij was later veelvuldig jurylid van het in 1968 opgerichte Oskar Backconcours. Jarenlang is de hoofdprijs van dat concours naar haar genoemd.  

 

Géza Frid ontvluchtte in 1927 het toenemende fascisme en antisemitisme onder Horthy in zijn geboorteland Hongarije. Hij was toen al een beroemd pianist, dirigent, componist en pedagoog, die les had gehad van onder meer Bartók en Kodály. Op uitnodiging van zijn al even beroemde landgenoot, de violist Zoltán Székely die getrouwd was met een Nederlandse, kwam hij naar Nederland. Na een periode van concerttournees door heel Europa vestigde hij zich in 1929 aan de Van Eeghenstraat. In 1937 trouwde hij met Ella van Hall.  

Zijn carrière verliep daarna voorspoedig. Frids composities werden uitgevoerd in Parijs, New York, Londen en Amsterdam; op 7 maart 1936 begeleidde hij Joseph Schmidt tijdens een liederenavond in de Grote Zaal van het Concertgebouw – lovend besproken in Het Handelsblad – en ook werd hij vaak gevraagd als solopianist. Zijn laatste openbare concert vond plaats in het voorjaar van 1941, samen met Székely. Vanaf september 1941 was het voor Joodse kunstenaars verboden in het openbaar op te treden.  

 

‘Levensmiddelen-concerten'

Vanwege het illegale karakter van de ‘Zwarte Avonden’ zijn er vrijwel geen officiële aankondigingen of programmaboekjes van de concerten bewaard gebleven. Er zijn schaarse foto’s en aantekeningen in memoires, dagboeken en soms een overgebleven gastenboek. De concerten hadden een verschillend karakter. Soms waren ze een vorm van verzet: er werden politieke liedjes ten gehore gebracht, of muziekstukken in genres (jazz) en van componisten (Joodse, Franse, Amerikaanse) die door de bezetter verboden waren.

Voor de uitvoerenden waren ze soms de enige bron van inkomsten en voedsel. Uiteindelijk fungeerden ze vooral als uitlaatklep. Iedereen snakte naar amusement en afleiding, vooral de onderduikers, vluchtelingen, verzetslieden en principiële artiesten die geen lid van de Kultuurkamer wilden worden.

Géza Frid hield minutieus bij waar, wanneer en met wie hij in de periode december 1941 tot mei 1945 had opgetreden. Zo weten we dat hij 45 keer optrad. Hij gaf solorecitals, quatre-mainsconcerten en begeleidde zangeressen, violisten en cellisten. Eerst waren het concerten in heel Nederland, vooral in de noordelijke helft; vanaf het reisverbod voor Joden in 1943 alleen nog in Amsterdam. Vanaf januari 1945 betitelde hij zijn optredens als ‘levensmiddelen-concerten’.

Het Kasteeltje

Frid onderhield contacten met het kunstenaarsverzet via Bertus van Lier, een afgestudeerd componist, leerling van Willem Pijper en sinds 1938 hoofdleraar compositie aan het Utrechts Conservatorium. Daarnaast werkte hij als dirigent en muziekcriticus. Van Lier was half-Joods en al vroeg politiek bewust en antifascist. Hij trok zich terug uit het openbare leven toen de oorlog uitbrak: hij nam ontslag als muziekrecensent bij de NRC, annuleerde zijn contracten als dirigent en ontbond op de dag van de capitulatie het amateurorkest dat hij in 1939 had opgericht.

Toen hij in 1943 gezocht werd door de politie dook hij onder in Amsterdam. Daar werkte hij samen met onder anderen Rudolf Escher, Theun de Vries en Paul Sanders aan verzetsblad De Vrije Katheder en schreef artikelen voor het illegale tijdschrift De vrije Kunstenaar.

Hij bracht daarnaast, hoewel geen geschoold zanger, op illegale huisconcerten liederen uit Schuberts liedcycli Die schone Müllerin en Winterreise ten gehore. Deze liet hij voorafgaan door gesproken inleidingen, die hij later publiceerde. We weten uit de gastenlijst dat hij bijvoorbeeld op 30 december 1941 optrad als zanger, begeleid door Thea Diepenbrock aan de piano.

Thea was de dochter van Elisabeth Diepenbrock, weduwe van de componist Alphons Diepenbrock. Zij organiseerde al voor de oorlog huisconcerten op de vierde verdieping van haar huis aan de Johannes Verhulststraat 89. De houten opbouw van die verdieping noemde ze Castilliarium (‘Het Kasteeltje’). Het zaaltje, negen meter lang en vijf meter breed, bood plaats aan zo’n 150 bezoekers.

Thea was pianiste en cultuurcriticus, haar zuster Joanna was classica en een goede amateurzangeres. Beiden sloten zich niet aan bij de Kultuurkamer en liepen daardoor inkomsten uit concerten mis. De opvoeringen bij de Diepenbrocks gingen door tot in de hongerwinter van 1944. Er werd aan toneel en muziek gedaan en er werd voorgedragen.

Verbazingwekkend was dat de gasten hun naam in het gastenboek noteerden, aan het begin van de oorlog met vulpen, later met potlood. Onder hen waren veel Joodse onderduikers. Die kregen soms geld of wat levensmiddelen mee. Op deze manier kon hun nood enigszins gelenigd worden.

Mischa Hillesum

Vlakbij Het Kasteeltje, op Reijnier Vinkeleskade 61, woonde de weduwe Mien Kuyper-Canté. Zij was in 1921 afgestudeerd als pianiste. Ze gaf pianoles en had in haar grote huis een muziekschool opgericht. Ook zij organiseerde huisconcerten, waarop ze haar jonge pupil Mischa Hillesum liet optreden. We weten hierover uit dagboeknotities van Mischa’s zus Etty. Mischa was een wonderkind dat vanuit Deventer naar Amsterdam was gekomen om zijn pianostudie te vervolgen. Hij kreeg last van psychoses en werd een aantal keren opgenomen in het Apeldoornsche Bos. Hij ging uiteindelijk met zijn familie op transport en stierf in concentratiekamp Warschau. Bij Mien Kuyper concerteerden ook uit Duitsland gevluchte musici als de bas-bariton Hermann Schey en pianisten Imre Ungar en Evaristos Glassner.

Gerard Reve haalde in een VPRO-radioprogramma van 23 oktober 1969 herinneringen op aan een illegaal huisconcert bij particulieren in Amsterdam-Zuid in 1942 of 1943. Een destijds nog onbekende jonge zanger maakte toen veel indruk op hem: Hermann Schey. Het is goed mogelijk dat dit huisconcert plaatsvond bij Mien Kuyper.

Dat ‘jonge’ moet overigens met een korrel zout worden genomen, omdat de zanger tijdens dat concert ongeveer 47 jaar oud moet zijn geweest. Schey had in 1929 al in het Concertgebouw opgetreden en was leraar solozang aan het conservatorium van Amsterdam geworden. Voor de oorlog vormde hij regelmatig een duo met George van Renesse.

Cabaretmiddagen
In het laatste oorlogsjaar vonden er ook illegale muziekmiddagen plaats in de Rivierenbuurt, aan het Merwedeplein. Herbert Nelson, zoon van de beroemde pianist en arrangeur Rudolf Nelson en van ‘gemengde afkomst’, organiseerde er illegale cabaretmiddagen. Hij heeft er zeker vijftig gehouden.

ind 1943 vroeg verzetsman Herman Waage, die op Merwedeplein 6-III woonde, Herbert om een pianoavond te geven voor de Joodse onderduikers bij hem thuis. Die bracht toen bekende Duitse en Nederlandse revueliedjes ten gehore. In ruil ontving hij geld en bonkaarten, en een vervalste vergunning om na spertijd op straat te zijn.

Hierop kreeg Nelson het plan om in zijn eigen woning op nummer 23-I samen met Rudi Gerson een ondergronds cabaret te beginnen voor een betrouwbaar publiek. Ze pikten, leenden en verbouwden wat ze maar konden vinden: stoelen haalden ze ‘s nachts uit cafés, gordijnen vermaakten ze voor het toneel en ze wisten zelfs een tweede piano naar binnen te sjouwen.

Herbert en Lou van den Burg speelden piano en Engelina (Enny) de Leeuwe zong. Helemaal in het begin engageerden ze ook de beroemde Duitse pianist Martin Roman en violist Paul Godwin, maar afgezien van een repetitie is er van hen waarschijnlijk geen uitvoering geweest. Roman werd rond deze tijd naar Vught gedeporteerd.

De eerste voorstelling was op een zondag, voorjaar 1944, om 2 uur: het tijdstip waarop de politieagenten meestal theepauze hielden. De titel van het programma luidde Kom en luister, en een vrijwillige bijdrage was welkom. De voorstelling bestond uit politiek-satirische liedjes en sketches. De optredens vonden iedere zondagmiddag plaats tot het voorjaar van 1945. Na de bevrijding zeiden buren dat ze er nooit iets van hadden gemerkt.