Het eerste 'moderne' meisjestehuis in Nederland opende in 1926 in Amsterdam zijn deuren. Het Tehuis voor Werkende Meisjes was bedoeld voor meisjes van 14 tot 21 jaar, meestal uit problematische sociale milieus, die door de rechter uit huis waren geplaatst. Het week sterk af van de 'gesloten inrichtingen' waar zulke meisjes gewoonlijk naartoe werden gestuurd. Dat waren strenge 'gezinsvervangende internaten' ver buiten de stad, waar ze werden opgesloten, op grote slaapzalen sliepen en zich moesten onderwerpen aan een hardvochtig systeem van regels en straffen. Naar zulke gestichten moest je kinderen alleen sturen als het écht niet anders kon, vond kinderrechter Gerrit Tammo Jan de Jongh, de initiatiefnemer. Dat was begin 20ste eeuw een nogal vernieuwend pedagogisch standpunt.

Al sinds 1905 konden voogdijverenigingen kinderen uit huis laten plaatsen door tussenkomst van de rechter. Sinds de Wet op de Ondertoezichtstelling van 1922 kwam de kinderrechter veel vaker in aanraking met meisjes waarmee eigenlijk niet zo veel aan de hand was. Behalve dan dat ze de pech hadden op te groeien bij bijvoorbeeld gewelddadige, verslaafde, laagbegaafde of constant ruziënde ouders, die niet in staat waren hen goed op te voeden, waardoor ze 'het verkeerde pad' dreigden op te gaan. Zulke meisjes hoorden niet in gesloten inrichtingen, vond De Jongh.

Vrijwillig

Ze verdienden geen straf, maar een liefdevolle opvoeding. Als ze bovendien zelf mochten kiezen welke schoolopleiding ze wilden volgen, bleken ze zich ook nog eens veel beter te gaan gedragen. In gesloten inrichtingen hadden ze maar één keuze: huishoudelijk werk, zodat ze later als dienstbode of werkster de kost konden verdienen. De lonen van kantoor- en fabrieksarbeidsters waren zo laag, dat ze er nooit een zelfstandig bestaan mee konden opbouwen. Het pakte ook beter uit als de Amsterdamse meisjes in hun eigen omgeving konden blijven wonen, zag De Jongh. Ze konden dan op hun eigen school blijven, hun baan houden en in contact blijven met hun familie. Ze leerden ook om te gaan met de verleidingen van de stad. Want het bleek dat ze na hun tijd in het internaat meestal toch terugkwamen naar Amsterdam en dan juist vaak in de problemen belandden, bijvoorbeeld in de prostitutie.

De kinderrechter was geïnspireerd geraakt door Le Home Familial in Brussel, ook wel het home de semi-liberté genoemd. Hij vormde een comité van Amsterdamse "burgers en burgeressen" en zamelde geld in. Op 13 september 1926 werd de Vereniging Tehuizen voor Werkende Meisjes te Amsterdam opgericht. Medeoprichters waren mevrouw C.M. van Ooy (de eerste inspectrice van de kinderpolitie), mevrouw Ch.L. Polak-Rosenberg, mevrouw A.A.J. Hülsmann-Boese en vele van zijn vrienden uit Rotary-kringen.

Doel was "het aanwenden van reclasseringspogingen en het steunen en opheffen van minderjarige meisjes, boven den leeftijd van veertien jaren, die in aanraking zijn gekomen met de justitie, hetzij op grond, dat zij met zedelijken of lichamelijken ondergang worden bedreigd, hetzij ter zake van eenig strafbaar feit". Het tehuis "staat open voor alle gezindten". Met het meisjeshuis wilde De Jongh een tussenvorm creëren tussen het gesloten gesticht en de vrije maatschappij. De meisjes woonden er in een 'open' huis en op vrijwillige basis. Naar buiten gaan gebeurde in overleg met de directrice. Daarom werd het wel een "huis met halve vrijheid" genoemd.

Quasigezin

Het tehuis kwam niet in een apart gebouw, maar in een blok met arbeiderswoningen op de Olympiakade. Die waren tussen 1924 en 1926 in aanbouw. Het door Amsterdamse Schoolarchitect Jan Gratamablok is nu bekend onder de naam Olympia. In oktober 1925 trokken de eerste huurders in de nieuwe woningen. De Olympiakade lag toen nog aan de rand van Amsterdam, ver van het drukke stadsgewoel, en was daarom bij uitstek geschikt voor de doelgroep, vonden de oprichters. De vereniging huurde op nummer 17-18 acht woningen van de gemeente, deels boven elkaar gelegen. Nog tijdens de bouw werden de woningen samengevoegd tot een tehuis voor 24 meisjes. De vereniging stelde ook een directrice en een leidster aan. In september 1926 kwamen de eerste zes meisjes er wonen.

Het meisjestehuis had geen naam en aan de pui was niet te zien dat het er was. Dat was ook de bedoeling, want het dagelijks leven van de bewoonsters moest zo onopvallend mogelijk doorgaan. Het tehuis was een nabootsing van een gewoon gezin, geen variant van een gesloten gesticht of een klooster. De meisjes stonden weliswaar onder toezicht, maar hadden relatief veel vrijheid en zelfs hun eigen kamertje. Ze hoefden geen speciale kleding aan, gingen overdag naar school of werk en op zondagmiddag op bezoek bij hun familie. 'Nette verkering' was op die dag ook welkom en ze mochten zelf weten of ze naar de kerk wilden gaan.

Sommige meisjes hadden 's morgens een dienstje en 's middags bijvoorbeeld een cursus kinderverzorging. Ze gingen naar mulo, huishoudschool of modevakschool. Anderen werkten in een atelier of winkel. Meisjes die geld verdienden betaalden kostgeld. Er was wel één hele strenge regel: wie een nacht was weggebleven mocht niet meer terugkomen en werd alsnog naar een gesloten gesticht gestuurd.

Stil alarm

Beneden waren eetkamer en huiskamer, keuken en zijkeuken en een spreekkamertje. Op de etages erboven de kamers van de directrice, de slaapkamertjes van de meisjes en de assistenten. Op iedere verdieping sliep een assistente. Op zolder waren de linnenkamer en een strafkamertje, dat alleen diende om er tot bezinning te komen. Achter het huis lag de tuin, waar groenten en bloemen werden gekweekt. Alle kamertjes hadden "electrisch licht en vaste waschtafel". Een "bijna onmerkbaar knopje bij het raam" gaf bij openen van de deur een signaal, zodat de assistentes konden zien of een meisje 's nachts bij haar buurvrouw op bezoek wilde gaan. Want dat was niet de bedoeling. Zij controleerden ook of meisjes op tijd naar hun werk gingen en wisten hoe laat elk meisje hoorde thuis te komen. De meisjes kregen zakgeld, hadden een spaarpot, verstelden samen de was, zaten op catechisatie, naailes of volksdansen.

"Tientallen meisjes zijn aldus uit de gribus opgehaald en hebben zich ontwikkeld tot keurig nette meisjes", constateerde de kinderrechter tevreden tijdens de viering van het tienjarig bestaan van het tehuis in 1936. Hij bleef nauw betrokken als bestuursvoorzitter en was ook elke zondagmiddag in de huiskamer te vinden.

Het idee van een "huis met halve vrijheid" sloeg aan en in de jaren dertig kwamen dan ook regelmatig ambtenaren uit andere grote steden een kijkje nemen, om inspiratie op te doen voor soortgelijke tehuizen elders. Ook internationaal trok de Jongh met zijn ideeën de aandacht. Zo beschreef de gerenommeerde psychoanalytica dr. Grace Winifred Pailthorpe het Amsterdamse meisjeshuis aan de Olympiakade in haar Studies in the Psychology of Deliquency, dat in 1932 werd gepubliceerd onder auspiciën van de Britse Medical Research Council.

Knalidee

De moderne tijd ging enkele decennia later ook niet aan het meisjestehuis voorbij. Vanaf 1958 werden de meisjes in twee groepen verdeeld, oudere en jongere, met ieder een eigen groepsleidster en groepshuiskamer. Het 'huis aan de kade', zoals de meisjes het vaak noemden, kreeg centrale verwarming. In het jubileumnummer van het huisblad Kwikzilver (september 1966) staan verhalen van meisjes die een dagje naar het strand gaan of uit dansen met hun vriend, plaatjes draaien van de Stones en andere beatmuziek. Ze doen aan schilderen, boetseren en 'brommeren'. "Verder hebben we nog een knalidee om van de zolder een rekreatieoord te maken. Dat zou dol gezellig zijn. Een t.v. hebben we net gekregen, nog reuze bedankt." Op zaterdagavond en op zondag mogen de meisjes uit – wél moeten ze een "behoorlijk plan" hebben. Voor het tuinfeest ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan waren ook de vriendjes uitgenodigd. In de zomer van 1969 gingen de meisjes op kampeervakantie in de Belgische Ardennen. En door allemaal flink te sparen zat er zelfs een keer een wintersportvakantie in. Rieke Siccama Lenos, directrice van februari 1966 tot maart 1976, ging ook mee op zulke vakanties, als een moeder van een groot gezin.

Lenos voerde vanaf eind jaren zestig veel vernieuwingen door. De maatschappelijke roep om democratisering en vrijheid klonk ook in het meisjestehuis. De leidsters woonden niet langer intern, de begeleiding werd verder geprofessionaliseerd en steeds individueler. Meisjes kregen meer inspraak en eigen verantwoordelijkheid. Alcohol en drugs in huis waren verboden, maar "gebruik je het buiten de deur om welke reden dan ook dan hopen we ernstig dat je je verstand er bij gebruikt." Een voorstel voor nieuwe huisregels werd in 1973 besproken op een groepsvergadering, waar iedereen haar eigen mening mocht geven en voorstellen doen. In dat jaar werd je niet meer weggestuurd als je een nacht was weggebleven, maar zocht de leidster in overleg met de directie een oplossing. Op de bovenste etage kwamen in de jaren zeventig een aantal kamers voor "training kamerbewoning". Zo werd toegewerkt naar het elders zelfstandig op kamers gaan wonen in Amsterdam.

Op kamers

Overal in Nederland werden in de loop van de jaren zestig en zeventig minder en minder meisjes door rechters uit huis geplaatst. Ze bleven vaker thuis wonen met gezinsbegeleiding of gingen al dan niet begeleid op kamers wonen. De tehuizen voor 'studerende en werkende jeugd' raakten onderbezet. De meisjes die nog wél in zulke tehuizen terechtkwamen, hadden steeds gecompliceerdere problemen. Steeds vaker stuurde ook de gemeentelijke Sociale Dienst dakloze en werkloze meisjes door naar het tehuis. In de archiefstukken van die jaren lezen we over agressief en destructief gedrag, faalangst, liegen, stelen, wantrouwen tegen elke vorm van autoriteit en veel mislukte plaatsingen.

Het 50-jarig bestaan van het meisjestehuis liet men in 1976 onopgemerkt voorbij gaan. In 1977 concludeerde de staf dat de doelgroep waarvoor het tehuis ooit was opgericht niet meer bestond. Men werkte een plan uit voor een doorstart van het tehuis voor deze nieuwe doelgroep van meisjes met forse gedragsproblemen. De accommodatie moest dan wel worden verbeterd en er waren meer specialisten nodig in de staf. Maar zo ver kwam het niet meer.

Begin 1978 vroegen bestuur en staf van het tehuis de directie Kinderbescherming van het ministerie van Justitie toestemming om het tehuis te sluiten. In juli vertrokken de laatste meisjes. De ruimtes werden uiteindelijk verbouwd tot tien zelfstandige hat-eenheden, de toen nieuw bedachte Huisvesting voor Alleenstaanden en Tweepersoonshuishoudens. De meeste van de ruim 500 woningen in het blok zijn nog altijd sociale huurwoningen, in beheer van woningcorporatie Ymere. Sommige woningen zijn verkocht aan particulieren. Olympia is intussen een gemeentelijk monument.

MET DANK AAN RIEKE SICCAMA LENOS, DIRECTRICE VAN 1966 TOT 1976.