Omdat vrouwen bij de politie begin 20ste eeuw volstrekt taboe waren, trok de legendarische hoofdinspecteur Christiaan Batelt zelf maar vrouwenkleren aan om als lokaas te dienen voor de beruchte kuitenprikker, een onverlaat die bij voorkeur in de drukke Kalverstraat in vrouwenbenen prikte.

Het taboe werd in 1911 opgeheven met de aanstelling van Dina Sanson bij de Rotterdamse zedenpolitie. Pas in 1920 volgde (na Rotterdam, Den Haag en Utrecht) de Amsterdamse Kinderpolitie, die inspecteur Cornelia van Ooy in dienst nam. Maar wie het van alle dames het verst geschopt heeft is Meta Kehrer. Zij werd in 1943 de eerste Nederlandse vrouwelijke hoofdinspecteur.

Meta Kehrer kwam uit een goed en warm nest. Ze groeide op in de P.C. Hooftstraat in het kinderrijke en harmonieuze gezin van assurantiebezorger Herman Kehrer en de maatschappelijk betrokken Anna Jacobs Nachenius, een van de initiatiefneemsters van de Vereeniging voor Amsterdamsche Wijkverpleging.

Van een vreemde had Kehrer het dus niet toen zij na het Openbaar Gymnasium in 1912 leerling-verpleegster werd in het Wilhelmina Gasthuis. Van bredere maatschappelijke betrokkenheid was nog geen sprake; het beroep van verpleegster was een bestemming voor het leven, men ‘trouwde’ met de verpleging, in levensgroot contrast met wat de achttienjarige Meta in een opstel als hoogste ideaal zag: echtgenote te zijn ‘voor en met de man en het moeder zijn voor haar kinderen’.

Na haar jaren als verpleegster volgde een korte loopbaan bij de G.G.&G.D. waarna Meta in 1923 de overstap maakte naar het bureau Kinderpolitie op de Kloveniersburgwal 72. Dat was twee jaar eerder opgericht op initiatief van enkele vrouwelijke gemeenteraadsleden, en werd door mannelijke collega’s smalend de ‘kindermeisjesafdeling’ genoemd.

Publieke vrouwen

Kehrer liet zich door deze vrouwvijandige bejegening niet afschrikken. Enthousiast toog zij aan de slag. De kille verhoorkamer kreeg met kindermeubeltjes, speelgoed en bloemen een vriendelijker gezicht. Ook de saaie binnentuin werd omgetoverd in een met allerlei plantjes versierde rotstuin, lollig – maar zeker niet door Kehrer – het ‘Graf van de Onbekende Prostituee’ genoemd, waar de kinderen konden spelen.

In deze ontspannen sfeer wist Kehrer te bewerkstelligen dat verklaringen van kinderen over ‘het kwaad dat hen was aangedaan’ voortaan met ‘een enorme dosis geduld, tact, psychologisch inzicht en liefde’ serieus genomen werden. Ze pleitte ook voor ‘goede, dus voorzichtige’ seksuele voorlichting voor kinderen.

Toen in 1926 het bureau Zedenpolitie werd opgericht, gevestigd op Reguliersgracht 111, kreeg inspecteur 2e klasse Meta Kehrer de behandeling van sociale gevallen onder haar hoede. Daaronder waren veel publieke vrouwen die ‘den wensch koesterden haren levenswandel te veranderen’. Tot dan keek de politie met minachting neer op prostituees, maar Kehrer had oog voor de achterliggende problematiek van deze vrouwen. Ze probeerde ze op allerlei manieren te helpen, bijvoorbeeld door alternatief werk of onderdak te regelen.

Soms kwamen voormalige prostituees of familieleden naar het bureau om Kehrer persoonlijk te bedanken of om raad te vragen. ‘Mijn grooten dank voor de hulp die u voor mijn vrouw is geweest,’ aldus een briefschrijver, ‘het eenigste wat er nog gebeuren kan is dat mijn moeder komt te weten wat er precies gebeurd is.’

Verkeerd gevoelde schuld

In Het beroepsleven van Meta Kehrer uit 1987, een onderzoekverslag van pedagogen Lea den Broeder en Renée Schaap, worden enkele voorbeelden uit de jaarverslagen van de Zedenpolitie weergegeven: ‘In één geval vroeg de moeder hulp, voor homosexueelen zoon, zonder resultaat’ (1935); ‘Eén geval betrof een exhibitionist, die raad vroeg, omdat hij weer “vlagen” heeft. Contact met zijn medicus hersteld’ (1947); ‘Eénmaal werd op verzoek der ongehuwde moeder medewerking verleend, dat de verwekker het kind zou erkennen, hetgeen is geschied’ (1949).

In een interview met Het Parool in 1951 zei Kehrer: ‘Velen kon ik een last afnemen van verkeerd gevoelde schuld.’ Maar tegelijk kon zij, in een van haar vele lezingen, snoeihard oordelen over ‘de typische prostituee’, die zij ’spilziek, onbeheerst, soms dom, geen sterke wil, meestal niet wulps en eerder frigide’ noemde.

Het werk van de Zedenpolitie ging in de oorlogsjaren door. In 1941 werd het gloednieuwe Hoofdbureau van Politie aan de Elandsgracht geopend door NSB-hoofdcommissaris Sybren Tulp. Meta Kehrer, inmiddels inspecteur 1e klas, raakte betrokken bij het Korps Vrouwelijke Vrijwilligers (KVV) dat in 1938 was opgericht ‘om alle diensten te verrichten waartoe vrouwen in staat zijn, als haar land door een vijand bedreigd wordt’. Daaronder werd ook het breien van sokken en bivakmutsen voor de gemobiliseerde soldaten verstaan. Al snel werd het KVV door de Duitsers verboden, waarna het met een wijdvertakt netwerk van medewerksters ondergronds hulp bleef verlenen aan vrouwen in de verdrukking.

‘Homospecialist’

Een geval apart bij de Zedenpolitie in die jaren was adjudant Jasper van Opijnen, vanaf 1930 belast met het opsporen van homoseksuelen die het aanlegden met minderjarigen. Bij zijn afscheid van de Zedenpolitie in november 1946 in een met bloemstukken en guirlandes versierde zaal in het nieuwe hoofdbureau, werd hij door zijn collega’s, onder wie Klaas Groen en Meta Kehrer, in warme bewoordingen toegesproken. De ‘homospecialist’ werd geprezen om zijn werklust en ‘diep menschelijk gevoel’. ‘Ik deed enkel mijn plicht en niets meer,’ aldus het feestvarken in een emotioneel dankwoord, ‘Het werk heb ik met liefde en overtuiging gedaan.’

Dat drie wegens wiedernaturlichen Unzucht mit arischen Knaben opgepakte Joodse homoseksuelen door Van Opijnen waren overgedragen aan de Sicherheitsdienst (SD), in het volle besef dat daarmee hun doodvonnis was getekend, vermocht het ‘diep menschelijk gevoel’ niet in de weg te staan. Van Opijnen stond niet bekend als een nazi-aanhanger of antisemiet en was ook geen lid van de NSB, en na het indalen van de afschuwelijke consequenties van zijn handelen raakte hij in 1950 in een crisis. Voormalige collega’s van de Zedenpolitie weigerden hem te groeten.

Vervuld van zelfmedelijden stortte hij in een brief zijn hart uit bij Meta Kehrer: ‘Dat het zóó kan striemen, neen, dat heb ik nimmer gedacht… Soms vraag ik mij af of het zin heeft verder te gaan…’ Hij was blij dat ‘mejuffrouw Kehrer’, die slachtoffers en daders altijd met mededogen tegemoet was getreden, hem in ieder geval niet had laten vallen. Hij was er bang voor ‘maar gelukkig is zulks niet bewaarheid geworden. Dus heb ik mij wat dit betreft niet in u vergist.’

Verwilderde vrouwelijke jeugd

Direct na de bevrijding werd Amsterdam door het geallieerd opperbevel aangewezen als leave-center voor duizenden naar vermaak dorstende Canadese militairen, wat ‘een voor Nederlandse begrippen ongekende explosie van buitenechtelijk seksueel verkeer’ tot gevolg had. Werk aan de winkel dus voor de onvermoeibare Kehrer.

Als bestuurslid van het Comité Zedelijk Herstel Amsterdam (ZHA) was het haar taak prostituees en ‘verwilderde vrouwelijke jeugd’ in het gareel zien te krijgen, wat ook toen een schier onmogelijke opgave was. Daarnaast was zij van 1945 tot 1948 lid van het Tribunaal ter berechting van collaborateurs, en alsof dat niet genoeg is werd zij in 1946 tot President van de Bond voor Hoogere Politieambtenaren benoemd.

Optredens in het openbaar schuwde zij niet, mits voor de goede zaak. Het aantal lezingen, voor de VARA-radio en voor instellingen op het gebied van vrouwenrechten en de jeugdzorg loopt in de honderden. Van de populaire bladen wist alleen weekblad Margriet Kehrer in 1950 te strikken voor een human interest interview. De toon is zoals je van een braaf damesblad uit die tijd mag verwachten: ‘Uit het gezellige interieur blijkt wel dat het politiewerk huiselijke gezelligheid niet uit sluit. “Een interview? Goed, hoewel ik niet veel tijd heb. Maar wat zoudt U denken van eerst een kopje koffie?”’

Verre reizen

Na het interview in Margriet benaderde uitgeverij Nijgh & Van Ditmar Meta voor een boek over haar leven en werk, maar ze bedankte vriendelijk voor de eer. Dat liet ze over aan collega’s Klaas Groen (Kamer 13. Hallo hier de zedenpolitie, 1951), Lien van Nie (Recherche zedenpolitie, 1954) en Jacob Fremery Kalff (Met gesloten deuren, 1956), van wie de met anekdotes gekruide memoires hoge oplages scoorden.

Over Meta Kehrers privéleven is dan ook weinig bekend. Zij woonde alleen en bleef ongehuwd, maar was verre van eenzaam. Zij omringde zich met familieleden en dierbare vriendinnen, ook al bleef de betekenis van deze relaties ‘onduidelijk’ aldus Den Broeder en Schaap in het tijdschrift Lover in 1988. Meta vulde haar dagen liever met het maken van verre reizen, bijna altijd in haar eentje, naar IJsland, Egypte, Rusland en Israël. En ze genoot van meer alledaagse genoegens als concerten, etentjes, cursussen en boeken.

Daarnaast bleef zij tot haar dood onbetaald werkzaam voor een groot aantal maatschappelijke instellingen, waaronder de Vereniging Hulp aan Onbehuisden, de verpleegstersbond Nosokomos en de Nationale Bond van Verplegenden.

Hand van God

Dat zij behalve boegbeeld van de Zedenpolitie ook een vrouw van vlees en bloed was, maakte zij in een lezing subtiel kenbaar: ‘Sexualiteit is een van de kernpunten waarom het hele leven van ieder van ons persoonlijk draait en kan wonderen van geluk brengen.’ Feministe zou zij zich niet noemen; zij was ‘één van die vrouwen, die, zonder veel ophef te maken, geleefd heeft op een wijze die feministen voor ogen had gestaan’ aldus Den Broeder en Schaap. Terugkijkend zag zij in haar levensloop de hand van God, die haar tot dit werk had geroepen.

In 1951 ging Meta wegens gezondheidsklachten met vervroegd pensioen, uitgezwaaid door haar collega’s en toegesproken door hoofdcommissaris Hendrik Kaasjager. De getormenteerde Jasper van Opijnen nam per brief afscheid: ‘Gedurende een reeks van jaren, ik denk hierbij in het bijzonder aan de oorlogsjaren, heb ik u leren kennen als een moedige vrouw waar wij mannen een voorbeeld aan konden nemen.’

Haar overlijden in 1965 op 74-jarige leeftijd, in haar woning aan de Amstel 270, tegenover Carré, bleef in de media vrijwel onopgemerkt. Alleen het Algemeen Handelsblad plaatste een kort bericht over het verscheiden van mejuffrouw Meta Kehrer. Daar had toen best wat meer aandacht aan geschonken mogen worden. Bij deze.

Header: Meta Kehrer achter haar bureau bij de zedenpolitie in 1950. De Margriet