Peter Diesveld behoort niet tot de bekende verzetshelden. Hij deed namelijk heel bewust niets waardoor hij opviel. Ook na de oorlog liep hij allesbehalve te koop met zijn verdiensten. Wat hij allemaal had gedaan werd zijn kinderen en ook mijzelf pas echt duidelijk na zijn dood in 1992, toen we zijn ‘oorlogsdagboek’ konden lezen. Dat had hij eerder alleen aan zijn baas Isaac Keesing, mijn vader, en aan mijn broer Leo laten zien. Op 6 juni 1945 schreef Diesveld aan mijn vader, toen nog in Washington: “Omdat ik de laatste jaren nooit zeker was van mijn leven, heb ik de belangrijkste gebeurtenissen in een schrift aangeteekend, opdat de ‘nabestaanden’ er ter leering uit zouden kunnen putten. Hoewel ik gelukkig nog springlevend ben, leek het mij toch wel van belang om de aanteekeningen te bewaren en zelfs uit te tikken. Wellicht stellen zij U in staat om op snelle wijze een achterstand van 3½ jaar in te halen. Dit is het jaar 1942. De volgende jaren zend ik U over een paar dagen. Wilt U ze na lezing ook aan Uw zoon geven?”

De uitgeweken eigenaren van uitgeverij Keesing konden erin nalezen hoe Diesveld (door veel zwijgen, goed waarnemen en onopvallend maar vastberaden handelen) het bedrijf tijdens de Duitse bezetting in stand had gehouden en de basis had gelegd voor naoorlogs herstel, en - tussen de regels - hoe hij ook mensenlevens had gered.

Uitgeverij Keesing was in 1911 (mijn geboortejaar) door mijn vader opgericht. Zijn eerste uitgave was het Finantieel Archief voor Beurs, Handel en Nijverheid, later omgedoopt tot Keesings Financieel Archief: een informatiedienst voor financiële instellingen. Mijn vader was in zijn jonge jaren procuratiehouder bij een effectenfirma en daarnaast freelance financieel-economisch journalist. Zijn knipselarchief werd door steeds meer beursmensen dankbaar gebruikt; daarom besloot hij er geld mee te maken. Het Financieel Archief werd eerst gestencild in zijn huiskamer in Grensstraat 12 en sinds 1916 gedrukt in een voormalige paardenstal in de Burmandwarsstraat. Het kantoor verhuisde achteenvolgens naar de Herengracht, weer de Grensstraat en de Weesperzijde. In 1928 kon voor kantoor en drukkerij Ruysdaelstraat 71 worden gekocht. Vaders eerste tijdschriften waren bestemd voor de zakenwereld, maar hij was van alle markten thuis. Van 1917 tot 1932 gaf hij het kinderblad Jong Nederland uit en sinds 1930 de Denksport-puzzelbladen, die nog steeds bestaan. Voorbeeld was Das Deutsche Rätselblatt, waarmee we ons amuseerden tijdens een verregende vakantie in Duitsland. Het woord denksport (een vondst van vader) staat nu in de Van Dale. Een andere nog bestaande uitgave is Contrafaçons et Falsifications (alias Counterfeits and Forgeries), bestemd voor de internationale politie. In Ons Amsterdam van mei 1999 beschrijft Guus Meershoek hoe het eerste exemplaar in 1923 in recordtijd tot stand kwam. De politieman die in ons land belast was met het opsporen van vals geld, Karel Broekhoff, had met mijn vader op de Handelsschool gezeten. Ze hielden beiden van schaken en handschriftkunde en ze hadden dezelfde humor.

Juli 1931 was de geboortemaand van Keesings Historisch Archief, Dagboek van het Hedendaagsch Wereldgebeuren. Deze vraagbaak voor historici en journalisten (sinds 1997 ook op cd-rom) is nog steeds het paradepaardje van het bedrijf. In 1935 kwam Keesings Medisch Archief (inmiddels ter ziele) erbij. De uitgeverij ging Systemen Keesing heten. In diezelfde jaren maakte Diesveld zijn entree in de Ruysdaelstraat.

Alias Peter

Diesveld heette officieel Hendrik Willem Jan Renier Marie, maar iedereen noemde hem Peter; waarom weet ik niet. Op 3 januari 1912 was hij in Zevenaar geboren. Begin jaren dertig verhuisde hij van Den Bosch naar Amsterdam, om werk te zoeken. Hij werd assistent-accountant bij mr.dr. John Moscow in de Deurloostraat, sinds 1911 mijn vaders accountant.

Zo leerde Diesveld uitgeverij Keesing kennen. Bij Moscow raakte hij verliefd op secretaresse Dini Kraneveldt. Na zes jaar verkering trouwden ze in juni 1942. Op de trouwfoto ziet Diesveld er smalletjes en bloedjong uit. Hij was een kleine man met een rustig, gesloten gezicht, die nooit veel zei, behalve ernstige, zakelijke opmerkingen. Je kon hem op het eerste gezicht makkelijk onderschatten, en dat kwam hem in de oorlog goed van pas. Nadat de Duitse bezetters vader de leiding van het bedrijf ontnamen, vertrouwde hij in november 1941 bij notariële akte zijn zaak, huis en mensen toe aan Diesveld (29) en Broekhoff (55). De laatste was drie maanden eerder door de Duitsers afgezet als waarnemend hoofdcommissaris. Vader had weliswaar eerder geprobeerd zijn zaak naar Amerika over te planten, want hij wist beter dan de meeste mensen hoe gevaarlijk de nazi’s waren: hij had vluchtelingen in de zaak opgenomen, had een waarschuwend artikel over Hitler gepubliceerd en was medeoprichter van een van de weinige verenigingen die demonstreerden tegen het gevaar. Maar toen in augustus 1939 Duitsland wél Frankrijk binnenviel, maar niet ons land, was hij teruggekomen. Tijdens de Duitse inval in mei 1940 woonde hij dus in Amsterdam. Een jaar later kwam Systemen Keesing zoals alle joodse firma’s onder een Verwalter (door de bezetters aangestelde bewindvoerder) te staan. Maar mijn vader besloot pas te vertrekken, toen de Duitsers jonge mannen gingen oppakken voor hun oorlogsindustrie. In januari 1942 lukte dat, dankzij een uitreisvisum dat Broekhoff (met zijn vele internationale contacten) voor hem had geregeld.

Demonstratief een pakje brood mee

Diesvelds ‘oorlogsdagboek’ is eigenlijk meer een maandboek. Aan het eind van iedere maand zet Diesveld steeds de belangrijkste ontwikkelingen op een rij. Over zijn persoonlijk leven schrijft hij vrijwel niets: zelfs niet over zijn bruiloft in juni 1942.

De eerste alinea van zijn kroniek luidt: “De Keesings e.a. vertrokken deze maand naar Spanje. Toen Rajszar het hoorde, kreeg hij een zenuwtoeval. Hij informeerde onmiddellijk naar de particuliere bezittingen van Keesing. (…) Heb hem verteld dat alles door Lipman (de ‘roofbank’ Lipmann & Rosenthal – EK) in beslag is genomen en dat er dus niets meer te halen valt.”

Dat is typerend voor de geldzucht van Stephan Rajszar, een Duitser van Hongaarse afkomst, sinds mei 1941 de Verwalter van uitgeverij Keesing. In januari 1942 noteert Diesveld: “Rajszar tracht mij vrij hooge onkostennota’s via de zaak te laten betalen. Ik heb hem er op gewezen, dat dit bij het personeel een zeer slechten indruk zal maken. (…) Vond de opmerking blijkbaar niet prettig, maar zal zich eraan houden.” Een paar maanden later raadt Rajszar Diesveld aan regelmatig voor rekening van de zaak te gaan dineren. “Vermoedelijk om het zelf ook te kunnen doen. Geef er daarom in het geheel geen gevolg aan en neem demonstratief een pakje brood mee als ik naar Den Haag ga.”

In Den Haag zitten de vele nieuwe Duitse instellingen waar uitgevers en drukkerijen vergunningen voor aankoop van materiaal en toestemming voor uitgaven moeten halen. Die ambtenaren beloven Diesveld vergeefs een mooie salarisverhoging als hij akkoord gaat met de ‘arisatie’ (zeg maar ‘etnische zuivering’) van de zaak. En ze dwarsbomen met succes Diesvelds pogingen om de zaak op Broekhoffs naam te zetten. Wel weet Diesveld in 1942 een Duitse overnamekandidaat te ontmoedigen: een bevriende belastinginspecteur legt het bedrijf een gigantische (nep-)navordering over 1938 en 1939 op, zodat de uitgeverij verliesgevend lijkt.

Rajszar (net als zijn opvolger) wil een goed functionerend bedrijf in bezit krijgen. Daarom luisteren ze soms naar Diesvelds argumenten en zorgen ervoor dat de voornaamste uitgaven kunnen voortbestaan, ook als de Perscommissie stopzetting eist. Vervolgens is het wel de kunst te voorkomen dat die uitgaven in nazi-propaganda veranderen.

Want er is een nog gevaarlijker man dan Rajszar in de zaak gedumpt: H.J.J. Marinus, een nsb’er en ss-man. Hij is al hoofdredacteur gemaakt van Keesings Historisch Archief, maar probeert nu alle uitgaven onder zich te krijgen. “Ik heb mijn mening en mijn bezwaren hierover tegen Rajszar geuit, daar dit onder alle omstandigheden moet worden tegengegaan. Het schijnt dat Rajszar erg bang voor Marinus is. Hij deelt echter mijn zienswijze.”

Groentetuintjes

Op ander terein is Rajszar ongenadig. Nadat de Verwalter twee joodse werknemers ontslag heeft aangezegd, schrijft Diesveld: “Besprekingen gehad met Staphorsius, die namens den bond tegen dit ontslag zal protesteren. De fanatieke opvatting van Rajszar kennende lijkt dit mij niet zonder gevaar.” Inderdaad: een paar weken later is Staphorsius opgepakt “wegens Jodenbegunstiging” en naar een concentratiekamp gestuurd. In de eerste maanden van 1942 zijn dat soort krasse maatrgelen echter nog uitzonderingen binnen het bedrijf. Daarbuiten wordt de sfeer steeds grimmiger. Januari 1942: “Oproeren in Amsterdam; iedereen moet om 8 uur binnen zijn.” Maart 1942: “Maatregelen tegen Joden worden steeds scherper. Razzia’s op straat en in de huizen.” Mei: “Voor Joden thans algemeen een ster ingevoerd.” Juni: “Joden mogen van 1 Juli af niet meer trammen en moeten eveneens hun rijwielen inleveren.” Ontslagen joodse werknemers krijgen onderhands werk van Diesveld; hij betaalt ze van zijn eigen salaris.

Met één probleem wordt iedereen onmiddellijk geconfronteerd: de haperende voedselvoorziening. Diesveld probeert het personeel te helpen. Hij koopt in 1942 bouwgrond buiten de stad. Iedere werknemer kan daar een stukje van huren en er groente kweken. Soms deelt hij vis of eieren uit en ’s middags krijgen de mensen op kantoor een maaltijd. Niettemin: “Steeds ernstiger wordt geklaagd over te lage loonen. Vooral jonge menschen nemen ontslag om werk te aanvaarden in Weermachtsbedrijven, waar soms 2 of 3 maal zooveel wordt betaald als in andere bedrijven.” (Juni 1942.)

Intussen proberen de bezetters en hun handlangers het personeel politiek in het gareel te krijgen: “Bezoek gehad van het Arbeidsfront (nazistische vakbond – EK), dat wil hebben dat personeel lid wordt. Meegedeeld dat niemand er iets voor voelt. Is daarop naar Rajszar gegaan, die erg kwaad tegen mij deed, zonder dat ik bang werd. Werd daarop opvallend vriendelijk.”(Februari 1942.)

Met de verkoop gaat het intussen uitstekend, want tijdschriften, boeken en kranten zijn schaars geworden. Vooral Denksport is zeer gewild: een ideale afleiding van de oorlogsellende. Niet alleen in eigen land. “Wij hebben groote vraag uit Duitschland naar Denksport van aldaar werkende Nederlanders”, noteert Diesveld in september 1942. Maar om drukwerk te produceren zijn er machines, papier en lood nodig, en toestemming van allerlei instanties. Boeken en brochures moeten eerst goedgekeurd worden door een commissie “die de noodzakelijkheid van verschijnen beoordeelt”. De helft van de dagbladen en 2800 tijdschriften wordt meteen opgeheven. Ook zeven Keesing-uitgaven moeten stoppen, maar dankzij Rajszar wordt dit verbod ingetrokken. Volgens Diesveld dient de papierbesparing voornamelijk om politiek georiënteerde bladen op te heffen. In mei 1942 wordt papier opgeëist voor een antisemitsiche uitgave, “maar dat is afgewimpeld”, schrijft Diesveld laconiek.

Puzzels vrij van propaganda

Daarnaast woedt er een guerrillastrijd over de inhoud van de Keesing-uitgaven. Mei 1942: “Denksport deze maand verboden, in verband met het feit dat de inhoud anti-Duitsch zou zijn. Verbod na bespreking met de Presse-Abteilung opgeheven. De Presse-Abteilung wenscht een redacteur te zien, die de nieuwe richting is toegedaan, maar ik heb Rajszar medegedeeld, dat hij Denksport dan wel kan liquideren.” In juli 1943 komt er een compromis: de puzzels zelf blijven vrij van propaganda; die komt in een rubriek buiten verantwoordelijkheid van de redactie. Nog lastiger is het de kwaliteit van Keesings Historisch Archief te bewaken. De nieuwe hoofdredacteur Marinus probeert er meteen een propaganda-uitgave van te maken; de abonnees klagen. Gelukkig heeft Rajszar een slechte indruk van Marinus, en dat geldt nog meer voor dr. Adolf Iglseder die in december de doodzieke Rajszar als Verwalter opvolgt. (Iglseder, een zakenman, is wat pragmatischer dan zijn voorganger.) Marinus probeert bewijzen van Diesvelds anti-Duitse handelingen te vinden. In mei 1943 vertelt hij rond dat Diesveld in het geheim een herdruk van het vooroorlogs Historisch Archief voorbereidt. Dat ligt gevoelig, want de jaargangen 1933-1940 bevatten veel berichten over de jodenvervolgingen in Duitsland. Ook Iglseder hoort het gerucht. “Maar deze vat het blijkbaar nog niet ernstig op (of doet hij alleen maar zoo?). Zegt alleen, dat ik met Marinus voorzichtig moet zijn, anders zit ik in een concentratiekamp voor ik het weet. Deelt mij mede dat hij zelf ook bang voor Marinus is. Raadt mij aan het salaris van Marinus met f 100,- per maand te verhoogen om hem zoet te houden. Hetgeen ik ten einde raad maar weer heb gedaan.”

Inderdaad overwoog Diesveld een herdruk van vooroorlogse jaargangen – maar hij deed iets nog veel verbodeners: het verzamelen van informatie om na de oorlog de eenzijdige berichtgeving van de bezettingsjaren te vervangen. Hij laat onder meer, in samenwerking met Vrij Nederland, uitzendingen van de Engelse radio vastleggen. In 1944 klaagt Marinus Diesveld aan “wegens Jodenbegunstiging” maar wordt zelf ontslagen, onder meer wegens plagiaat.

Intussen Het huis van de familie Keesing in de Grensstraat is gelukkig ook uit vreemde handen gehouden, doordat het in januari 1942 op Broekhoffs naam is gezet. In juni 1942 wordt het huis betrokken door de pas getrouwde Peter Diesveld en zijn Dini. En kort daarop ook door diverse onderduikers. Diesveld helpt ook heel wat werknemers en anderen aan onderduikadressen elders. Zoals Jan Switzer, de oudste drukker van mijn vader, die een tijd lang de nachten doorbrengt bovenop de lift in de Ruysdaelstraat.

Tot twee keer toe weet Diesveld de Verwalter af te brengen van het idee de bedrijfsnaam Keesing te schrappen, en op de valreep voorkomt hij begin 1945 dat de hele inboedel van het bedrijf naar Duitsland wordt afgevoerd.

Yad Vashem

Op 7 november 1945 bracht stoomschip Leerdam mijn vader terug naar Amsterdam en kon Diesveld het bedrijf weer redelijk ongeschonden aan hem teruggeven. Hij werd opgenomen in de directie - en nu is zijn zoon René directeur. De bekroning van Peters leven was dat hij op zijn 80ste verjaardag in januari 1992 te horen kreeg dat de staat Israël hem en zijn vrouw de prestigieuze Yad Vashem-onderscheiding voor het redden van joden had toegekend. De uitreiking maakten zij niet meer mee: Peter Diesveld overleed in oktober van dat jaar, enkele weken na Dini.

Elisabeth Keesing (dr. E.E. van Tricht-Keesing) is historica en schrijfster, o.a. van Brieven aan Amsterdammmers (1995).

In 1994 verzorgden de erven Diesveld en Keesing Beheer B.V. in een kleine oplage een facsimile-uitgave van het Oorlogsdagboek van H.W.J.R. Diesveld over Systemen Keesing, 1942-1945 ter gelegenheid van de postume uitreiking van de Yad-Vashem-onderscheiding.