In januari 1928 gaan in Paramaribo drie jonge verstekelingen aan boord van de oceaanstomer Cottica. Al na enkele dagen worden ze gevonden, en de rest van de reis schrobben ze het dek. Aangekomen in Nederland vinden ze als musici werk in Amsterdamse nachtclubs, onder de artiestennamen Jimmy Blue, Teddy Cotton en Kid Dynamite.

Ze zijn een sensatie. Ze zijn ook een uitzondering: afgezien van enkele tientallen artiesten die hier naam maken, zijn het vooral zonen van de Surinaamse elite die in Nederland komen studeren, zoals dat sinds het eind van de 19de eeuw gebruikelijk was.

Pas na de Tweede Wereldoorlog komt de migratie op gang. Aanvankelijk aarzelend, want hoewel de werkloosheid hoog is, is Suriname er aan het eind van de oorlog een stuk beter aan toe dan Nederland. Ook wordt er, niet zonder reden, gedacht dat mocht het land onafhankelijk worden, er mensen nodig zijn die het kunnen besturen.

Maar in Nederland is er in bepaalde sectoren een tekort aan arbeidskrachten. In 1954 starten de NDSM, Verolme en AKU, een wervingsactie in Suriname. Nu kan ook ‘de gewone man’ zich inschepen naar het kille moederland overzee. Studenten uit de middenklasse krijgen vanaf 1948 een koloniale beurs, of werken naast hun studie.

Onbesproken levenswandel

Niet alleen mannen wagen zich aan de drie weken durende zeereis: enkele honderden jonge Surinaamse vrouwen gaan naar Nederland om in de verpleging te werken. Nederlandse ziekenhuizen hebben in deze tijd grote problemen met het aantrekken van voldoende vakkundig personeel. Veel Nederlandse verpleegsters houden na hun huwelijk op met werken. Een campagne van het ministerie van Volksgezondheid heeft maar beperkt effect. Ziekenhuizen beginnen daarom met werving in Suriname en op de Antillen.

De vrouwen die naar Nederland willen komen verwachten daar een betere toekomst, maar de motieven voor vertrek zijn divers. Om te beginnen is er de oriëntatie op het koloniale moederland, waar dezelfde taal wordt gesproken. In het verlengde daarvan is er de overtuiging dat je voor een goede opleiding in Nederland moet zijn. Wat in de naoorlogse periode ook een belangrijke rol speelt bij Surinaamse vrouwen – en daarin verschillen zij niet van hun seksegenoten in Nederland – is de drang naar verandering; hier krijgen ze de gelegenheid ervaring op te doen in een andere leefwereld.

De selectie en medische keuring voor de Nederlandse ziekenhuizen vinden plaats in Suriname. Om in aanmerking te komen voor een opleidingsplaats moeten de meisjes ongehuwd zijn, een mulodiploma hebben en een onbesproken levenswandel. De passagekosten naar Nederland worden vergoed.

Bruine molières

Voor veel Nederlanders zijn deze gekleurde rijksgenoten een nieuwe ervaring. ‘Over het geheel genomen’, schrijven de gebroeders Lucassen in Migratie als DNA van Amsterdam, ‘lijken in de jaren vijftig de nieuwsgierigheid en gastvrijheid het te winnen van vijandigheid en discriminatie, waarbij het feit dat het om vrouwen ging een belangrijke rol speelde. Zo vertelde de in 1929 in Paramaribo geboren Rika Hoogstad in 2001 aan historica Annemarie Cottaar: “Natuurlijk riepen ze weleens Zwarte Piet tegen ons, maar verder hadden we weinig last van onze huidskleur, integendeel.”’

Voor de ziekenhuizen kan het niet beter: buitenlandse verpleegsters die de taal spreken. Maar verder moet er veel geleerd worden: wennen aan heimwee, het klimaat, het zware werk, de mensen, omgangsvormen én de kleding. Onder invloed van Amerika is Suriname allang op de hoogte van hoe een vrouw er in de jaren vijftig moet uitzien, maar in Nederland is dat modebeeld nog niet doorgedrongen. Onder leiding van het ziekenhuis moeten er in Nederland vormeloze dikke jassen en bruine molières worden aangeschaft.

Ook de badgewoontes hier stuiten op onbegrip: men is in Suriname gewend minstens twee keer per dag te douchen, in Nederland moet men genoegen nemen met een teiltje en zo nu en dan het badhuis. Als je langer dan tien minuten in het hokje verblijft, weten ze dat er iemand uit Suriname onder de douche staat. En dan wordt er op de deur gebonsd.

Kippen slachten

Maar het meest van alles moeten de Surinaamse verpleegsters wennen aan het eten. Er zijn geen Surinaamse winkels of kraampjes op de markt. Bovendien wonen zij intern, waardoor zij niet anders kunnen dan eten wat de ziekenhuispot schaft. Het Nederlandse eten is doorgekookt, bloemig, ongekruid en het stinkt, vinden de vrouwen.

Ondanks de goede bedoelingen slaagt de kok er niet in de harten van de Surinaamse verpleegsters te winnen. Want rijst met boter en suiker lust niemand en hetzelfde geldt voor de bruine bonen met stroop, die zo droog zijn dat ze van je bord afrollen en in niets lijken op het Surinaamse gerechten waar ze zo naar verlangen.

Een verpleegster koopt soms een varkensstaart, en een keer een kip. Die houdt ze eerst een paar dagen op haar kamer voordat ze haar slacht – van de veren maakt ze een kussentje. Ze kookt kip met rijst en een gestolen kool uit de moestuin. Helaas vindt de directie kippen slachten op de kamer niet zo’n goed idee.

Hernhuttershuis

De meest bekende plekken in Amsterdam om het verpleegstersdiploma te halen zijn het Wilhelmina Gasthuis en het Luthers Diakonessenhuis. De verpleegsters hier hebben het voordeel dat ze hun ervaringen kunnen delen met lotgenoten in een aantal Surinaamse verenigingen, die al voor de Eerste Wereldoorlog zijn opgericht. Samen bezoeken ze de 1 juli-feesten ter herdenking van de afschaffing van de slavernij, later bekend als Keti Koti. Dat wordt sinds 2009 gevierd in het Oosterpark, maar vond tot in de jaren zeventig plaats in hotel Krasnapolsky.

Een andere ontmoetingsplek is het Hernhuttershuis aan de Sarphatikade, dat in 1952 zijn deuren opent. De Hernhutters, ofwel de Evangelische Broedergemeente (EBG), zijn al sinds de 18de eeuw actief als zendelingen in Suriname en richten zich in het naoorlogse Nederland vooral op migranten uit hun overzeese zendingsgebied. In de jaren vijftig beschikt de EBG over drie vestigingen in Nederland, waaronder Amsterdam.

Voor officiële gelegenheden reizen Surinamers daar naartoe. Voor het reguliere contact biedt de reizende broeder Prinsen uitkomst. In alle uithoeken van het land bezoekt hij studerende en werkende Surinamers, wat hem de naam van ‘pastor in de diaspora’ oplevert.

Bijeenkomsten in Sranan Tongo

Het is overigens niet de enige kerk die het contact met Surinamers probeert aan te halen, dat doen ook de katholieke verenigingen Sint-Klaver en Sint-Petrus Donkers, en gereformeerde zendelingen als dominee Van Minnen, die bijeenkomsten in het Sranan Tongo organiseert, en ook filmavonden en muziekvoorstellingen.

Het aantal Surinaamse verpleegsters dat eind jaren vijftig naar Nederland komt, wordt geschat op een paar honderd. Verreweg de meeste van hen zijn van plan terug te gaan naar hun geboorteland, maar slechts een kwart zal dat daadwerkelijk doen. Hun verhalen en contacten zorgden voor meer kennis over Nederland en stimuleerden anderen om ook de oversteek te wagen.

Voor dit artikel is dankbaar gebruik gemaakt van de sites npokennis en de uitzending van Andere Tijden van 13 januari 2018. Lees ook Zusters uit Suriname (2003) door Annemarie Cottaar en Vijf Eeuwen Migratie (2018) en Migratie als het DNA van Amsterdam 1550-2021 (2021) van Jan Lucassen & Leo Lucassen.

Header: Elly, Hilda, Dorette en Marga (van links naar rechts) op het balkon van het Luthers Diakonessenhuis in 1957 (ingekleurd). Fotocollectie D. Balrak-Treurniet / Historisch Beeldarchief Migranten / IISG