In november 1965 verscheen in het weekblad Vrij Nederland een interview met Joop van Santen, een voormalig prominent Amsterdams lid van de Communistische Partij van Nederland (CPN). Het had de titel: ‘Hoe de BVD zich vastzuigt op een prooi’. Van Santen vertelde in dat artikel over de jarenlange bemoeienis van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) met hem en zijn kinderen, ook nadat hij de partij had verlaten.

Joseph (Joop) van Santen werd geboren in Rotterdam. Hij deed de HBS en ging daarna werken; in de avonduren volgde hij de lerarenopleiding economie. In het begin van de jaren dertig werd hij uit verontwaardiging over de sociale misstanden in zijn stad lid van de CPN.

Na het uitbreken van de oorlog in 1940 ging hij direct in het verzet. Omdat de grond in Rotterdam te heet werd onder zijn voeten verhuisde hij in 1941 naar Amsterdam. Daar trouwde hij in 1942 met Johanna (Joop) Moes; zij was arts. Zij kregen twee kinderen.

In Amsterdam hielden hij en zijn vrouw zich volop bezig met illegaal werk. In een kranteninterview uit 1991 sprak hij er nogal laconiek over: ‘Ik heb constant zo’n tien onderduikers gehad, deserteurs ondergebracht, valse persoonsbewijzen. Mijn vrouw hielp bij het onderduiken van Joodse kinderen. Met Salvador Hertog, later schrijver, heb ik nog geoefend met een stengun. Nooit echt gebruikt. Ik was bij de Raad van Verzet, heb rond de bevrijding mensen gearresteerd. Die werden in het Paleis op de Dam bijeengebracht. De beroemde schietpartij daar na de capitulatie heb ik ook nog meegemaakt.’

Tot de onderduikers hoorden de feministe Henny de Swaan-Roos en haar echtgenoot, jutehandelaar Meijer ‘Meik’ de Swaan, de ouders van socioloog Abram en documentairemaakster Carrie de Swaan.

Breuk

Na de bevrijding vervulde Van Santen belangrijke functies voor de CPN. Hij was tussen 1945 en 1955 lid van het partijbestuur en zat van 1945 tot en 1949 in de gemeenteraad van Amsterdam. Verder was hij tussen 1946 en 1952 lid van de Eerste Kamer, vanaf 1948 als fractievoorzitter.

Begin jaren vijftig kwam Van Santen in conflict met CPN-partijleider Paul de Groot over diens voorspelling dat de westerse economie binnen afzienbare tijd met een grote economische crisis te kampen zou krijgen. Van Santen waagde het op basis van zijn kennis van de economie te zeggen dat die analyse niet klopte. De CPN-bladen weigerden de kritiek van Van Santen te publiceren en De Groot riep hem op om zelfkritiek uit te oefenen: ‘U zult dan merken hoe diep u in het moeras van de burgerlijk-economische pseudo-wetenschappelijke zwendel geraakt bent en hoe u zich objectief gebruiken laat als kanaal voor de door de Amerikaanse grootkapitalisten (…) gevoerde propaganda tot verdoezeling van de economische crisis’.

Van Santen kwam daarop binnen de CPN op een zijspoor terecht. Pas enkele jaren later, in 1955, verliet hij de partij; en dat betekende een volledige breuk met zijn verleden, met zijn vrienden, met alles. Dit was een hectische periode voor hem, want rond die tijd scheidde hij ook van zijn vrouw. Wellicht speelde bij die scheiding een rol dat hij dag en nacht voor de CPN in touw was; volgens zijn dochter Eva zag hij niet in dat hij ook tijd en energie in zijn gezin moest steken. Zijn echtscheiding, zei Van Santen later in een kranteninterview, ‘verdronk [overigens] in het niets vergeleken bij mijn vertrek uit de partij’.

Na zijn vertrek uit de CPN en zijn scheiding had Van Santen aanvankelijk veel moeite om een nieuw bestaan op te bouwen. Hij vond tijdelijk onderdak in het bedrijf van zijn voormalige onderduiker, firma A. de Swaan Bonnist, groothandel in jute zakken. In 1960 begon hij een filmverhuurkantoor. Maar hij vond een nieuw doel in zijn leven; hij ging naast zijn werk studeren, economie aan de Universiteit van Amsterdam. Dat verliep voorspoedig; hij studeerde af in 1958. Vervolgens begon hij aan een promotieonderzoek dat hij in 1968 afrondde.

Niet lang na zijn promotie werd hij universitair docent. Tot zijn zeventigste bleef hij lesgeven. Joop van Santen was volgens zijn dochter goedlachs en had gevoel voor humor, maar hij was ook een echte intellectueel die niet goed over ‘gewone’ dingen kon praten. Emoties vond hij ingewikkeld. Als zij na zijn scheiding bij hem op bezoek ging stak hij vaak lange en nogal onbegrijpelijke betogen af.

Verdacht van spionage

Als hoge CPN-functionaris was Van Santen een interessant object voor de BVD (sinds 2002 de AIVD). Al in 1946 verdacht de CVD (de voorloper van de BVD) hem van industriële spionage voor de Sovjet-Unie. In 1952 werden de beschuldigingen aan zijn adres concreet: Van Santen functioneerde als ‘spotter’ voor de Russen, dat wil zeggen dat hij uitkeek naar mensen – wetenschappers, ambtenaren – die over informatie beschikten die mogelijk interessant was voor de Sovjet-Unie.

Hij had Pavel Petrov, een officier van de Russische geheime dienst die onder een dekmantel op de ambassade in Den Haag werkte, in contact gebracht met een hoge Nederlandse ambtenaar, werkzaam op het ministerie van Economische Zaken. Mogelijk ging Van Santen ook na zijn vertrek uit de CPN door met dit werk; in een BVD-rapportage uit 1966 stond dat hij in de gaten werd gehouden, omdat men hem ervan verdacht nog steeds contacten met de Russen te onderhouden.

De BVD heeft diverse pogingen ondernomen om Van Santen na zijn vertrek uit de CPN te rekruteren als informant. In 1956 werd hem gevraagd de dienst op de hoogte te brengen van de internationale contacten van de CPN, wat hij weigerde. Ook in de jaren daarna bleef men hem benaderen; pas vanaf 1963 werd hij met rust gelaten. Maar in 1964 bleek hem dat ook zijn kinderen in de gaten werden gehouden.

Daarop stapte Van Santen met zijn verhaal naar Vrij Nederland. In november 1965 schreef dit weekblad over de ervaringen van hem en zijn kinderen met de BVD. Zijn dochter Eva, die werkzaam was bij de GGD Amsterdam, had ontslag genomen om te gaan studeren, maar haar directe baas vertelde haar op haar laatste werkdag dat zij in feite was ontslagen op grond van het politieke verleden van haar vader.

Zijn zoon Gerrit woonde in een internaat. Een van de surveillanten daar vertelde hem dat hij in opdracht van de BVD over hem moest rapporteren. Aan het slot van het VN-artikel stond dat er in Nederland waarschijnlijk duizenden gezinnen door de dienst in de gaten werden gehouden; de Van Santens behoorden tot de weinigen die hun ‘geval’ in de openbaarheid brachten.

Commissie Stiekem

Het artikel in Vrij Nederland leidde ertoe dat de voorzitter van de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer (Commissie IVD, ook wel bekend als de ‘Commissie Stiekem’), de KVP’er Norbert Schmelzer, contact opnam met Van Santen en zei een en ander te willen onderzoeken. Half februari 1966 gaf Van Santen de Commissie een nadere toelichting, ondersteund door documenten (waaronder verklaringen van zijn kinderen). Hij zei zich zorgen te maken over zijn toekomst en die van zijn kinderen, mochten hij of zij nog eens naar een overheidsfunctie solliciteren.

Misschien omdat het antwoord van de Commissie zo lang op zich liet wachten publiceerde Van Santen begin 1967 zijn visie op het gebeuren in een lang en boos artikel in het maandblad Nieuwe Stem. Hij schreef dat hij niet benoembaar was in een overheidsfunctie vanwege zijn communistische verleden; en ook zijn kinderen werden niet met rust gelaten. Hij noemde de BVD ‘staatsgevaarlijk’; de dienst moest beteugeld worden.

Pas een jaar na zijn gesprek met de Commissie, half februari 1967, kreeg Van Santen uitsluitsel, zonder verdere toelichting. Er was de Commissie ‘niets (...) gebleken van een ten opzichte van Van Santen onjuist beleid’. Hij schreef daarop een in scherpe bewoordingen gestelde open brief aan Schmelzer, in maart 1967 gepubliceerd in Vrij Nederland, waarin hij het antwoord van de Commissie ‘onbehoorlijk’ noemde; de Commissie steunde in feite ‘willekeurige vervolging en rechtsverkrachting’.

Eind 1967 bracht de Commissie IVD haar jaarverslag uit. In dat verslag schreef de Commissie – inmiddels van samenstelling veranderd – dat zij de klacht van Van Santen nogmaals had onderzocht, maar dat ze tot dezelfde conclusie was gekomen. Dat jaarverslag werd eind maart 1968 besproken in de Tweede Kamer-commissie voor Binnenlandse Zaken. Diverse Kamerleden waren kritisch, maar de minister ging niet of nauwelijks op de zaak-Van Santen in.

Zorgen over de toekomst

Waarom kwam de Kamercommissie tot het oordeel dat er niets aan de hand was? In de stukken was een BVD-rapport aangetroffen over Joop van Santen, die men ervan verdacht nog steeds contacten met de Russen te onderhouden, alsmede verklaringen van de GGD-arts die de directe chef was van Eva van Santen en van de surveillant bij het internaat waar Gerrit van Santen verbleef.

De GGD-chef ontkende ‘uitdrukkelijk’ de juistheid van de verklaring van Van Santen over wat zijn dochter was overkomen. De gemeente Amsterdam ontkende dat er sprake was van beïnvloeding van haar personeelsbeleid door de BVD; Eva van Santen was op eigen verzoek ontslagen. En de surveillant bij het internaat verklaarde dat de mededelingen van Van Santen over hem ‘onwaar’ waren en ‘van elke grond ontbloot’. De Kamercommissie kon op grond van deze rapporten en verklaringen weinig anders doen dan de zaak verder te laten rusten. Het was het woord van de één tegenover dat van de ander.

Onduidelijk is waarom Joop van Santen zo nadrukkelijk de publiciteit zocht, terwijl het klip en klaar was dat hij voor de Russen had gewerkt. Mogelijk speelden daarbij frustraties over het jarenlang gevolgd worden door de BVD een rol, en zorgen over zijn toekomst en die van zijn kinderen. Diverse malen was hij afgewezen bij sollicitaties naar een overheidsfunctie, en hij vreesde dat zijn kinderen hetzelfde zou overkomen. De BVD kwam (in een intern stuk) nog met een andere optie: misschien maakte de publiciteit rond de zaak-Van Santen deel uit van een bredere desinformatiecampagne van de Russische geheime diensten.

De BVD zat overigens wel in haar maag met alle publiciteit. Men maakte zich zorgen over het imago van de dienst in de buitenwereld. De zaak paste in een maatschappelijk klimaat dat in de loop van de jaren zestig kritischer werd over de dienst; steeds vaker werd toen het functioneren en soms ook het bestaansrecht van de BVD ter discussie gesteld.

Joop van Santen woonde de laatste jaren van zijn leven vanwege gezondheidsredenen in Zandvoort. Daar was hij onder meer actief in de PvdA, en in de strijd tegen het racecircuit. Hij overleed in 1992.