Belcampo – schrijversnaam van Herman Pieter Schönfeld Wichers – is geboren in Naarden en groeide op in Rijssen. Hij kwam in 1921 naar Amsterdam om er medicijnen te studeren. Na drie maanden switchte hij naar de studie Rechten. Nadat hij was afgestudeerd adviseerde zijn vader, een notaris, hem de driejarige studie Notarieel Recht te volgen. Na jaren van studeren en herkansen besloot Belcampo als ‘herenlandloper’ en portrettekenaar Europa in te trekken voor een zwerftocht van acht maanden.

Tijdens zijn studie schreef hij in Propria Cures. In ‘Genesis’, een van de eerste fantasieverhalen die hij in 1925 publiceerde, verwijst de schrijver naar de dagelijkse wandeling van zijn studentenhuis, Derde Helmersstraat 55, naar de universiteit in de Oude Manhuispoort. In het verhaal schopt God de aarde met een slordige trap scheef het luchtruim in, met het gevolg dat de mensen maar ook auto’s en motoren met hun bewegingen de wereldbol draaiende moeten houden. ‘En daarom is het, dat gij en ik dag in dag uit moeten stappen van de Helmersbuurt naar de Poort en terug’.

Het verhaal werd opgenomen in de bundel De verhalen van Belcampo, die de schrijver in 1934 in eigen beheer uitgaf. De uitgeverij noemde hij naar zijn vrienden Arend Rutgers en Arie Waayer: De Arend. Als vestigingsplaats werd in het boek hun gemeenschappelijk adres vermeld, Weteringschans 179 II. Vier jaar later zou De zwerftocht van Belcampo eveneens in eigen beheer verschijnen. Nu op het adres Achtergracht 45 III, tegen de Amstel.

Belcampo woonde er samen met zijn vriendin Joke Westerduin en nam het opmerkelijke besluit om op zijn 35ste opnieuw geneeskunde te gaan studeren, om als arts een basisinkomen te verdienen en daarnaast te reizen en te schrijven. Doordat hij zich in 1941 als student uitschreef aan de universiteit en de studie na de oorlog weer oppakte, legde hij pas in 1949 het artsexamen af.

De dingen de baas

Door de vele wandelingen in en buiten de grachtengordel, kende Belcampo de stad als zijn broekzak. Vanaf april 1939 woonde hij met Joke op het adres ’s-Gravelandsche Veer 9 III, tegen de hoek van de Groenburgwal met opnieuw, zij het nu van de oostkant, een prachtig uitzicht op de Amstel en het centrum van de stad. Daar werd in augustus dat jaar hun dochter Maartje geboren. De langsdrijvende mand die Belcampo eerder uit de Amstel had gevist bleek een wieg – een welkome vangst.

Na de geboorte van zoon Jaap verhuisde het gezin in 1943 naar de Spinozastraat, die in de oorlog door de bezetter was omgedoopt tot Herwig Andrieszstraat. Belcampo streek er met vrouw en kinderen neer op nummer 11, driehoog. In zijn ‘schrijfhokje’, een klein kamertje op zolder, schreef hij onder andere ‘Het grote gebeuren’, een van zijn bekendste verhalen, over het Laatste Oordeel. Dat speelt zich af in Rijssen, waar hij opgroeide. Maar in de Spinozastraat ontstond ook het verhaal ‘De dingen de baas’ dat Amsterdam als achtergrond heeft. Belcampo schreef het na 1946, het geboortejaar van Balthazar. Het is het enige verhaal waarin hij zijn gezin in een verhaal opvoert, met de authentieke namen van de kinderen.

In De eerste Nederlandse tiftie uit 1983 (Belcampo’s zelfbedachte woord voor de biografie die Wim G.J. van Dijk van hem schreef, maar die hij zelf aanvulde met commentaar) gaat hij in op de inhoud van het verhaal: ‘Dit is het enige verhaal dat symbolisch opgevat zou kunnen worden en daardoor in verband gebracht met politiek. Begin en verloop ervan tonen een frappante overeenkomst met die van echte revoluties.’ De mensen hebben er een zooitje van gemaakt, de aarde wordt bedreigd door het misbruik dat de mensen van de dingen maken. Er is sprake van een coup van de Fedération Internationale des Objets.

Een kudde stofzuigers

Talloze voorwerpen hebben de huizen verlaten en zijn de straat op gegaan: ‘De hele inventaris van Amsterdam-Oost schoof daar aan de overkant voorbij, uit de Andreas Bonnstraat, langs het water en dan de brug over naar het Weesperplein. Stoelen en tafels, kasten en piano’s, ledikanten en beddengoed, trapleren en wasrekken, gordijnen soms hoog als een spandoek of als een vlag, en op geregelde afstand een hoog kabinet, er bovenuit als een vaandel.’

In de straat verschijnt een platte wagen met daarop een reusachtig aambeeld: ‘In ’t midden van de Spinozastraat – daar woonden wij – recht tegenover ’t ziekenhuis, hield het aambeeld stil en begon, ingeleid door nog twee machtige slagen, van elke hamer één, zijn tot ons gerichte rede. – Mensen!’

Per post wordt het gezin in het verhaal uitgenodigd voor een bijeenkomst in het Olympisch Stadion: ‘De auto, die even had stil gehouden reed ons weer verder, de Kerkstraat in en linksom de Spiegelgracht af naar ’t Rijksmuseum. (…) Op het Jan Willem Brouwersplein naast het concertgebouw reden we midden door een kudde stofzuigers die daar al razende stonden te grazen, terwijl er niet eens veel stof lag.’ Later in het verhaal ontvangt het gezin een uitnodiging voor een algemene vergadering in het RAI-gebouw, ‘ondertekend door het comité O.D.O. (Overwinnen door Overtuigen).’ Onderwerp: Vrijheid. Sprekers: een kabinet, een auto, een spijker, een stofdeeltje, een mens.

Maar ook onder de dingen ontstaat verdeeldheid. Tijdens de algemene vergadering neemt de aarde het recht als eerste te spreken: ‘Dames, Heren en Dingen!’ De dingen moeten terugkeren in de staat van vóór de revolutie. De mensen moeten zich schamen voor ’t machtsmisbruik. De boodschap luidt: ‘Wordt tesaam gelukkig.’

Vrijheidsdrang

Ook nadat Belcampo Amsterdam had verlaten, keerde hij er in werkelijkheid of in gedachten vaak naar terug. Toen hij zich als huisarts in Bathmen had gevestigd, werkte hij in 1952 het idee voor het verhaal ‘Amsterdam’ uit. ‘Wanneer je iets verliest,’ zei hij hierover in De eerste Nederlandse tiftie, ‘besef je pas wat het voor je betekent. Amsterdam is de stad geweest van mijn wording.’ In dit verhaal ligt zijn liefde tot het vooroorlogse Amsterdam er dik bovenop: ‘Onder de oorlog woonde ik daar en het uitvoerig bekijken van de stad was een van de weinige dingen die je nog kon doen.’

Tijdens een wandeling over de Herengracht ontdekte hij twee panden in Hollandse-classicistische stijl met een halsgevel-tweeling. De panden staan er nog steeds. Aan weerskanten van beide gevels leunen een man en een vrouw. Twee echtparen. Op nummer 390 houdt het echtpaar een koord vast als symbool van de huwelijksband. Op nummer 392 is het koord verdwenen. Belcampo vroeg zich af waarom. ‘Het maakte een diepe indruk op mij en tot mijn verwondering kon ik er in de rijke literatuur over Amsterdamse huizen geen enkele vermelding van vinden. Was ik de eerste die het had opgemerkt?’ Het ontbrekende koord van het echtpaar op nummer 392 zette zijn fantasie in beweging.

In het verhaal ‘Amsterdam’, een van de drie opgenomen in Liefde’s verbijstering uit 1953, heeft Belcampo zijn vrijheidsdrang geprojecteerd op Elianore van Raesfelt, die is getrouwd met diplomaat Willem van Honselaersdijck. Elianore is ongeschikt voor het conformistische huwelijksleven. Ze klimt het dak op en ziet ‘het beweeglijk blinken van het IJ’: ‘Zonder de vrijheid om te gaan en te staan waar zij wilde was haar ’t hele huwelijk niets waard.’

Ze gaat op avontuur, de stad in. ‘Mojaba!’ roept een venter: ‘Aan het vermiljoen op hun karren wist ze dat daarmee: mooie aardbeien! werden bedoeld.’ Ze komt bij het IJ, waar Oostindiëvaarders voor anker liggen. Opgewonden vrouwen varen de bemanning tegemoet. Huisvrouwen die hun mannen verwelkomen? Elianore leert snel. ‘Nee zussie,’ zegt een varensgezel, ‘dat is nou je welkom van het vaderland als je de reis naar het zuiden der af heb gebracht.’ Elianore stapt in de schuit met hoeren en vaart de bemanning tegemoet.

Hoerenloper

Begin 1955 – Belcampo was inmiddels studentenarts in de stad Groningen – verleende de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen aan tien letterkundigen de opdracht een gedichtencyclus, verhaal of novelle te schrijven over een bepaalde stad. Belcampo kreeg Amsterdam toegewezen. Hij had ‘een barre hekel’ aan ‘opdrachten’. Maar gelukkig had hij iets in de la liggen: ‘Avontuur in Amsterdam’, later verschenen in Tussen hemel en afgrond uit 1959.

Om Amsterdam werkelijk te leren kennen, bedacht Belcampo, moet je in de huid van de Amsterdammer kruipen. In overleg met het Opperwezen verplaatst de hoofdpersoon in het verhaal zich één dag (zielendag) in de ziel van duizend Amsterdammers. Wandelend langs de Amstel, over de Magere Brug, naar de Munt en de Dam ziet hij een vuilnisman, verkeersagent, glazenwasser, een gevangene, een verkeersslachtoffer.

In de huid van een hoerenloper belandt de ik-figuur op het Oudekerksplein. Jopie, het jonge hoertje, herkent Belcampo, die zich in de ziel van de bezoeker heeft verplaatst: ‘Belcampo!’ Maar hij huist eveneens in de ziel van Jopie: ‘Geen twijfel aan, mijn ziel was in dit bed in duplo aanwezig. Op hetzelfde ogenblik namen die zielen de overhand.’ Na de liefdesdaad volgt er een wilde stoeipartij. ‘Op het hoge bruggetje van de gracht overviel mij voor het laatst een lachstuip. Ik moest de leuning een poos vasthouden, zag nog hoe een auto stopte voor Jopie’s deur. Daarna volgde ik hem [de hoerenloper] verder gedwee naar zijn huis en zijn bed.’

De minister moest vooral niet denken dat hij met de opdracht aandeel had in het scheppen van kunst. ‘Dat verhaal over Amsterdam,’ zei Belcampo, ‘lag al lang klaar voordat die opdracht kwam. Die kwam mooi van pas, dat wel.’

De biografie van Belcampo van de hand van Nico Keuning verschijnt najaar 2024 bij Uitgeverij Querido.

Header: De St. Nicolaaskerk, ca. 1890. Kunsthandel Gebr. Douwes / Stadsarchief Amsterdam