In het voorjaar van 1899 schoot een jager per ongeluk zijn jachthond dood, ergens aan de landelijke rand van de 19de-eeuwse stad. Hij kon niet verkroppen zijn geliefde viervoeter gewoon maar mee te geven aan de stadsreiniging. Daarom vroeg hij aan Gerard van Lom, die aan de Amstelveenseweg een stuk land had, een graf voor haar te delven, voor 150 gulden – een aanzienlijke vergoeding.

Van Lom runde sinds 1896 een kennel op Amstelveenseweg 10 (later 225), toen nog in de gemeente Nieuwer-Amstel, waarachter zich nog een gebied met boerderijen en industrietjes uitstrekte. Hij stemde in met het verzoek. Zo verrees de eerste grafzerk van dierenbegraafplaats Het Torentje, met engelenkopjes en in het witte marmer de tekst: ‘Carmen, geb. 1 Juni 1881, overl. 12 April 1899 – Voorbeeld van trouw’.

Ongetwijfeld had de kennelhouder eerder die maand in Het Nieuws van den Dag (waarin hij zelf adverteerde met zijn pension en zijn rashonden) gelezen hoe twee dierenliefhebbers in Parijs een eilandje in de Seine hadden omgetoverd tot een Père-Lachaise voor dieren. Dat was niet de eerste dierenbegraafplaats; ze zijn allemaal terug te voeren op Pet Cemetery in Hyde Park te Londen, waar de familie Lewis Barned in 1881 toestemming had gekregen om haar Maltezer terriër Cherry te begraven.

Het publieke karakter van een dierenbegraafplaats, gemodelleerd naar die van mensen, was nieuw. Het fenomeen werd breed uitgemeten in de kranten, verslaggevers wisten niet of ze nou moesten lachen of walgen. Socialisten wezen furieus op arbeiders die niet eens hun eigen graf konden betalen. Christenen verketterden de heidense vorm van dierenverering. Maar de trend bleek ook in Amsterdam aan te slaan.

Humaner afmaken

Abraham Gerard van Lom was op zijn zestiende met zijn ouders, broers en zussen uit Vianen naar Amsterdam verhuisd. Hij had de kost verdiend als opzichter, confiseur, werkman, leerlooier, koffiehuishouder en boekhandelaar, maar zijn passie lag bij dieren. Met zijn konijnen en leghoenders viel hij op voedingsmiddelen- en landbouwtentoonstellingen in de prijzen en zijn rashonden trokken bekijks op de hondententoonstellingen.

Ook bekommerde Van Lom zich om de bescherming van dieren. Naar aanleiding van een prijsvraag van de Koningin Sophia-Vereeniging tot Bescherming van Dieren maakte hij een schaalmodel van het Toestel van Sinck – Sinck was zijn schoonvader – waarmee paarden uit de gracht konden worden gered.

Zelf ontwierp hij een wagen waarop zieke paarden vervoerd konden worden en daarna kwam hij met uitvindingen om huisdieren humaner af te maken: het asphyxiatietoestel op basis van gas, en ‘verstelbare schietkorven’ waarmee honden gemakkelijker het genadeschot kon worden gegeven. Dat was niet alleen prettiger voor de bezitters van zieke huisdieren, maar zou ook het lot van zwerfhonden verbeteren, want ‘penningloze’ honden werden nog altijd levend in de ‘hondenmoordkar’ te water gelaten en verdronken.

Opleidingsschool voor puppy's

Het gezin Van Lom woonde in een modern woonhuis aan de Amstelveenseweg, ter hoogte van de huidige Olympiakade. Op het terrein erachter stond de grote voormalige boerderij Het Torentje, waar Van Lom met zijn gezin de kennel runde. Amsterdammers konden bij hem terecht voor tijdelijke opvang en medische zorg van hun huisdieren. De logerende honden verbleven in ruime hokken, er was een opleidingsschool voor puppy’s, een zwemplaats, een apotheek, een ziekenzaal en een euthanasie-inrichting.

Naast de logerende huisdieren in het pension hield het gezin er zelf ook ‘honden in overvloed en een goeden harddraver’ op na. Van Loms oudste zoon, Gerard jr nam sinds zijn tienerjaren deel aan paardrijwedstrijden, vaak op zijn vaders drafpaarden. Later ontpopte hij zich tot beeldhouwer die zich toelegde op honden, en ook in opdracht van de baasjes dodenmaskers van honden maakte. Hij zou zich vestigen in Den Haag, waar hij in 1933 een dierenbegraafplaats poogde op te richten. In Amsterdam nam na het overlijden van Gerard sr in 1908 zijn andere zoon Henri met zijn vrouw Grietje Houtman de zaak over.

Familiegraf

Amsterdamse huisdieren konden dus vanaf 1899 begraven worden bij Het Torentje, in een door bomen omsloten tuin. Carmen werd datzelfde jaar gevolgd door (aldus de kranten) de ‘fraaie kortharige windhond Juno’ en de ‘trouwe herdershond’ van ene J.S.. Ook voor katten was plek, evenals voor papegaaien en apen. De dieren werden opgehaald in een lijkwagen om ze – desgewenst in begrafenisstoet – naar hun laatste rustplaats te brengen.

Net als op een mensenbegraafplaats was er een onderverdeling in verschillende klassen: met of zonder kistje, in een eigen of een gemeenschappelijk graf. De meeste graven waren voorzien van simpele houten bordjes met de naam van het dier, maar het stond de nabestaanden verder vrij het zo bont te maken als ze wilden. Zo waren er heuse praalgraven omheind met hekjes, en marmeren grafzerken voorzien van fotoportretjes op emaillen plaatjes. De ‘rode’ kranten spotten dat er zelfs onder overleden dieren klassenonderscheid heerste.

Het succes noopte de kennelhouders onderscheid te maken tussen eeuwige plekken en grafjes die na vijf jaar geruimd werden. Veel plekken functioneerden als ware het een familiegraf, waar steeds nieuwe huisdieren werden bijgezet.

Na de annexatie van Nieuwer-Amstel in 1896 werd het landelijk gebied langs de Amstelveenseweg aangewezen als woongebied. De familie Van Lom werd in 1917 onteigend, de kennel en de graven die nog steeds bezocht werden verhuisden naar Sloterweg 210, voorbij de begraafplaats Huis Te Vraag. Daar werd een jaar later Henri van Lom begraven, veertig jaar oud. Grietje van Lom, in 1922 hertrouwd met Herman Hensel, zou ’t Torentje nog ruim vijftig jaar bestieren.

Ras-Amsterdamse met gouden hart

Wie waren de huisdierenbezitters, die kosten noch moeite spaarden om hun huisgenoten zo’n laatste rustplek te gunnen? Volgens een artikel in De Friese Koerier uit 1958 ging achter de liefkozende opschriften van de zerkjes vaak een groter verdriet schuil: dat van mensen die geen kinderen konden krijgen, en dan maar hun liefde stortten op hun huisdieren: ‘Rust zacht, lieve kinderen’.

Ook werd vaak gesteld dat de begraven poezen konden worden herleid tot het ‘zwakkere geslacht’, alleenstaande vrouwen of weduwen. Grietje van Lom probeerde dat in 1969 te nuanceren door te wijzen op het graf van Carmen: ‘U ziet het: niet alleen vrouwen, ook mannen stellen er prijs op dat hun dier een goed graf krijgt.’

Geïllustreerde tijdschriften wijdden geregeld rapportages aan de begraafplaats. In 1931 bezocht een cameraploeg van het Polygoonjournaal Het Torentje. In 1969 deed Grietje, ‘ras-Amsterdamse, de grage praatster met de grote bazige mond, maar het gouden hart’, de zeventigjarige geschiedenis van ‘t Torentje uit de doeken voor de krant.

Uit discretie noemden de Van Loms hun klanten nooit bij naam, maar desgevraagd kon Grietje wel wat excentrieke voorbeelden oprakelen. Er was ‘een bekende dokter’, die bitter op het graf liet zetten: ‘Hector, twaalf jaar lang mijn vriend, de eenige die trouw bleef en edel was zijn leven door.’ Er was die man die haast elke dag van de Keizersgracht naar de begraafplaats kwam om verse bloemen te brengen voor zijn te vroeg gestorven hond. Er was de vrouw die flauwviel toen een mahoniehouten, met satijn gevoerde kistje met zilveren handgrepen in het gat neerplofte – en vervolgens uitriep ‘dat haar leven geen nut meer had’.

Mimi, Miza en Minnie

Grietje herinnerde zich een andere dokter, die veertien jaar eerder zijn twee hondjes had begraven, maar het graf niet wilde opgeven. Ze vroeg hem: ‘U begrijpt toch wel, u als dokter, dat er helemaal niets meer inzit?’ Maar de dokter was bang dat als hij het graf zou opgeven er voor zijn huidige viervoeter geen plek meer zou zijn. Ook waren er twee oude dames, die ruim 36 jaar lang vier keer per jaar bloemen legden op het graf van hun katten Mimi, Miza en Minnie. ‘Met een taxi, omdat zij zo slecht ter been zijn.’

Tijdens de oorlog was er een heer die zijn hond Lackie begroef. Grietje: ‘Na de bevrijding kwam de heer terug, en zei: “We zullen Lackie maar weer laten lopen”. Voor de ogen van de hogelijk verbaasde directie ging hij aan het graven en haalde tenslotte… een radiotoestel naar boven.’ De Van Loms begroeven hun eigen dieren trouwens niet met zoveel poespas, want, aldus Grietje: ‘Ik weet dat er na een maand niks meer over is van het dier.’

Na de oorlog viel ‘t Torentje aan de Sloterweg weer ten prooi aan de groei van Amsterdam. In 1959 moest het wijken voor nieuwe woonwijken in Sloten.

Hoewel het eigenlijk het Algemeen Uitbreidingsplan doorkruiste, mocht de familie Hensel-Van Lom met de kennel en de begraafplaats terug naar de Amstelveenseweg, nummer 754. Het stukje grond was aanzienlijk kleiner dan aan de Sloterweg: op nauwelijks tien bij vijf meter lagen zo’n honderd steentjes hutje mutje bij elkaar. De grafjes waren dan ook strak uitverkocht en Grietje moest zo’n drie keer per dag geïnteresseerde nabestaanden teleurstellen.

Grietje Hensel-Houtman overleed in 1982 op 95-jarige leeftijd. Daarmee stierf ook kennel en begraafplaats ‘’t Torentje’ een stille dood.

Naar aanleiding van het artikel over 't Torentje namen de kleindochters van de eigenares van de kennel en begraafplaats contact op met de auteur van dit stuk. Als kleine kinderen hadden ze bij 'Oma Kennel' op de Sloterweg en later de Amstelveenseweg vaak tussen de steentjes gelopen. En ook herinneren ze zich nog de gebouwen waarin de logerende honden en ook enkele katten in verbleven. Van die tijd hebben ze niet alleen veel anecdotes overgehouden, maar ook veel foto's en zelfs nog een paar grafsteentjes in de tuin. In de familie Van Lom stond Grietje bekend als een ondernemende en progressieve vrouw, die samen met haar humoristische tweede man de kennel en de dierenbegraafplaats draaiende hield. Hun laatste huis, tegenover de VU, hing vol met door de jaren verzamelde schilderijen van dieren – die zijn helaas door een inbraak niet meer in het bezit van de familie. De nazaten wonen voor een groot deel inmiddels een eindje van Amsterdam, maar de liefde voor dieren is generatie op generatie overgegeven. De familie telt twee dierenartsen en houdt nog altijd paarden, honden, katten en kippen – net zoals Gerard van Lom in zijn tijd.