De keizer kwam niet alleen. Behalve heer der Nederlanden was Karel V vooral ook koning van Spanje en Roomse keizer. Hij was alleenheerser over het grootste deel van West-Europa en als je zijn bezittingen in Azië en Amerika erbij optelt, ging in zijn rijk de zon letterlijk niet onder. Onder zijn gevolg waren verschillende adellijke dames en heren, onder wie zijn zus Maria van Hongarije (1500-1558), landvoogdes der Nederlanden. Zo'n gezelschap ontving Amsterdam niet elke dag, dus maakte de stadsregering er veel werk van.
Drie dagen vóór zijn komst werden op 10 augustus vanaf de stoep van het stadhuis op de Dam verschillende maatregelen afgekondigd. Met onmiddellijke ingang moesten alle schutters zich klaar houden en geen van hen mocht de stad nog verlaten. Iedereen was nodig voor de beveiliging van het hoge bezoek. Bij de intocht van de keizer dienden alle schutters aan te treden in harnas en met geweer. Voorname burgers kregen toortsen uitgereikt, waarmee ze de grote man en zijn gevolg konden verwelkomen in een optocht. Ze dienden zich in een zwarte 'tabbaard' (toga) te steken, hun beste pak.

Belhamels

Om ongelukken te voorkomen mocht ter verhoging van de feestvreugde alleen geschoten worden met los kruit. Tapperijen werd verboden aan de schutters voorafgaand aan de plechtigheden bier of wijn schenken, zodat de mannen niet onbekwaam in het gelid zouden verschijnen. Een speciale waarschuwing kregen de Amsterdamse jongelui die zich bij een eerder bezoek van de landvoogdes hadden misdragen. Tijdens het bijwonen van de mis in de Nieuwe Kerk door Maria van Hongarije waren ze op de banken aan de zijkant van het koor geklommen. De belhamels dienden zoiets bij eventueel kerkbezoek van Karel of zijn gevolg uit het hoofd te laten.
Het mocht de keizer tijdens zijn verblijf in de stad aan niets ontbreken, dus zorgden de burgemeesters ervoor dat er voldoende bier en wijn voorradig was. Alleen speciaal aangewezen gelegenheden was toegestaan aan de hoge gasten te tappen. De visafslag sloot twee dagen om te voorkomen dat de prijzen voor vis bij de verwachte drukte te hoog opliepen.

Losse flodders

Tegen de achtergrond van al deze voorbereidingen moet het korte verblijf van Karel in Amsterdam voor de stadsregering een teleurstelling zijn geweest. Geschiedschrijvers weten er weinig meer over te vertellen dan dat de keizer op die vrijdag 13 augustus 1540 aanreisde vanuit Haarlem en met veel pracht en praal werd ingehaald. Het grof geschut van de stad stond garant voor indrukwekkende saluutschoten en ook de burgers knalden er met hun losse flodders lustig op los. De eminente gast bracht zijn enige nacht in Amsterdam volgens de overlevering door in een huis in de Warmoesstraat tegenover de Papenbrugsteeg. In de 17de eeuw droeg het huis nog zijn wapen, naar men zei ter herinnering aan het historische bliksembezoek. Op 14 augustus vertrok Karel naar Utrecht. Amsterdam bleef achter met een rekening van 564 Carolusguldens en vier stuivers.

Het keizerlijk bezoek aan Amsterdam maakte deel uit van een uitgebreide reis door zijn Noord-Nederlandse gewesten. Half juli deed Karel in Zeeland verschillende steden aan. Op 21 juli werd hij ingehaald in Dordrecht, bleef daar twee hele dagen, en ging via Rotterdam en Delft naar Den Haag, waar hij de 24ste arriveerde. In Den Haag werd hij ziek.
Hij voelde zich zo zwak, dat hij pas op 5 augustus in staat was met de afgevaardigden van de Staten van Holland te overleggen over het eigenlijke doel van zijn bezoek: geld. Want geld had Karel V voortdurend tekort. De oorlogen die hij op verschillende fronten in zijn rijk voerde, waren kostbaar. Hij vroeg de Staten een jaarlijks bedrag van f 100.000,- voor een periode van zes jaar. Het was bittere noodzaak dat de edelen en steden van Holland met deze 'bede' zouden instemmen. Daarom stelde hij hun voor zich te beraden en een week later in Amsterdam antwoord te geven.

Gecorrumpeerde elementen

Wie er als eerste over begon, is niet duidelijk, maar al snel gingen stemmen op dat het beter zou zijn in Haarlem een vervolgbijeenkomst te houden. Volgens een aantekening van de Hollandse raadpensionaris Aert van der Goes werd gezegd dat in Amsterdam de "vier elementen gecorrumpeerd" waren. Anders gezegd: het stonk verschrikkelijk in de stad, zoals altijd 's zomers, zeker deze beruchte zomer van 1540: het 'Grote Zonnejaar'. Amsterdam lag in een moerassig gebied en ook het water van de burggrachten was bepaald niet schoon. Het negatieve reisadvies voor Amsterdam werd – nog steeds volgens Van der Goes – gegeven "om de gezondheid van Zijne Majesteit en zijn gevolg te behoeden". In het bijzonder met het Amsterdamse drinkwater was het zo beroerd gesteld, dat gebruik ervan ziekte of zelfs de dood tot gevolg kon hebben.
Omdat de keizer zich blijkbaar al in Den Haag niet zo lekker voelde, was een al te lang verblijf in de stad niet aan te bevelen. Misschien werd daarom het programma in Amsterdam zo kort gehouden. Helemaal van een bezoek af zien, was geen optie. Dan zou de keizer de Amsterdammers te veel voor het hoofd gestoten hebben en riskeerde hij dat de stad niet zou instemmen met de broodnodige jaarlijkse f 100.000,- voor oorlogvoering. Het fiat werd kort voor Karels aankomst in de stad gegeven. Dat was wel een nachtje waard in een warm en walmend Amsterdam.
MET DANK AAN MAARTEN HELL.

Beeld: Karel geharnast te paart ca. 1555-1558, door een anonieme tekenaar in de stijl van Cornelis Anthonisz. Rechtsboven het Rijkswapen met de Orde van het Gulden Vlies, links de wapenspreuk van Karel in het Oudfrans (zijn moedertaal): Plus Oultre (Altijd verder. Rijksmusuem.